Offer het rijk van het woord

Roberto Calasso, De ondergang van Kasj. Uit het Italiaans vertaald door Elly van der Pluym, uitgeverij Wereldbibliotheek, 420 blz., f49,50
De Engelse historicus R. Cobb vergelijkt zijn werk met dat van zijn lievelingsoom, een plattelandsdokter die zo nieuwsgierig was als de pest. Hij verdenkt deze onverbeterlijke roddelaar ervan medicijnen te zijn gaan studeren om bij alle mogelijke mensen over de vloer te kunnen komen. Historicus wordt iemand, aldus Cobb, uit verlangen om andermans brieven te lezen en door te dringen in de geheime binnenkamers van vreemden. ‘De echte historicus’, zo valt Calasso hem bij, ‘is de voornaamste vijand van iedere jager op Gedenkwaardigheden.

Zijn felbegeerde prooi is vooral datgene wat is ontsnapt aan het geheugen, wat goede redenen had om eraan te ontsnappen. Na langdurige training in die strijd tegen de ondoorschijnendheid kan hij zich meten met Plutarchus’ personages, die echter onzichtbaar zijn gemaakt door een overdaad aan getuigenissen, een solide schild dat de geschiedenis uitscheidt om ze verre van ons te houden. Aan het slot van zijn gedurfde onderneming wil de historicus Napoleon ontmoeten als een onbekende.’
In dat perspectief waren voor Cobb de motieven van drie zogenaamde matrozen die in 1809 twee bejaarde herbergiers doodden en beroofden minstens even interessant. Hij bestudeerde hun processtukken om ‘zelfs gedachten en woorden die geen kans zagen vorm aan te nemen aan de vergetelheid te ontrukken’: 'De historicus moet dus het geheugen van anderen construeren en plunderen.’
Cobb wordt op zijn beurt een van de zegslieden van Calasso, een die even in de marge mag meepraten, een van de velen die hij in zijn omvangrijke essay De ondergang van Kasj rechtstreeks aanhaalt of woorden in de mond legt om via hun al of niet verzonnen herinneringen en getuigenissen veel ijlere en moeilijker te grijpen gestalten tot spreken te brengen die anders alleen maar als abstracta bestaan, zoals historische veranderingen en processen. Wat houdt de omwenteling in die met de Franse Revolutie een kettingreactie op gang bracht waaruit een nieuwe wereldorde is ontstaan?
Waarop is die orde gegrondvest, door welke oorsprong gelegitimeerd? In die termen formuleert Calasso het praktisch nergens. De grote vragen splitsen zich bij hem uit in een veelheid van kleinere, indirectere vragen, die het voordeel hebben dat ze een antwoord mogelijk maken, dat bovendien niet al door de vraag zelf wordt ingegeven.
Wat Calasso zoekt, is nog het gemakkelijkst aan te geven door het te hebben over de manier waarop hij zoekt, over zijn methode. Hoe systematisch zijn benadering als impliciete en implicerende methode ook is, ze behelst zo ongeveer het tegendeel van een systeem. 'En nu gaan we het even over de neus hebben’, zei president Schreber tegen professor Freud. Rechter Daniel Paul Schreber zou dank zij Freud, maar in de eerste plaats natuurlijk door zijn eigen geschriften, de Denkwurdigkeiten uit 1894, een van de meest geciteerde gevallen uit de psychiatrie worden. In 1974 schreef Roberto Calasso (1941) een roman over hem, L'impuro folle, waarin hij de gebruikelijke rollen omkeert en Schreber zelf aan het woord laat, hem zelfs na zijn dood in 1922 een metahistorisch leven gunt. Calasso neemt Freud letterlijk in de woorden die hij tegen Jung zei dat ze Schreber professor in de psychiatrie hadden moeten maken; een hoofdstuk luidt: 'Freud, geanalyseerd door Schreber’.
Ik was Schreber, zegt Freud, en hij onthult hoe hij vlak voor zijn dood alles wat hij had gegrondvest en opgebouwd, eigenhandig heeft vernietigd ter ere van President Schreber.
Hoe kunnen we de betekenis van de mythen ontdekken? 'Dat vertellen de varianten ons, de bloedsomloop van de mythe.’ In zijn fabelachtige mythenboek, het twee jaar geleden vertaalde De bruiloft van Cadmus en Harmonia, zocht Calasso de geheime geschiedenis - het rationele potentieel - van de mythe in een zelfde benadering: het onderwerp zelf als subject van het verhaal aan het woord laten, in heel z'n verscheidenheid en dubbelzinnigheid. 'Pas als we een onverwachte samenhang tussen onvergelijkbare grootheden ontdekken, kunnen we zeggen dat we de toegang tot de mythe gevonden hebben.’
Het mythenboek was een voortzetting van het eerder verschenen kaleidoscopische essay De ondergang van Kasj (1983), waarin het veel meer in de breedte gaat over het offer, ruil en substitutie, de oplossing van het sacrale in het profane van de samenleving, wetenschap en politiek en de daarmee gepaard gaande scheiding tussen gezag en macht, over de legitimiteitscrisis die daarvan het gevolg is en het conflict tussen wet en orde, dat ertoe leidt dat de wereld iets moet vernietigen om orde te scheppen, buiten de wet om, en daartoe het overtollige (zoals de natuur) offert. De methode is in beide boeken dezelfde, alleen is de mythe maar een draad uit de vele die in Kasj in allerlei patronen verweven en verstrengeld zijn.
