Hoe Frankrijk omgaat met het privé-domein

Oh la la…

President Sarkozy was er een absolute meester in om de publieksmedia zijn privé-leven als een feuilleton dagelijks over de kiezer uit te laten rollen. Maar sinds de affaire-DSK zijn ook de Franse kwaliteitsmedia bezweken voor de verleiding zich op het privé-leven van politici te storten.Nicolas Sarkozy was er een meester in om zijn privé-leven als een feuilleton dagelijks aan de kiezers te presenteren – in de publieksmedia. Maar sinds de affaire-DSK zoeken ook de Franse kwaliteitsmedia gretig naar privé-geheimen van politici.

Het was misschien wel het best bewaarde geheim uit de tijd van het presidentschap van Nicolas Sarkozy: het vaderschap van Zohra, het inmiddels driejarige dochtertje van Rachida Dati, Sarkozy’s mediagenieke minister van Justitie. De boulevardpers brak zich het hoofd over de kwestie. Was het José Maria Aznar, de voormalige premier van Spanje? Een van de broers van Sarkozy, of wellicht een adviseur van de emir van Qatar? Dati, tegenwoordig burgemeester van het Parijse 7de arrondissement, liet er niets over los. Tot het rechts-liberale opinieweekblad Le Point vorige maand onthulde dat Dati een rechtszaak had lopen tegen Dominique Desseigne, directeur van een keten hotels en restaurants, waaronder de beroemde brasserie Le Fouquet’s aan de Champs Elysées. Ze wees de 67-jarige Desseigne als de vader van haar dochter aan en probeert nu via de rechter af te dwingen dat hij het meisje als zodanig erkent.

Vijf journalisten had Le Point op de zaak gezet. Desseigne ontkent niet dat hij ten tijde van de verwekking een verhouding had met Dati: een ‘avontuurtje, zoals ik er toen meerdere had’. Maar omgekeerd gold dat ook, zo stelde het weekblad, citerend uit de documenten van Desseigne’s advocaat. Dati zou in die periode nog zeven andere minnaars hebben gehad: ‘Een televisiepresentator, een minister, een bestuursvoorzitter van een beursgenoteerd bedrijf, een Spaanse premier, een broer van Nicolas Sarkozy, de juridische adviseur van de emir van Qatar en een erfgenaam van een concern in luxeproducten.’

Dati aarzelde niet en diende een aanklacht in wegens schending van haar privé-leven. In een radio-interview veroordeelde ze een ‘bepaalde pers’ die niet langer nieuws brengt, maar slechts uit is op sensatie, ‘om niet te zeggen voyeurisme’. En passant nam ze het op voor de journaliste Valérie Trierweiler, de levensgezellin van de socialist François Hollande, de huidige president. De First Girlfriend sierde afgelopen half jaar menige cover van de weekbladpers en was onderwerp van diverse boeken. Een daarvan, La Frondeuse, geschreven door een journalist van dagblad Le Parisien en oud-politiek verslaggever van Le Monde, kwam met een wel zeer smeuïge onthulling. Voordat ze iets met Hollande kreeg, had Trierweiler, toen nog getrouwd, een affaire met Patrick Devedjan, een van de kopstukken van Sarkozy’s partij ump.

Net als Dati diende Trierweiler een aanklacht in. Ze eist een schadevergoeding van 85.000 euro van de auteurs van La Frondeuse, eveneens wegens ‘schending van haar privé-leven’. De belangstelling van de Franse boulevardpers voor het privé-leven van politici is niet van vandaag of gisteren. Nieuw is wel dat gerenommeerde journalisten naar hartenlust meedoen.

Ik herinner me mijn verbazing toen ik in 2004 naar Frankrijk verhuisde en een nummer van Paris Match onder ogen kreeg. Tussen verhalen over het wel en wee van Franse zangers en acteurs prijkte een reportage over Nicolas Sarkozy, op dat moment minister van Binnenlandse Zaken. ‘Reportage’ was een groot woord. Hij leidde rond in zijn huis in miljonairsgemeente Neuilly-sur-Seine, even ten westen van Parijs, zijn toenmalige vrouw Cécilia aan zijn zijde. Sarkozy bleek in Frankrijk een societyfiguur. Het was een staande traditie. Naar bleek vroeg iedere zichzelf respecterende politicus Paris Match of Gala op gezette tijden op de koffie.

