Hoe Abu Muhammed een Syriëganger werd

Oh oh Aleppo

In 2005 ontmoetten Martijn de Koning en Jeroen Kostense in een Haagse moskee Abu Muhammed. Sindsdien volgen ze hem op zijn pad van de jihad dat van de Schilderswijk tot het slagveld leidt. ‘Natuurlijk ben ik blij dat het kalifaat is gesticht.’

Medium abu 1

De eerste herinnering aan martelingen is niet eens zozeer zijn eigen marteling. Het is het geluid van anderen die gemarteld worden. Het geluid van pijn en doodsangst, van sadistisch gelach. Gevangenen die zichtbaar getekend terugkeren in de cel. ‘Je hoort het als iemand echt pijn heeft. Je hoort ook anderen lachen en doorgaan’, zegt Abu Muhammed. ‘Iemand was de hele dag weg geweest. Naakt. Geslagen met een zweep, elektriciteit op zijn geslachtsdeel. Hij kwam terug, zwaar onderkoeld, onder de striemen en blauwe plekken. Pakistanen en Afghanen werden het slechtst behandeld.’ Deze beelden en geluiden van de Pakistaanse gevangenis staan in Abu Muhammeds geheugen gegrift. De ontberingen tijdens urenlange verhoren. Telkens weer de onzekerheid, en de wetenschap als volgende aan de beurt te kunnen zijn.

Dat was in 2011. Twee jaar later zit Abu Muhammed in een warm La Place-restaurant in Den Haag. Hij is voortdurend op zijn hoede, maar vertelt ook vrolijk en vol passie over zijn drijfveren. Het ene moment is hij liefdevol. Als hij praat over zijn moeder en ‘broeders’, of als hij een tas die iemand vergeten is terugbrengt naar een winkeltje. Het andere moment verklaart hij ongeloof te haten en zoekt de confrontatie met iemand die rondloopt in het winkelcentrum en in zijn ogen al te nadrukkelijk foto’s maakt. Hij wordt niet agressief, maar de man schrikt behoorlijk. ‘Ik wil gewoon zeker weten dat hij geen foto’s van me maakt.’ De verstoringspraktijken van de aivd hebben duidelijk invloed op zijn gedrag.

We ontmoeten Abu Muhammed voor het eerst in 2005 in de As Soennah-moskee in Den Haag. De dan zeventienjarige jongeman vertelt samen met zijn vriend Ramazan vol vuur en jeugdig idealisme over de islam. Hij is nieuwsgierig, wil ook helpen bij ons journalistieke en antropologische onderzoek. Als andere moskeebezoekers ons wantrouwen en problemen maken ‘moeten we maar een seintje geven’.

Ook dan al is hij uitgesproken en provocerend. Een angry young man die met interessante argumenten zijn ideologie verdedigt. Hij kent het spel tussen media en de opkomende salafisten en weet precies wat journalisten willen horen. Hij is een fascinerende en aansprekende persoonlijkheid die grenzen opzoekt en er soms overheen gaat. Geen conflictzoeker, eerder iemand die probeert de boel bij elkaar te houden. Maar hij staat voor zijn idealen en als hij het nodig vindt, gaat hij direct en hard de confrontatie aan. Abu Muhammed is geen leider, maar ook geen volger. Hij kijkt de zaken enige tijd aan en kiest vervolgens zijn pad.

Hij vindt het interessant wat we doen, journalistiek is ook wel iets voor hem. Maar hij is ook wantrouwend omdat hij vindt dat journalisten voortdurend de woorden van moslims verdraaien, iets waar hij zelf ook ervaring mee heeft. Met ons wil hij praten omdat hij ons vertrouwt, en hij weet dat het hem een podium kan opleveren.

In de negen jaar hebben we met grote tussenpozen contact. We blijven van zijn doen en laten op de hoogte via het chatprogramma PalkTalk, waar hij en veel van zijn vrienden regelmatig virtueel rondhangen, discussiëren en naar lezingen luisteren. Abu Muhammed heeft dan, zo rond 2008/2009, allerlei plannen. Hij wil een website opzetten, een reis maken, onderdrukking aan de kaak stellen door een reportage te maken voor die site. Enkele jaren later, in 2011, vertrekt hij zonder iets van zich te laten weten. In 2012 ontvangen we een privé-bericht op Facebook: ‘Hallo, ken je me nog?’ Het duurt nog tot september 2013 voordat we hem eerst bij La Place in Den Haag en vervolgens nog enkele keren bij de Megastore uitgebreid spreken. Hij is dan een vriendelijke, volwassen man. De gesprekken zijn belangrijk voor hem, want hij heeft een verhaal te vertellen en dat wil hij alleen doen aan mensen die hij vertrouwt. Enkele maanden later is hij naar Syrië vertrokken.