'Iedere droom heeft minstens een plaats waar hij ondoorgrondelijk is, een navel als het ware waardoor hij met het onbekende verbonden is.’ Aldus Freud, zijn eigen dromenboek citerend tegenover de onderzoeksrechter Schreber. De navel van het boek over de metamorfose van het offer is de titel; het titelverhaal, de legende van de ondergang van Kasj, is zelf trouwens een verhaal over het doorsnijden van de navelstreng tussen hemel en aarde. Het staat op een derde van het boek en is als het ware een puntkomma in een lange nevenschikkende zin die bestaat uit een aaneenschakeling van losse verhalen, historische fragmenten, glossen en parafrasen.
Ceremoniemeester in dit pandemonium is Talleyrand.
En het is een handige zet van Calasso geweest om de tot op heden als aartsopportunist te boek staande politieke geestelijke tot hoofdpersoon van zijn essay te maken. Tijdens zijn leven speelt Talleyrand in alle fasen van de overgang van oud naar nieuw (en terug) een rol, een hoofdrol vaak, vanaf het Ancien Regime, de Revolutie, de terreur, het Directoire en Napoleons Empire tot de restauratie en de nieuwe orde van de staten van Europa. Juist omdat hij in geen enkele illusie van orde geloofde, bezat de aartsbisschop in alle fasen de nodige distantie om de ontwikkelingen met zachte hand bij te sturen. Zijn triomf was het Wener Congres, het bal van de grote woorden: de hogere macht die het gezag voorheen legitimeerde, werd vervangen door de Rede, Vrijheid, Mensheid, Goede Zaak, enzovoort. In korte passages laat Calasso zijn vele figuren optreden, onder wie Goethe, Chateaubriand, Sainte-Beuve, La Fayette, Napoleon, Marie-Antoinette, Pascal, Joseph de Maistre en wie al niet, tot en met Brezjnev en Pol Pot.
Stukje bij beetje zien we hoe sinds de achttiende eeuw op allerlei gebieden de vormen zich van hun inhoud losmaken. Waar niets in zichzelf berust, worden de waarden afgemeten naar een willekeurige Maat (de ruilwaarde, uitgedrukt in geld), verandert geloof ongemerkt in bijgeloof en is daarin niet meer te onderscheiden van ongeloof dat zich voordoet als geloof in wetenschap, socialisme, het individu, de vrije markt, het proletariaat en de vooruitgang. In verheven gevoelens gaan Romantiek en Kitsch een verbond aan, wat Calasso ertoe brengt de Romantiek het reveil van het offer te noemen, maar dan een offer zonder verbinding met iets buiten de moderne wereld zonder grenzen. Talleyrand is getuige van het einde van een cyclische, ceremoniele, maar allang niet meer rituele tijd en van het tumultueuze begin van het experimentele tijdperk, en al snijdt hij niet zelf de navelstreng door, hij helpt de pijn te verzachten, met stijl. Beter dan wie ook weet hij dat de wereld op herhaling gaat.
In 1912 hoorde Leo Frobenius van een kameeldrijver de legende over Kasj, een wijsheid van duizenden jaren oud, afkomstig uit het oosten. Daar kwam de verteller Far-li-man vandaan, die door koning Akaf werd aangewezen om met hem te sterven als de priesters in de sterren gelezen zouden hebben wanneer zijn laatste dag was aangebroken. Dan moest de koning van dit welvarende Afrikaanse land sterven, zo was het gebruik, om plaats te maken voor zijn opvolger. Aan dit offerritueel komt een einde doordat Far-li-man zijn gehoor, onder wie de priesters, zodanig boeit dat zij inslapen en na enkele dagen geen enkele priester meer weet hoe het met Gods handschrift aan de hemel staat. De koning regeert tot hij een natuurlijke dood sterft en wordt opgevolgd door de verteller: na het rijk van het bloed komt het rijk van het woord.
Na Far-li-man gaat het welvarende rijk te gronde. Het offer is oorzaak van de ondergang, het nalaten van het offer is dat niet minder, maar een nog raadselachtiger waarheid, aldus de conclusie van Calasso, is dat de samenleving zelf de ondergang is, omdat ze een begrip wordt dat alles buiten haar opslokt, de natuur al evenzeer als het religieuze.
Daar begint het derde deel van het boek, waarin Calasso de moderne geschiedenis beschrijft met het oog op de vele gedaanten die het offer aanneemt, nadat Lodewijk de Zestiende aan de revolutie ten offer is gevallen. Toppunt van substitutie is de ruil die een waarde op zichzelf wordt, belichaamd door een nieuwe sacrale waarde, waaraan alles kan worden afgemeten: geld. In dit deel komt Calasso’s synoptische en simultane werkwijze het best tot zijn recht. In prachtige hoofdstukken speelt hij Marx, Nietzsche en Stirner tegen elkaar uit en confronteert hij filosofische ideeen met sociale bewegingen. Wat hij daarbij overhoop haalt, van Vedische offerriten tot Walter Benjamins Passages, is haast te veel voor een boek. Wat de aantrekkelijkheid van het boek uitmaakt - de inductieve benadering, de diversiteit, het varieren op enkele thema’s - maakt het ongetwijfeld ook ingewikkeld. Ik denk dat je het boek pas kunt lezen als je het hebt gelezen, pas na het geheel te hebben gezien, tekent zich voor de lezer een patroon af in de veelheid aan thema’s en figuren.
Ik wil niet zeggen dat ik in de stofwolken die Calasso in zijn boek doet opwaaien alles even goed heb gezien, ik weet wel dat hij met zijn wervelende zoektocht een paar neuralgische punten van de moderne tijd raakt. Maar ja, de lezer die tot zo'n leesavontuur bereid is, heeft ook nog tijd en ruimte in het hoofd nodig, en dat lijkt vandaag de dag soms te veel gevraagd.