Naomi Klein

Offerlammeren op Europa’s altaar

De Taliban vernietigt tweeduizend jaar oude boeddhabeelden en wij schudden terecht ons hoofd: hoe barbaars om in deze moderne tijden gesneden beelden te offeren op het altaar van religieuze zuiverheid. Maar terwijl boeddha’s worden gebombar deerd in Afghanistan is de Europese Unie verwikkeld in haar eigen quasi-bijbelse reinigings ritueel: het brandend offeren van tienduizenden dieren om de hongerige goden van de vrijemarkteconomie tevreden te stellen. Toen ik voor het eerst hoorde hoe de boerderijdieren werden beschreven als offerlammeren van het kapitaal (het was de Duitse milieudeskundige Mathias Greffrath die het tegen me zei), dacht ik dat het hyperbolisch bedoeld was. Die heuvels brandden toch om de publieke gezondheid te beschermen en niet de marktwaarde van vlees of toekomstige toegang tot buitenlandse markten?

Meer dan vijftigduizend dieren worden of zijn al gedood in Engeland, en nog eens tienduizend zullen gedood gaan worden. In Duitsland, waar ik onlangs op bezoek ben geweest (omzichtig vlees vermijdend, wat niet makkelijk is, geloof me, in een land dat bekend staat om gerechten als «vlees met vleessaus»), zijn 1500 schapen vernietigd. Er was geen bewijs van besmetting, slechts een kans dat de dieren in aanraking waren geweest met mond- en klauwzeer.

Natuurlijk heeft dit voor een deel te maken met gezondheid, maar voor een groot deel ook niet. Mond- en klauwzeer is niet gevaarlijk voor mensen, en we kunnen het niet krijgen door voedsel. De ziekte kan bij dieren snel worden genezen met de juiste medicijnen en quarantaine, en vervolgens worden voorkomen door inenting. Waar het virus echt zijn tol eist, is in de markt. En de markt eist grootse gebaren om het vertrouwen in zijn systemen te herstellen.

Vergis je niet: er staat een systeem in de beklaagdenbank in de meest recente voedselcrisis in Europa. Wanneer een uiterst besmettelijk virus als mond- en klauwzeer de voedselketen binnendringt, worden consumenten gedwongen na te denken over hoe ons voedsel onze tafel bereikt. Eufemismen als «integratie», «homogenisering» en «hoge intensiteit» krijgen plotseling een heel plastische betekenis.

Het vaststellen van de veiligheid van elke hap eten rukt ineens het gordijn van de verpakking weg en onthult reusachtige bio-industrieën en abattoirs, enorme pakhuizen, de megasupermarktketens en de lange afstanden die dieren moeten afleggen in overvolle vrachtwagens en boten tussen al deze schakels van de industriële landbouwketen.

Het ziet er steeds meer naar uit dat wat er wordt aangeklaagd in Europa de tirannie van «schaal voordelen» is die elk onderdeel van voedselproductie, -distributie en -consumptie beheerst: zaadbedrijven, bio-industrieboerderijen, supermarkten en fastfoodtenten. In elk van deze domeinen volgen de spelers de vertrouwde formule van het verlagen van hun kosten door te consolideren en uit te breiden, om vervolgens hun politieke macht te gebruiken om leveranciers te dwingen hun voorwaarden te accepteren.

Niet alleen schaadt dit kleine boeren en verkleint het de verscheidenheid aan verkrijgbare voedingsmiddelen, het is ook een tijdbom als zich een ziekte aandient. Concentratie betekent dat virussen zich snel vermenigvul digen onder grote aantallen dieren, terwijl globalisering verzekert dat ze ver en breed worden verspreid.

Dat is de reden dat de Duitse minister van Landbouw praat over nieuwe subsidies om twintig procent van de boerderijen van het land te helpen biologisch te gaan produceren. En dat premier Tony Blair van Engeland sputtert over het verslappen van de greep van de grote supermarktketens. Het is ook de reden dat degenen die hopen voort te razen met genetisch gemodificeerd voedsel dit alles ongetwijfeld met ontzetting aanzien.

Deze recente voedselcrisis zou heel goed de beslissende kans kunnen zijn waar anti-gmo-activisten op hebben gewacht. Per slot van rekening is het meest directe gevaar dat GM-gewassen opleveren de manier waarop gemodificeerde zaden door de wind worden meegenomen en zich mengen met niet-gemodificeerde. Toch was het altijd moeilijk het publiek te interesseren voor deze subtiele en onzichtbare bedreiging van de biodiversiteit. Dat is de reden dat groeperingen als Greenpeace ertoe geneigd waren hun campagnes vooral te richten op mogelijke gevaren voor de publieke gezondheid, die, hoewel toegankelijker, minder wetenschappelijk zijn.

Maar mond- en klauwzeer, dat door de lucht wordt verspreid, heeft een groot deel van Europa aan het denken gezet over microbes en wind, over hoe complex de voedselvoorziening is, hoe moeilijk het is elk deeltje te controleren, hoe klein ook, als het eenmaal het systeem is binnengedrongen. «Wordt dus maar vegetariër», zeggen sommigen. «Ga biologisch eten.» De redacteuren van de Financial Times menen dat «het geleidelijk opheffen van intensieve landbouw een te gemakkelijk antwoord» is en stellen meer «keuze voor de consument» voor. Op een of andere manier betwijfel ik dat de voedselveiligheidcrisis van Europa ditmaal wordt opgelost met meer promotie van biologische landbouw. Na meer dan een decen nium van discussies over gekkekoeienziekte, E.coli, gmo’s en nu mond- en klauwzeer is de voedselveiligheid steeds minder een gezondheidskwestie aan het worden, of een consumentenkwestie, en steeds meer een economisch probleem, een probleem dat de meest fundamentele groter-is-beter-uitgangspunten van de industriële landbouw in twijfel trekt.

Het gaat om wankelend vertrouwen — in de wetenschap, in de industrie, in de politiek, in deskundigen. De markten mogen tevreden zijn met hun offer lammeren, maar ik denk dat het publiek weleens duurzamer maatregelen zou kunnen vereisen.