‘In goed en kwaad: Verzameld werk’, Fritzi Harmsen van Beek

Ogen en oren wassen

Jan Hanlo leidde een zonderling bestaan, woonde altijd alleen, maar bestreed de eenzaamheid door zijn gedachten en belevingen per post met anderen te delen. Zo correspondeerde hij met theologen over God en de vrije wil, met taalkundigen over het Antwerps dialect, en discussieerde hij met tijdgenoten als Adriaan Morriën, Renate Rubinstein, Simon Vinkenoog en Bernlef over poëzie en het schrijverschap. Deze geestdrift heeft twee delen dundruk opgeleverd, die ik deze warme maanden onvervaard met me mee zal sjouwen. Hanlo was een groot beestenvriend, en zijn bescheiden oeuvre kent dan ook vele noemenswaardige odes aan dieren, zoals het gedicht Hond met bijnaam Knak en zijn lieflijke miniatuur over vriendschappen tussen honden en katten.

Maar het mooiste Nederlandse dierenboek werd niet door Hanlo, maar door een van zijn contemporainen geschreven: Fritzi Harmsen van Beek. Haar eerste dichtbundel, Geachte Muizenpoot en achttien andere gedichten (1965) is nog altijd een volstrekt unieke, eigenzinnige verzameling gedichten die de tand des tijds lachend hebben doorstaan. Het boek is alleen nog antiquarisch te vinden, maar werd gelukkig opgenomen in het verder ook zeer hoogwaardige verzameld werk, In goed en kwaad.

Hoogtepunt is een gedicht opgedragen aan de ‘neerslachtige poes’ mevrouw Ping, ‘ter vertroosting bij het overlijden van zijn gebroed’. Hierin overlaadt de dichter haar rouwende huisdier met tedere epitheta als ‘radarbesnorde, dubbelgepuntmutste, mevrouwogige poezin’ om haar weer te enthousiasmeren voor het leven dat rondom haar bloeit: ‘Hebt u de interessante nerveuze godvruchtige/ vogeltjes, vrome goedertierende mevrouw, al wel/ bekeken, druk telefonerend van: hallo met piet,/ kom je op mijn tak.’

Even aandoenlijk als ontroerend is dit dierengedicht, dat vogelgekwetter dichterbij brengt en geheel nieuw maakt. Het is een liefdevolle, poëtische oog- en oorwassing, die doet uitzien naar dit najaar, waarin Maaike Meijers biografie van Fritzi Harmsen van Beek zal verschijnen.