Op welk moment Franse politici hun privé-leven zo opzichtig begonnen te etaleren valt niet exact te dateren. Het zal ergens rond 1992 zijn geweest. Dat jaar ontbood Ségolène Royal, de latere socialistische presidentskandidate, zowel Paris Match als de populaire televisiezender TF1 bij haar kraambed. Ze zei te willen laten zien dat een ministerschap (Royal was op dat moment minister van Milieu) uitstekend met het moederschap te combineren was. Maar Sarkozy toonde zich een absolute meester in het genre. Bij hem was zijn privé-leven onderdeel van een feuilleton dat hij dagelijks over de kiezer uitrolde. Verslavend was het. Het ene moment legde hij op televisie uit waarom hij geen trouwring droeg (huwelijksproblemen, een politicus is ook maar een mens), het volgende moment was de camera getuige van de gelukkige hereniging – kortstondig, zoals uiteindelijk zou blijken. Toen kwam Carla. Dat het ‘serieus’ was tussen de twee was het voornaamste dat bleef hangen tijdens de eerste en enige grote persconferentie die Sarkozy tijdens zijn presidentschap gaf.

Vanaf welk moment bezweken ook de kwaliteitsmedia voor de verleiding zich op het privé-leven van politici te storten? Ook dat is lastig exact te bepalen, al zou de ‘affaire-dsk’ van doorslaggevende betekenis blijken. Zeker is dat grenzen met de komst van Sarkozy begonnen te vervagen. Tot dan was het duidelijk: over het privé-leven van een politicus schrijft een serieuze krant in Frankrijk niet. In hun voorwoord bij de pocketversie van het in 2006 verschenen Sexus Politicus verbaasden de auteurs zich nog over de koele ontvangst in de Franse pers, terwijl buitenlandse kranten zich juist laafden aan de smeuïge anekdotes over seksuele escapades van Valéry Giscard d’Estaing, François Mitterrand, Jacques Chirac en wie niet al. Franse journalisten schiepen er een zekere eer in het taboe in stand te houden. En er was altijd het schrikbeeld: hun in vuilnisbakken snuffelende Britse collega’s, la presse à la Murdoch.

Over de ziekte van Pompidou (toch een staatszaak) werd, hoewel bekend bij journalisten, destijds met geen woord gerept, zelfs niet toen het televisiekijkers begon op te vallen dat hun president de laatste tijd wel erg vreemde vlekken in zijn gezicht vertoonde. Het tweede gezin van Mitterrand dat op kosten van de Franse belastingbetaler werd onderhouden en beschermd? Op de redacties van een aantal grote kranten en weekbladen was het bestaan van Mazarine (geboren 1974) gewoon bekend. Toch leerde het grote publiek haar pas in 1994 kennen. ‘Jullie durven gewoon niet, stel zo’n vraag!’ fulmineerde Elaine Sciolino, tot voor kort bureau chief in Parijs voor de New York Times, eens tegen journalisten van dagblad Libération. Ze hekelde het klimaat waarin Franse politiek journalisten – uit pudeur of uit angst voor represailles – het privé-leven van politici negeerden, zelfs in gevallen waarin dat zeer politiek relevant was (de ziekte van Pompidou, de buitenechtelijke dochter van Mitterrand).

En toen barstte de ‘dsk-affaire’ los. Op 14 mei 2011 werd Dominique Strauss-Kahn, directeur van het Internationaal Monetair Fonds en gedoodverfd presidentskandidaat namens de Parti Socialiste, op het vliegveld van New York gearresteerd op verdenking van verkrachting, eerder op de ochtend, van een kamermeisje van het Sofitel. Ongelovig en furieus werd in Frankrijk gereageerd op de vernederende perp’ walk die Strauss-Kahn, geboeid en al, moest afleggen voor de rechtbank. Maar toen de eerste schok voorbij was en zich enkele weken later bovendien een journaliste (Tristane Banon) meldde die stelde dat zij een aantal jaren eerder door dsk was aangerand, kon de Franse journalistieke wereld niet om pijnlijk zelfonderzoek heen. Banon, zo bleek al snel, was niet de enige journaliste die te maken had gekregen met de agressieve versiermethodes van Strauss-Kahn. Maar nu zat hij in de cel en was het imago van Frankrijk aangetast.

