Plots begon ik mij het hoofd te breken over de kleur van de ogen van mijn geliefden. Blauw, grijs, bruin met een gele spikkeling? Want er stond iets op het spel: het gehalte van mijn genegenheid. Dat sprak althans uit een opmerking van Désanne van Brederode, gedaan over haar vader. ‘Vroeg je hem in afwezigheid [van mijn moeder] welke kleur haar ogen hadden, dan bleef hij het antwoord schuldig’, schrijft ze. ‘Daar kon hij niks aan doen; hij kwam uit een koele familie.’
Het klinkt vergoelijkend, maar het blijft een verwijt. En kennelijk zak ook ik op Van Brederode’s liefdestest. Een vreemde plaats om die af te nemen was het wel. In een antwoordbrief aan René Descartes, naar aanleiding van diens Lettre sur l’amour uit 1647. Gericht was ze aan de Franse ambassadeur te Stockholm en daarmee indirect aan de jonge koningin Christina. Kort daarop zou de filosoof worden uitgenodigd naar haar hof.
Van Descartes’ Brief is nu een vertaling verschenen, onder de titel Een warmte om het hart (Historische Uitgeverij), aangevuld met zes antwoordbrieven van onder anderen Hagar Peeters, Mieke Aerts en Marjoleine de Vos. ‘Liefdesbrieven’, zoals de ondertitel van het bundeltje wil, zijn het maar in één betekenis van het woord. Over de liefde gaan ze allemaal; betuigingen van liefde zitten er niet bij.
Descartes’ Brief schijnt goeddeels te zijn ingegeven door drie vragen van de Zweedse koningin. Het wezen van de liefde, de mogelijkheid daarvan jegens God en de vraag of excessen daarin erger zijn dan die van de haat: dat was de test die Descartes kreeg voorgelegd. Als de brief bedoeld was als een verkapte sollicitatie, dan moet het de merkwaardigste uitweiding geweest zijn die een cv ooit als bijlage heeft gehad. Even merkwaardig als het feit dat Descartes er door een vorstin toe werd uitgenodigd? Zo vreemd was dat niet; geleerde heerseressen waren niet zeldzamer dan hun mannelijke tegenhangers. De obsessie met het geslacht in de wetenschap lijkt pas van recenter datum. Vreemd werd hun combinatie pas in de negentiende eeuw gevonden, waarna een volgende eeuw dát weer vreemd vond – en zijn verwondering prompt op de hele geschiedenis terugprojecteerde.
En pas nu valt me nog iets anders op dan dat in veel van deze antwoordbrieven aan Descartes God wel erg prominent aanwezig is. Ze zijn allemaal door vrouwen geschreven. Dat laat komende besef lijkt winst: kennelijk is dat nauwelijks meer opmerkelijk. Of maak ik me daarmee tóch aan vooringenomenheid schuldig? Net als met mijn vraag waarom ‘liefde’ zo vanzelfsprekend als een vrouwelijke specialiteit wordt opgevoerd? Deed ik dat ook toen, in een eerder bundeltje in deze reeks, een louter mannelijk bestand van correspondenten een brief aan Aristoteles mocht schrijven?
Zo wordt het me ten tweede male benauwd om het goedwillend hart. Men betreedt dit mijnenveld nu eenmaal niet zonder risico’s. De geest van achterdocht heeft er iedere vraag of gedachte reeds bij voorbaat suspect gemaakt. En de veroordeling op een aanklacht, kan op ieder geschikt moment worden geveld. Zo staat ook mijn ogen-onwetendheid nog altijd open als een dreigend verdict van liefdeloosheid. Maar onverwacht komt er redding uit de filosofiegeschiedenis zelf. Geen denker die indringender over de blik en het oog geschreven heeft dan Sartre. En wat merkt die op? In de menselijke verstandhouding zien we het oog van de ander niet, alleen zijn blik. Daarin communiceren we. Het oog zien we slechts wanneer we het objectiveren en de ander als voorwerp onder de loep nemen. Zo ontsnap ik aan mijn schuld, en keren de verhoudingen zich om. Wat is dat voor liefde die zich druk maakt over het uiterlijk, waaraan alleen de verliefdheid zich verlustigt? Is de ogen-test niet een groot misverstand, dat wortelt in de verhaspeling van die twee?
En plots komt ook God weer om de hoek kijken. Díe kunnen we in ieder geval niet in de ogen zien, zo constateerde Sartre. Wísten we de kleur van zijn pupillen maar! – dan hadden we ons tenminste kunnen losmaken van zijn blik. Maar die onwetendheid maakt duidelijk dat dat niet kan. Zijn wij dan in die blik gevangen? Hij zou ons iedere vrijheid, en dus onszelf ontnemen, aldus Sartre. Maar vrij zijn wij, onherroepelijk. Dus klopt de premisse niet: er is geen oog van God. Zo leverde hij het bondigste antigodsbewijs van de geschiedenis.