Offerberg

De journalist zat er al, er stond een half leeggedronken biertje voor hem op tafel.

Om te beginnen, zei hij, zou je misschien je boek even willen samenvatten?

Om de een of andere reden dacht ik aan Harry Mulisch, stel je voor, dacht ik, dat een interviewer zoiets aan Harry Mulisch zou hebben gevraagd.

Ik bestelde een cappuccino, de interviewer nog een bier. Hij was jonger dan ik – zes jaar jonger, bevestigde hij. Het was midden op de dag, de zon scheen, we zaten op een terras, ik voelde me oud en verzuurd omdat ik allerlei oordelen had over die biertjes van hem.

Nee, dat was het niet, of niet helemaal.

Ooit had ik een date, de enige officiële date van mijn leven, met een jongen die niet dronk omdat hij bezig was aan een antibioticakuur. Ik zie ons nog zitten, in een café aan de Amsterdamse Nieuwmarkt, hij met een ijsthee, ik met een glas witte wijn. Hij vertelde iets over zijn studie antropologie en zijn ambitie zich bij het leger aan te sluiten. Ik dronk stil van mijn wijn en vroeg me af waar ik was gebleven. Dat het niks werd die avond, heb ik altijd in verband gebracht met die ijsthee (het matte Lipton-glas, het uitgedroogde citroentje, de buitenproportionele hoeveelheid ijsblokjes). Alles was beter geweest dan dat, elk ander drankje had me minder eenzaam gemaakt.

De interviewer vroeg me om allerlei uitersten. Het mooiste, het slechtste, de grootste tegenslag. In het laatste seizoen van Game of Thrones zit een scène waarin een leger in het holst van de nacht te paard inrijdt op een stel zombies. Duizenden fakkels in de nacht, strijdkreten, hoefgetrappel. Het enige wat je vervolgens te zien krijgt is het stille, massale uitdoven van die fakkels.

Ik zei niet: dit is een ongezonde relatie, en zij duurt nu al dertig ­minuten te lang

Ik mompel iets over een relatie die voorbij ging, corrigeer mezelf, nee, schrijf dat maar niet op, niet relevant. De interviewer neemt nog een slok van zijn bier, in mijn herinnering draagt hij een zonnebril, of nee, die ligt naast hem op tafel want hij kijkt me nu indringend aan en knikt. Ja, ja relaties.

Als bakvis, en toegegeven ook later nog, toen ik al studeerde, had ik een zeer helder beeld van de liefde: twee mensen verstrengeld op een kleedje in het park. Als ik dat voor mezelf kon bewerkstelligen kon ook de rest van het leven beginnen. Inmiddels denk ik bij gras vooral aan jeuk, bij een park in de zomer aan vuilnis en toeristen. Inmiddels weet ik dat gelukkige herinneringen onverwacht kunnen terugkeren als pijnscheuten. Een fles crémant in een vensterbank, een pan gehaktballetjes in tomatensaus – nee, schrijf dat ook maar niet op.

Wilde de interviewer iets anders dan een interview? Nee, dat was het ook niet precies. In Zagreb bezocht ik onlangs het Museum of broken relationships. Mensen van over de hele wereld konden objecten naar het museum brengen die te maken hadden met een verbroken relatie. Het museum leek een offerberg van spullen en verhalen. In een van de glazen bakken lag een oude Nokia. ‘It was 300 days too long’, las ik in de begeleidende tekst. ‘He gave me his mobile phone so I couldn’t call him anymore.’

Misschien had de interviewer liefdesverdriet, al zag hij er niet verdrietig uit. Aan de andere kant: mensen met een gebroken hart zien er vaak extra goed uit. De pijn, onderstreepte ik eens bij Eileen Myles, verleent hen een speciale gloed – ‘And you can see it behind their eyes. Terrible puts a candle in there. Terrible turns on the light. You wonder if people are just empty when they’re moving forward with the plan.’

Het is mooi als je achteraf kunt zeggen dat iets driehonderd dagen te lang duurde, maar is het ook waar? Kun je zeggen: ik heb spijt van die driehonderd dagen, achteraf gezien had ik alles anders gedaan?

De interviewer wilde weten welke zin uit mijn eigen boek ik het beste vond. Ik noemde de laatste zin. Hij zei: bijna iedereen noemt de laatste zin. Toen vroeg hij naar de slechtste zin. Die is er niet, zei ik, als ik meteen zou weten wat de slechtste zin was dan zou ik die eruit hebben gehaald. Ook dat zegt iedereen, zei de interviewer.

Ik zei niet: zou het niet aan de vraagstelling kunnen liggen, dat iedereen zich tot dezelfde antwoorden genoodzaakt ziet? Ik zei ook niet: dit is een ongezonde relatie, en zij duurt nu al dertig minuten te lang. Zo voelde het niet, of toch niet helemaal. De interviewer bestelde nog een biertje.