Had de Franse pers niet in een veel eerder stadium melding van dsk’s seksuele obsessies moeten maken? Voor Christophe Deloire, een van de auteurs van Sexus Politicus, was het een wezensvraag: ‘Introduceren we Angelsaksische onderzoeksmethodes en/of verkommeren we in onze zeepbel van privé-geheimen?’ schreef hij in Le Monde. ‘Onthullen we om een electoraal ongeluk te voorkomen, of geven we juist vol gas op het kruispunt? Dat is een essentiële vraag voor onze democratie.’ Het debat was geopend. De affaire-dsk was in zekere zin de wraak van Jean Quatremer, correspondent in Brussel voor Libération. In 2007, kort na Strauss-Kahns benoeming, vroeg hij zich op zijn blog in alle ernst af of men in Parijs op de hoogte was van de ethische normen die gelden binnen een internationale organisatie als het imf. ‘Het enige echte probleem van Strauss-Kahn is zijn bejegening van vrouwen. Hij oefent druk uit, nadert de ongewenste intimiteit. Een handicap die bij journalisten bekend is, maar waar niemand over praat (we zijn in Frankrijk). Maar bij het imf zijn de normen Angelsaksisch. Eén verkeerd gebaar, één overduidelijke hint en in de media krijgt hij de volle laag.’ Quatremer voorzag een schandaal en dat kwam er ook.

Nog geen jaar later onthulde The Wall Street Journal dat het imf een intern onderzoek was gestart naar Strauss-Kahn op verdenking van machtsmisbruik, naar aanleiding van een verhouding die hij met een ondergeschikte had. De bron aan wie WSJ de informatie dankte, had eerst bij Quatremer in Brussel aangeklopt, maar de hoofdredactie van Libération toonde geen interesse voor het verhaal. Begin dit jaar publiceerde Quatremer Sexe, mensonges et médias (Seks, leugens en media), een felle aanklacht tegen de Franse journalistieke mores. ‘Ik heb nooit begrepen waarom journalisten deze waterscheiding tussen het privé- en het publieke leven accepteren wanneer er interactie tussen beide of het risico daartoe bestaat’, aldus Quatremer in een interview. ‘Zeker niet in een tijd waarin politici hun privé-leven op alle denkbare wijzen instrumentaliseren in de hoop daar kiezers mee te winnen.’

Laurent Joffrin, tussen 2006 en 2011 hoofdredacteur van Libération, erkende in een reactie dat hij destijds ‘een beetje’ fout zat, maar waarschuwde eveneens voor het alternatief, de journalistiek van het sleutelgat. ‘Ik zie de beschaving daar niet op vooruitgaan’, zei hij.

Duidelijk is wel dat er sinds ‘dsk’ niets meer hetzelfde is in de Franse journalistiek. Met Les Strauss-Kahn, over het echtpaar Strauss-Kahn en Anne Sinclair, schreven twee journalistes van Le Monde dit voorjaar alsnog het boek dat eigenlijk vijf jaar geleden had moeten verschijnen. Ze toonden aan dat Strauss-Kahn ook zonder het incident in het Sofitel vroeg of laat in het stof had moeten bijten. Een eventuele presidentskandidatuur? Gedoemd te falen, daarvoor had Sarkozy eenvoudig te veel compromitterende informatie over Strauss-Kahn achter de hand (een aanhouding wegens prostitueebezoek in het Bois de Boulogne met name).

En in Entre deux feux lichtten Anna Cabana (werkzaam bij Le Point) en Anne Rosencher (werkzaam bij weekblad Marianne) dit najaar het deksel van de gecompliceerde driehoeks­relatie tussen François Hollande, zijn ex-partner Ségolène Royal en zijn huidige vriendin Valérie Trierweiler. De kwetsuur van Royal, maar ook de ziekelijke jaloezie van Trierweiler, zo toonden de auteurs aan, hadden zo nu en dan ingrijpende politieke consequenties. In 2006, toen Royal besloot haar ontrouwe partner Hollande een hak te zetten en zich op te werpen als presidentskandidaat. En dit voorjaar opnieuw, toen Trierweiler via een tweet steun betuigde aan een rivaal van Royal tijdens de parlementsverkiezingen. Het werd de eerste domper op het presidentschap van Hollande, aangezien hij juist even eerder publiekelijk had laten weten Royal te zullen steunen. Qui est le chef? (Wie is de baas?) kopten de kranten malicieus, het beeld voedend dat Hollande een zwakke president is, die geen harde keuzes durft te maken.

Zowel Les Strauss-Kahn als Entre deux feux bevat een vracht aan smeuïge details die op overcompensatie wijzen. Tegelijk is de journalistieke relevantie van beide boeken evident. Maar in het geval van de onthullingen in Le Point omtrent het liefdesleven van Rachida Dati is dat minder het geval. Idem voor de verhouding die ­Trierweiler jaren geleden met het ump-kopstuk zou hebben gehad. Het taboe is geslecht, de koers is om, maar het pad, zo blijkt, is uiterst glibberig.