Abu Muhammed groeit op in het oosten van Nederland. Zijn schoolperiode in een klein stadje is zeker geen ongelukkige tijd. ‘Maar in mijn omgeving waren alleen Nederlanders, en die zeiden: Abu Muhammed is een buitenlander. Oké, dacht ik toen, het is niet “ons” maar “wij” en “zij”.’

De wereld veranderde met de aanslagen van 11 september 2001. ‘Ik begreep de link met Palestina’, zegt Abu Muhammed. ‘Moslims hebben Amerika aangevallen om wat er in Palestina gebeurt. Maar verder snapte ik het niet.’ Hij merkte dat leraren zich negatief over de islam begonnen te uiten en dat de samenleving veranderde. ‘Ik moest mezelf telkens verdedigen. Er werd van alles over de islam gezegd, bijvoorbeeld dat vrouwen worden onderdrukt. Ik ging graag de discussie aan, want ik voelde het als een persoonlijke aanval.’

Dat gevoel is niet uniek. Veel moslimjongeren vinden dat ze na 9/11 voortdurend ter verantwoording worden geroepen, blijkt uit onderzoeken. Sommigen keren zich daardoor van de islam af, anderen gaan zich juist in het geloof verdiepen, zodat ze weerwoord hebben op kritiek. Ze gaan de spirituele kant op, los van enige sociale verbanden, of komen terecht in salafistische netwerken.

‘Ik wist al wel dat als ik op mijn vijftiende een baard zou kunnen laten groeien, ik die zou laten staan’

Tot die laatste groep behoort Abu Muhammed, die dan inmiddels met het gezin is verhuisd naar de Haagse regio. Hij trekt veel op met Saddik Sbaa, waarmee hij ook op muay thai-boksen zit. Deze Saddik wordt later met drie anderen in Kenia gearresteerd op verdenking van deelname aan de gewapende strijd in Somalië. Hij sneuvelt in 2013 in Syrië.

Abu Muhammed verdiept zich in het geloof en gaat samen met Saddik naar de As Soennah-moskee, die zich in die tijd toelegt op Nederlandse moslimjongeren en ook scholingsprogramma’s aanbiedt. ‘Ik was meer bezig met mijn geloof dan anderen. In die zin was ik een einzelgänger. Maar ik ging met iedereen om. Ik kwam bij Nederlandse vrienden thuis, zij bij mij. Ik ging ook om met Marokkanen en Turken. Als zij iets slechts wilden doen, ging ik niet mee. Allah heeft dat immers verboden. Ik denk dat ik als kind al een godsbesef had en dat ik het belangrijk vond om standvastig te zijn.’

Van huis uit kreeg Abu Muhammed wat hij noemt een ‘standaard islam’ mee die zich vooral richt op het correct uitvoeren van rituelen en die vooral niet politiek is. Hij kan niet echt een moment aanwijzen waarop hij zich definitief ging toeleggen op ‘een goede moslim’ worden. Er is wel één verhaal dat hem in die tijd aan het denken zet: ‘Mijn moeder had een goede vriendin en haar kinderen waren vrienden van ons. Haar ex had haar anderhalf jaar lang gegijzeld. Ze waren gescheiden, maar hij kwam bij hen en ging niet weg en liet hen ook niet gaan. Op een nacht, ik was zeven of acht jaar, hief ik mijn smeekbeden tot God en ik vroeg aan God of mijn vriend die nacht zou komen. En direct daarna ging de deur open, en moeder vertelde dat ze er waren, dat ze gevlucht waren. Ik had een smeekbede verricht en hij was er. Toen realiseerde ik me: God verhoort mijn smeekbedes. Dat geloof in God heb ik meegenomen in mijn puberteit. Ik beging geen grote zondes. Wel kleine natuurlijk.’

