Offline-uurtjes

Om van het leven te genieten, moet je er niet te veel van genieten. Wie schreef dat ook al weer? En wat is het letterlijke citaat? Zulke vragen komen aan de borrel- of keukentafel van ieder ontwikkeld mens van tijd tot tijd langs. Vaak moet het gezelschap het antwoord schuldig blijven en valt het je ’s nachts op weg naar het toilet alsnog in.
Maar de tijden veranderen. Steeds vaker zit ik aan tafels waar iemand een resoluut einde aan zulke puntje-van-je-tong-kwellingen maakt, met een soepel gebaar: door een iPhone te trekken. Tegen alle digitaal parate kennis uit zo'n plat gevalletje legt ieder organisch brein het af.
De eerste keer dat ik met dit verschijnsel (dat vast een naam heeft en er anders eentje verdient) werd geconfronteerd, was op een bruiloft, waar er op het pleintje voor de kerk paniek ontstond: moest het opspeldbloemetje (dat vast een naam heeft, maar ik schrijf dit zonder internetverbinding) nu omhoog of omlaag wijzen op je revers? Of alleen bij de dames omlaag? De feilloze hulplijn van iemands iPhone velde het oordeel (dat ik al weer vergeten ben).
Handig natuurlijk, en toch kom ik niet los van het gevoel dat er iets verloren gaat. Mijn online- en het offline-leven verhouden zich als mister Jekyl tot mister Hyde. Tijdens het schrijven is het geweldig om elke zweem van spelling-, jaartal- of plaatsnaam-onzekerheid meteen te laten wegblazen door de alwetende kosmos van het wereldwijde web. In mijn tekstverwerker kan ik met één rechtermuisklik een woord rechtstreeks naar Wikipedia of Google transponeren. Met een even simpele handeling zoek ik naar synoniemen, zodat het werk verandert in een serie ongecompliceerde manoeuvres.
We denken dat we een tekst lezen die iemand in alle rust woordje voor woordje op papier zet. In werkelijkheid is elk krantenartikel, elke boekenpagina, fictie evenzeer als non-fictie, een derridaïaans netwerk van lagen, resonerende naslagwerken, gecheckte feitjes, dwarsverbanden, doorhalingen, diepzeeduiken in digitale wateren. Gedrukte teksten zijn als het ware topjes van ijsbergen.
Toch dwing ik mezelf van tijd tot tijd tot offline-uurtjes. Want precies de moderne middelen die het schrijven zo gemakkelijk maken, maken het zo onmogelijk.
Allereerst e-mail. Altijd onderin in beeld en zodra dat verraderlijke cijfertje oplicht - postvak in (1) - kun je niet meer terug. Iedereen die zich wel eens serieus met het schrijfproces heeft ingelaten, weet dat een schrijver alles zal omarmen wat hem van het schrijven kan afleiden. Voor je het weet zit je weer een hele dag oude Fokke en Sukke’s te bekijken, met op de achtergrond een live kamerdebat op politiek24.nl. Of erger.
Offline gaan dus. En dat lukt niet met het loskoppelen van een LAN-kabeltje. Nee: de paden op, de lanen in. Gevulde vulpen op zak, notitieboekje erbij. Ik weet dat er mensen zijn die er aanstoot aan nemen (al zie ik niet precies in waarom), maar ik schrijf graag in openbare cafés. Ik was daar tijdelijk mee opgehouden vanwege de komst van het rookverbod, maar kort daarop volgde de komst van mijn kind en kon ik dus eindelijk stoppen met roken. En dus weer schrijven in cafés.
Ik ken collega’s die leuke werkstudio’s huren, of zelfs een ruimte op zolder bij de uitgeverij krijgen, om toch het gevoel te hebben dat ze net als normale mensen ‘naar hun werk gaan’, maar ik zweer bij een draagbaar kantoor dat in één binnenzak past.
Het voordeel van cafés is dat je er nooit níet schrijft. Je voelt als het ware de blikken van de mensen om je heen, en je moet jezelf een houding geven. Het resultaat is - vooral in grote lunchcafés met monotoon geroezemoes - een veel gerichtere concentratie. De aandacht is niet langer versnipperd over acht geopende vensters, nee, je volgt één lijn, in bloedwarme inkt gestold. Bovendien hoef je je eigen koffie niet te zetten: je wordt voortdurend bediend. Zelfs Thomas Mann had die luxe niet. Daar komt bij dat online beschikbaarheid je laks maakt. We hoeven maar een half woord in te voeren en Google vult het aan, of informeert discreet of we soms iets anders bedoelden. We hoeven - afgezien van onze gebruikersnamen en wachtwoorden - niets meer uit ons hoofd te leren, waardoor de menselijke geheugencellen in rap tempo zullen wegevolueren, omdat miljoenen onderling verbonden servers die functie overnemen.
En toch: God zegene het internet. Met name bij het overtypen en corrigeren. Want zonder het internet had ik Jekyl en Hyde hier verkeerd gespeld, had ik het raadseltje waar deze column mee opent niet opgelost, en bovenal: dan had ik nu op de trein naar Amsterdam moeten springen om nog voor de deadline mijn stukje in te komen leveren op de redactie.
Met technologie is het precies als met hoe Vladimir Nabokov dacht over leven: in order to enjoy life, we shouldn’t enjoy it too much.