Ger Groot

Ogen

Rond 400 na Christus schrijft Augustinus: «Ook al valt uw oog eens op een vrouw, u mag de blik nooit strak op iemand gericht houden.» Het is een van de voorschriften uit de Regel waarmee hij de vroegste kloostergemeenschappen van statuten voorziet. Hij is daarmee de eerste in de christelijke geschiedenis. De beroemdere Regel van Benedictus is een kleine 150 jaar jonger. Net als van die laatste is nu ook van De regel van Augustinus een nieuwe, literaire vertaling verschenen bij Athenaeum-Polak & Van Gennep.

Opvallend is Augustinus’ bezorgdheid om de omgang van de geslachten. Zelf ooit een intellectuele play-boy wist deze Noord-Afrikaan de erotiek te duchten, maar tot een islamitische scheiding van de seksen komt het nog niet. In de stedelijke omgeving van zijn kloosters zou zoiets weinig realistisch zijn geweest. «Het is u niet verboden naar vrouwen te kijken», schrijft Augustinus toegeeflijk – en datzelfde geldt omgekeerd in de vrouwelijke versie van de Regel, al ziet die de zusters wél graag strikt behoofddoekt.

Seks is niet de enige zonde, maar ze vormt er bij Augustinus wel het model van. In de westerse beschaving is dat zo gebleven, voorzover dat in de menselijke cultuur niet overal al het geval is geweest. Opvallend is in ieder geval de overeenkomst tussen deze laat-antieke driftbeteugeling en de wijze waarop die recentelijk aan Amerikaanse universiteiten werd nagestreefd. In beide gevallen werd de kuisheid gewaarborgd door een verbod op paarsgewijze afzondering (in de VS gaat de deur van docentenkamers zelden nog dicht) en op het laten afdwalen van de blik.

Maar daar beginnen ook meteen de verschillen. Want terwijl de Amerikaanse regels de ogen strikt horizontaal fixeerden en elke omzwerving beneden de halslijn als onwelvoeglijk aanmerkten, heeft Augustinus het nergens over de kijklust jegens het geërotiseerde lichaam. Voorzover dat laatste al ter sprake komt, is het in een bijzin over fysiek contact dat de ogenbemiddeling al lang voorbij is. Augustinus spreekt slechts over het verzinken van de blik in de blik van de ander: «Wanneer twee mensen elkaar zelfs zonder woorden in de ogen kijken (…), wanneer zij seksueel genoegen scheppen in elkaars passie, zelfs zonder enig onkuis lichamelijk contact, dan is de reinheid al verdwenen.»

Ongetwijfeld betoonde de kerkvader zich daarmee de morele scherpslijper die de grens van het welvoeglijke zo vér mogelijk zoekt om het onwelvoeglijke met des te meer armslag te bestrijden. De brutalere vormen van erotische verkenning zouden dan reeds als vanzelfsprekend zijn uitgesloten, voorzover de toenmalige vrouwenkledij – ergens tussen toga en burka in – daarvoor überhaupt ruimte bood.

Maar net als hedendaagse moslimmeisjes moet de erotoloog Augustinus beter hebben geweten. Kleding verleidt door haar afwezigheid slechts tegen de achtergrond van een gebruikelijke bedekking: niet het naakt erotiseert, maar de ontbloting – onweerstaanbaarder in de mate van haar (gefingeerde) toevalligheid. In de kieren van de hobbezak wordt elke millimeter huid een décolleté.

Waarom dan toch alleen maar gesproken over de ogen – na een nogal krachteloze waarschuwing tegen de fixatie van de blik op «iemand» in het algemeen? Ook die laatste kennen we uit de Amerikaanse reglementen, en dan gaat het wel om oogcontact, dat nooit langer mag duren dan een vluchtige kruising van de pupillen. Wat daarin gevreesd wordt is de opdringerigheid, die bij Augustinus in het geheel niet aan de orde is. Hem gaat het om de verleidingskracht van de blik zelf: een zoet geweld dat wederzijds ieder standvastig voornemen schokt.

In het strenge keurslijf van zijn regel betoont hij zich daarmee niet alleen een grotere psycholoog. Even ongemerkt als ongewild werd hij ook de voorloper van een hoofse cultuur die nog bijna een millennium op zich zou laten wachten – en die het seksuele monster ridderlijk zou bevechten als het avontuur van een bijna lichaamsloze blik.