Hij praat gewoon met meisjes en doet dingen die eigenlijk niet bij de islam horen. ‘Ik had veel Nederlandse vrienden. We gingen naar het zwembad, ik luisterde naar rap en deed graag aan sinterklaas. Een buitenstaander zou me zien als een standaard Marokkaan die niet veel met het geloof bezig was. Maar ik wist al wel dat als ik op mijn vijftiende een baard zou kunnen laten groeien, ik die zou laten staan. De basis die ik heb meegekregen van mijn moeder heeft ervoor gezorgd dat ik altijd een sterke interesse had in het geloof.’

De As Soennah-moskee met imam Fawaz Jneid heeft in 2005 de reputatie standvastig te zijn in de islamitische boodschap en niet bang te zijn voor wat de ‘ongelovige’ buitenwereld denkt. Daarnaast wordt de ‘warme en gemoedelijke’ sfeer geroemd, evenals de mogelijkheid om er Nederlandstalige lessen te volgen.

De moskee ligt echter ook onder vuur. Mohammed Bouyeri, de moordenaar van Theo van Gogh, bezocht de moskee. En er lekken preken uit van imam Fawaz Jneid waarin hij verwensingen uit aan het adres van Theo van Gogh, Ayaan Hirsi Ali en Ahmed Aboutaleb. De Nederlandse overheid wil de radicalisering onder moslims bestrijden en richt zich vooral op salafistische netwerken, zoals As Soennah. Die zouden niet alleen dreigen met geweld, maar ook hun anti-integratie-missie verhullen achter de ‘façade’ van een gematigde boodschap. Er is de moskee veel aan gelegen om de reputatie op te vijzelen.

Eigenlijk sluimert er al vanaf 2001/2002 een conflict onder de bezoekers. Aanhangers van de militaire jihad botsen met mensen die de militaire jihad weliswaar niet verwerpen, maar een pragmatische lijn voorstaan die de moslimgemeenschap niet in diskrediet brengt en geen onderlinge strijd veroorzaakt.

Abu Muhammed, inmiddels een lange jongen met lang haar, is bevriend geraakt met Ramazan. Die verdwijnt in 2005 met twee andere jongens naar Azerbeidzjan. Ze worden gezocht en het verhaal is groot nieuws. Als Ramazan terug is in Nederland krijgt Abu Muhammed van het moskeebestuur te horen dat hij niet meer met hem moet omgaan. Dat wil hij toch. ‘Hij is mijn vriend’, zegt hij.

‘Ze zeiden: “Als jij ook zoiets gaat doen, krijg je problemen”’, herinnert Abu Muhammed zich tijdens ons gesprek in 2013. ‘Daarmee gaven ze me hetzelfde stempel als Ramazan. Ze wilden ook dat ik mijn haar afknipte. Want je haar laten groeien is iets wat Tsjetsjeense strijders ook doen. Dat had met jihad te maken. We lagen echt onder een vergrootglas. Ik moest mezelf telkens verantwoorden.’

‘We moesten een contract tekenen waarin stond dat wij nooit een aanslag zouden plegen in Nederland’

Abu Muhammed is een van de populairdere jongens in de moskee. In 2008 krijgen enkele mensen, onder wie Ramazan, een moskeeverbod. ‘Ik hoorde dat ze mij ook zochten en mensen zeiden tegen mij dat ik rekruteerde, leiders ongelovig verklaarde en dat ik de leider van al-Qaeda in de Maghreb wilde worden. Ik zei dat ze met bewijzen moesten komen. Dat konden ze niet. Ik kreeg niet de kans om mezelf te verdedigen. Sorry, zeiden ze, we moeten dit doen. We kunnen niet anders.’

De affaire komt in de publiciteit. In het Algemeen Dagblad verschijnt een artikel over een groep jongeren die de toegang is geweigerd tot de As Soennah-moskee vanwege extremistische ideeën. Abu Muhammed is nog steeds verbolgen over de affaire. ‘In het begin wilden ze ons in de moskee houden om ons onder controle te kunnen houden. We waren niet echt luidruchtig aanwezig of zo, maar bepaalde onderwerpen wilden we niet aannemen. Ramazan en ik moesten naar het bestuur om een contract te tekenen waarin stond dat wij nooit een aanslag zouden plegen in Nederland. Wat is dat voor een moskee? Moet ik me daar welkom voelen? Ik weigerde om te tekenen. Ik heb ook nooit gesproken over een aanslag. Als ik zoiets wil, ga ik dat toch niet in het openbaar bespreken? Deze beschuldigingen waren verzonnen, misschien door de aivd om onrust te zaaien onder moslims.’

Na verloop van tijd mogen de jongens weer in de moskee komen, maar daar bedanken ze voor. Niet hij en zijn vrienden hebben zich afgekeerd, benadrukt Abu Muhammed nog eens. Juist de As Soennah-moskee heeft zich afgesplitst. ‘Die is een andere koers gaan varen dan in 2002. Wij zijn blijven vasthouden aan die koers. Toen ik naar Den Haag kwam, wist ik al dat democratie niet bij islam hoorde. Wij accepteerden niet dat ze moedjahedien terroristen noemden.’

Abu Muhammed en zijn vrienden komen bij elkaar over de vloer, praten over het geloof, de politiek en voetbal, en spelen videospelletjes. Samen met een vriend zet hij een website op die ‘de ware islam’ moet verspreiden. Voor die site willen ze een documentaire maken in Iran. ‘Hierdoor kwam ik in aanraking met de aivd’, zegt Abu Muhammed. ‘Toen ik naar Marokko ben gegaan, nog voor Iran, bood de inlichtingendienst mij aan om voor hen te werken. Later zocht de Marokkaanse veiligheidsdienst mij in Nederland op samen met de aivd. Ik zou een grote taak krijgen als informant. Dat wilde ik niet. Ze probeerden mij te chanteren en zeiden dat als ik niet meewerkte ik voortaan niet meer naar Marokko zou kunnen gaan om mijn moeder op te zoeken. Als ik wel zou meewerken, dan zou ik het zoontje van de koning worden, ik zou een pasje krijgen waardoor ik onschendbaar zou worden en financieel onafhankelijk. Volgens de aivd zou ik niet in dienst bij hen zijn, maar ging het slechts om een samenwerking. Ik zou dus geen acht procent vakantietoeslag krijgen en meer van dat soort zaken.’

In maart 2011 boekt Abu Muhammed een reis naar Turkije. Een paar dagen voor vertrek benadert de aivd hem nogmaals. Hij moet er nog maar eens goed over nadenken. In Turkije wil hij volgens eigen zeggen zelf ontworpen kleding laten maken. Vanuit Turkije gaat hij een maand later naar Iran om een documentaire te maken over het verschil tussen sjiieten en soennieten. Als hij in Iran aankomt, samen met zijn aangetrouwde neef Abu Faaris, gaan er dingen mis. Meer wil hij er niet over kwijt. Ze komen in Pakistan terecht en daar worden ze opgepakt omdat ze geen geldig visum hebben. Acht maanden lang worden ze gemarteld en ondervraagd, eerst op de legerbasis Quetta, daarna in een ‘geheime gevangenis’ in Islamabad.

De ondergrondse gevangenis in Islamabad wordt door de Pakistaanse inlichtingendienst omschreven als een ware hel op aarde. Hij slaapt op een betonnen vloer, zonder deken en kussen. En zonder daglicht. Elke dag wordt hij ondervraagd. Hij krijgt zweepslagen op zijn naakte lijf, wordt soms een hele dag in een vrieskist gezet en hij wordt mentaal geterroriseerd met de dreiging van executie.

Terugkijkend vertelt hij ook met enige voldoening over de zware martelingen. ‘Als de bewakers weg waren, gingen mensen stiekem met elkaar praten. Ook tijdens ondervragingen was er gelegenheid om te praten, als je voor of na het martelen moest wachten. Ik ben best trots op hoe ik heb gereageerd. Ik heb de eerste keer zes uur lang mijn verhaal verteld. Toen ik klaar was met praten, stond de ondervrager op. Hij vroeg: “Weet je zeker dat dit je verhaal is?” Toen begon hij mij te intimideren. Ik kreeg een woedeaanval.’ De ondervrager begint te slaan. Abu Muhammed krijgt een adrenalinekick en begint hem uit te dagen. ‘Dat heb ik één minuut volgehouden, haha. Het gaf me voldoening tegen een onrechtvaardig persoon de waarheid te zeggen. Daarna werd de pijn te erg en zei ik niks meer. Hij stopte na anderhalve minuut. Ik was trots op mezelf. Mijn lichaam was pijnlijk en shakete. Maar ik had de overhand, ook al sloeg hij me. Ik heb niet gesmeekt, maar ik heb gezegd: sla me maar, ik ben niet bang voor jou.’

Abu Muhammed noemt grote namen met wie hij vastgezeten heeft. Omar Pattak (verantwoordelijk voor de bomaanslagen in Bali), Younes/Abdelrahmane el Mauretani (USS Cole), Abu Suhaib el Mekki (al-Qaeda), Mansoor Badullah, Kerim Agha. Hij had niet met iedereen contact. Pattak zat een rij achter hem en Mauretani was een dag zijn buurman, hoort hij later.

Het is voor Abu Muhammed essentieel om standvastig te zijn; het is een thema dat steeds in onze gesprekken terugkeert. Ondanks alle problemen blijft hij op wat hij ziet als het pad van God. Martelingen zijn zo niet alleen pijnlijk en zwaar, maar ook een leerproces op dat pad.

‘Ik kan op de dag des oordeels in de rijen van de moslims staan die om wille van hun geloof geslagen zijn’

‘Ik heb samen vastgezeten met mijn aangetrouwde neef Abu Faaris (in 2014 omgekomen in Irak – red.), moge Allah zijn martelaarschap accepteren. We zijn lachend de gevangenis binnengegaan en er lachend uit gekomen. Die periode was een goed leerproces. De gevangenschap heeft ons harder gemaakt totdat we zelfs begonnen te fantaseren hoe mooi Vught wel niet is. Door deze gevangenschap zijn wij tot een hoger niveau gekomen en zijn zaken die voorheen heel zwaar leken heel simpel geworden.’

De martelingen ervoer hij als een soort gift. ‘Want nu kan ik op de dag des oordeels in de rijen van de moslims staan die om wille van hun geloof geslagen zijn en dat is een grote eer, insh’allaah, indien Allah dit van mij accepteert. Ik kwam van de martelingen terug naar mijn cel en Abu Faaris vroeg aan mij: “Wat hebben ze met je gedaan?” Ik antwoordde hem: “Bouchra (blijde tijding – red.), ze hebben mij geslagen.” Ik kon de jaloezie in zijn ogen zien. Abu Faaris en ik wedijverden met elkaar wie meer opofferingen heeft meegemaakt en hij heeft mij met zijn martelaarschap overtroffen. Moge Allah mijn geliefde broeder begenadigen en accepteren.’

Na maanden gevangenis komen beide jongens op verschillende momenten in contact met de Nederlandse consul. Ze kunnen terug naar Nederland. Na intensief diplomatiek overleg tussen Nederland en Pakistan worden Abu Muhammed en zijn neef na acht maanden vrijgelaten. Met een zak over zijn hoofd wordt hij naar het vliegveld gebracht.

In Nederland wordt hij ondervraagd en kort daarop vrijgelaten. Zijn leven zal snel veranderen. Vrienden hebben contact met militante clubs als Sharia4Belgium en Sharia4Holland. Ze vormen BehindBars, dat opkomt voor moslimgevangenen, en StraatDawa, dat missie-activiteiten op straat verzorgt. Het zijn jihadisten die niet direct met geweld te maken hebben, hoewel de Sharia4-clubs wel agressief te werk gaan door bijvoorbeeld debatten te verstoren.

In 2012 verandert de situatie door de oorlog in Syrië. Diverse jongens uit het vriendennetwerk van Abu Muhammed gaan erheen om te vechten met Jabhat al-Nusra, Isis of andere groepen tegen het regime van Assad. Door de massa-executies van sjiieten en andersdenkenden en de wrede onthoofdingen is er veel kritiek op de Nederlandse moslims die Isis steunen. Voor Abu Muhammed is dit onbegrijpelijk. ‘Deze samenleving is gebaseerd op hypocrisie’, zegt hij diverse keren tegen ons.

Zijn haat en afkeer van de Nederlandse staat, politie, opsporingsdiensten en media is de afgelopen jaren gegroeid. De Nederlandse overheid is tegen moslims die op het ‘ware’ pad zitten. En een moslim die op het ‘ware’ pad zit, wordt vervolgd, vindt Abu Muhammed. ‘Deze jongeren kennen de Nederlandse samenleving van binnen en buiten. Ze kennen vriendinnetjes, drugsdealers, pooiers. God heeft hen geleid, en hen gezuiverd. Ze zijn hem puur gaan aanbidden, maar dat kan niet in deze corrupte samenleving. Nederland is het epicentrum van ongeloof en ongehoorzaamheid aan God, met drugs, homohuwelijk, red light district. Ze zijn uit deze samenleving gegaan en hebben hun familie huilend achtergelaten.’

Abu Muhammed is er niet rouwig om dat politici als Geert Wilders de vermeende tegenstelling tussen islam en het Westen tot kernpunt van hun politieke boodschap hebben gemaakt. ‘Achteraf ben ik daar wel blij om. Zo ben ik al vanaf mijn jeugd met de neus op de feiten gedrukt. Wij moslims hebben iemand als Wilders nodig, en de onrust die hij schept in de samenleving. Moslims moeten beseffen dat zij ons niet willen. Zij maken ons wakker uit onze slaap met een goede, flinke klap.’

Palestina is een belangrijke kwestie voor hem. Hij ziet de ‘zionisten’ van Israël als agressors. ‘Zij hebben met geweld grondgebied ingenomen en dat wordt steeds groter. De Palestijnen waren zwak en de joden hebben de zwakheid van de Palestijnen gezien als vrijbrief om een samenleving op te bouwen.’ Waarom identificeert een jongen uit Den Haag zich met Palestina? ‘Veel Palestijnen zelf begrijpen dat ook niet’, zegt hij. ‘De moslimgemeenschap is als één lichaam. Dus als een deel pijn heeft, hebben wij ook pijn.’

De geschiedenis herhaalt zich volgens hem in Syrië. Liever daar arm dan hier rijk met ongelovigen, is de opvatting van de Nederlandse jihadisten. Want eigenlijk voelt Abu Muhammed zich niet thuis in Nederland. ‘Wij uiten kritiek en mogen hier eigenlijk niet zijn. Maar nu we hier toch zijn, moet je wel functioneren in de samenleving.’ Rechtvaardigheid is voor hem een belangrijk thema. Enerzijds uit hij kritiek op het Westen dat zijn belofte van vrijheid en democratie zou verraden als het om moslims gaat, en anderzijds ziet hij de onderdrukking van moslims door regimes in het Midden-Oosten: ‘Ik heb me altijd al willen inzetten voor de zwakkeren in de samenleving en we zijn dus allemaal getuige van wat er gebeurt in Syrië. Assad is bezig met het afslachten van zijn eigen volk, en het democratische Westen, de zogenaamde vaandeldragers van rechtvaardigheid, grijpt niet in. Wij zijn dus gegaan om onze moslimbroeders en -zusters bij te staan en om een duidelijk signaal te geven dat wij hen niet vergeten zijn en dat we bereid zijn om onze eigen huizen en familieleden op te offeren om hen te helpen en bij te staan.’

‘Wij moslims hebben iemand als Wilders nodig, en de onrust die hij schept in de samenleving’

Eind december 2013 vertrekt Abu Muhammed naar Syrië. In onze gesprekken kort daarvoor heeft hij met geen woord gerept over zijn plannen. Hij ontpopt zich in Syrië tot de ‘getuigenis-journalist’ die hij ook wilde zijn met een website over islam en de documentaire die hij in Iran wilde maken. In Syrië komt zijn droom uit. ‘Op school las ik het boek Een doel voor ogen van Zohra Zarouali. 11 september was net geweest en er waren twee Eindhovense martelaren omgekomen in Kashmir. Ik zwoer voor mezelf datzelfde doel in mijn leven te hebben. Het land van Jihad bereiken, vervolgens het woord van Allah vestigen op aarde en mijn leven met het martelaarschap afsluiten.’

Hij is nu actief in het collectief Fighting Journalists dat probeert ‘eerlijke’ verslaggeving te doen vanuit Syrië. Hij heeft de YouTube-reportage Oh oh Aleppo in deze Syrische stad opgenomen uit protest tegen de berichtgeving over de gewapende strijd in Syrië. Het is voor het eerst dat Nederlandse strijders zelf op deze manier laten zien wat hen beweegt om in Syrië te gaan vechten. In het filmpje is te zien dat ze schieten en worden beschoten. Ze lopen huizen binnen waaruit de bewoners op stel en sprong zijn vertrokken, met het speelgoed van de kinderen nog rondslingerend in de kamer. ‘Net zoals jullie je kinderen willen beschermen, willen wij onze eigen islamitische kinderen veilig kunnen laten leven’, zegt Abu Muhammed in de documentaire. Over het doden van mensen zegt hij: ‘Het zijn geen mensen, het zijn monsters.’

Zijn jongensdroom is uitgekomen. In een mail schrijft hij: ‘Het grappige van alles is dat ik nu een militair T-shirt maat M bij me heb dat ik als tienjarig jongetje had gekocht om het ooit te dragen in Palestina. En nu bevind ik me in die regio, terwijl mijn ogen gericht zijn op Palestina. Dat is waarom wij Syrië-gangers gevreesd worden, omdat wij aan de deuren van Palestina staan en bij Allah de deuren worden opengebroken. En wij zullen onze doelen behalen.’

Hij is onderdeel van een kleinere groepering. ‘Ik ben niet van Isis, ik ben niet van Jabhat al-Nusra. Ik ben hier samen met nog wat Nederlanders en Engelsen als freelancer. Dat houdt in dat je geen leider hebt, maar je doet dus wel gewoon met allerlei groepen mee. Als ze mensen nodig hebben voor een aanval of bewaking, dan melden we ons aan. Dus momenteel zijn we nog onafhankelijk. Maar als het gaat om Isis of iedere andere moedjahedien steunen we die door dik en dun. Ze zijn onze broeders en wij geven onze levens daarvoor.’

Hij ging niet meteen naar een van de slagvelden. ‘Soms gaan we op ribaat, dan bewaak je de grens van de gebieden die wij veroverd hebben en dan zit je dus heel dicht op de vijand. Ik heb nog niet aan de strijd meegedaan, maar dat hoop ik binnenkort wel te gaan doen. En als er geen ribaat of strijd is, dus dat we dan pauze hebben, dan zijn we aan het sporten, de koran aan het lezen, socializen met de bevolking.’

Wachten is een wezenlijk onderdeel van de strijd, zo blijkt. ‘Het duurde vijf weken wachten voordat we het trainingskamp binnen konden. Daar heb ik drie maanden lang een intensief trainingskamp gevolgd. Dan leer je alle basiselementen die een soldaat moet leren.’

Inmiddels wordt het nieuws gedomineerd door Isis en het genadeloze optreden dat breed wordt uitgemeten in de eigen propaganda. We spreken Abu Muhammed in Aleppo voor het laatst op 2 juli via Skype, vlak na het uitroepen van het kalifaat door Isis. De onthoofding van James Foley heeft dan nog niet plaatsgevonden. ‘Natuurlijk ben ik blij met het nieuws dat het kalifaat is gesticht’, reageert hij. ‘Maar het is nog vers en iedereen is enorm verbaasd dat het zo heeft kunnen gebeuren. En we wachten nu af wat de ontwikkelingen zijn en hoe alle groeperingen en de islamitische gemeenschap hierop gaan reageren.’ Het Westen meet met twee maten als het om mensenrechten gaat, vindt hij. ‘Isis wordt altijd in één adem genoemd met massa-executies. Maar als je kijkt naar een raket die uit een F16 wordt afgevuurd of een drone-aanval, is dat geen massa-executie? Maar omdat dit een democratische raket is praat niemand erover.’ Op de vraag of hij de strijd van Isis steunt zegt hij het volgende: ‘Wij steunen elke moslim die strijdt omdat het woord van Allah het hoogst is. Noem het Isis, noem het De Drie Musketiers.’

Medium abu 3
‘Nederland is het land dat ons dagelijks bespot. Nederland is het land dat onze profeet bespot’

Wat opvalt in de levensloop van Abu Muhammed is dat hij weliswaar veel kritiek heeft op Nederland, de Nederlandse staat en de wijze waarop de samenleving en in het bijzonder media en politici tegen de islam zijn, maar dat hij altijd gericht is geweest op het buitenland om in actie te komen. Dit geldt ook voor zijn vrienden die zijn vertrokken. Daartegenover staat de angst van politici en opiniemakers dat teruggekeerde mannen in Nederland hun strijd zullen voortzetten. Is die vrees reëel?

Abu Muhammed is daar voor wat hem betreft duidelijk in: ‘Het antwoord is nee. Ik heb ook nooit jongeren horen zeggen dat ze in Nederland iets willen gaan doen. Als ik of andere jongens die naar Syrië zijn getrokken iets in Nederland zouden willen doen, dan waren we niet naar Syrië gegaan. Het is heel simpel om in Nederland aan wapens te komen, dus als dit ons doel was en als wij zo graag een aanslag wilden plegen in Nederland, dan hadden we dat al eerder gedaan. Maar onze doelen liggen daar niet. We zijn in alle vrede naar Syrië uitgeweken om hier de moslims te helpen en een islamitische staat te verwezenlijken. Als de aivd zich zorgen maakt over deze jongeren, praat dan met ze en kijk wat er in hun hoofd omgaat en neem je maatregelen. Dat is het enige wat ik daarop kan zeggen.’

Stapt hij dan niet heel gemakkelijk over het feit dat er recent doden zijn gevallen bij een aanval op het Joods Museum in Brussel? Voor Abu Muhammed is de ophef daarover vooral een voorbeeld van hoe de overheid mensen bang maakt. ‘Het was maar één persoon die in België een aanslag pleegde. En dit is natuurlijk ideaal in de ogen van de aivd, want ze kunnen dit gebruiken om hun 25 miljoen euro binnen te halen. Ik zie dat er angstpolitiek wordt bedreven. De bevolking wordt bewust bang gemaakt en ja, dit hebben we dus ook in de geschiedenis gezien toen Hitler campagnes begon tegen de joden. De Nederlandse overheid heeft nooit de moeite genomen om met deze jihadisten of zogenaamde radicale jongeren om de tafel te gaan zitten. Het enige wat ze doen is speculeren in de media en zo ga je een bepaald beeld creëren over deze jongeren. Ze maken zich druk om een spook dat niet bestaat.’

De overheid maakt zelf een probleem door jongeren niet te laten gaan terwijl ze dat wel willen, meent hij. ‘Ik ken er velen. Zij smeken, sméken de Nederlandse regering: laat ons gaan! Ze hebben zoveel pogingen gedaan om Nederland te verlaten en elke keer worden ze door Turkije of een ander land teruggestuurd met de mededeling: we hebben een afspraak met de Nederlandse overheid om jullie terug te sturen. Dus wat moet zo’n jongen? Hij verwerpt de democratie. Hij heeft altijd de dialoog gevoerd en is in alle vrede naar Syrië vertrokken. En wat doet de Nederlandse regering? Die haalt zo’n jongen terug om vervolgens te gaan klagen dat er zoveel jihadisten in Nederland rondlopen. Als ze nou even met die jongeren zouden spreken, zouden die zeggen: neem me mijn paspoort en mijn Nederlandse nationaliteit af, wij willen niks meer te maken hebben met Nederland. En dan maken wij met jullie de afspraak: wij komen nooit meer terug. Maar de Nederlandse regering luistert hier niet naar, die belemmert de jongeren om naar Syrië te gaan. En ja, achteraf gaan ze klagen over jihadisten. Laat ons gaan en ik weet zeker dat het probleem binnen één dag is opgelost. Maar ja, kennelijk heeft de aivd daar geen baat bij, want zolang deze jongeren in Nederland zijn staat de geldkraan voor de aivd ook open.’

Voor Abu Muhammed is het duidelijk. Hij wil nooit meer terugkomen. Net als voor vele anderen is zijn verblijf in Syrië niet alleen een jihad, maar ook een hijra, migratie naar een islamitisch gebied om daar ongestoord te kunnen leven als moslim. ‘Nooit meer! Ik wil echt nooit meer terug. Ik ben geboren en getogen in Nederland. Ik ken het land van A tot Z. Ik ken de democratie van A tot Z. Ik heb de democratie geproefd en het smaakte vies. Ik ben echt voorgoed vertrokken en dit is het geluid van iedereen die hier in Syrië is. Nederland is het land dat ons dagelijks bespot. Nederland is het land dat onze profeet bespot.’

Hij begrijpt dat anderen vreemd naar hem kijken. Wat bezielt hem? ‘Voor de een ben ik een terrorist. Voor de ander een vrijheidsstrijder. Als je de vraag wie ik ben stelt aan een Amerikaan of een doorsnee Nederlander of een pvv’er, dan zeggen ze: hij draagt een baard, draagt zijn broekspijpen boven zijn enkel, schreeuwt “Allah akbar!” als hij vuurt, dus is hij een terrorist. Ik hoop dat ik een lang leven tegemoet ga, vruchtbaar en gehoorzaam aan mijn schepper en dat ik van veel nut kan zijn voor de islamitische gemeenschap. En natuurlijk dat ik met het martelaarschap mijn leven afsluit. Een kogel in mijn hoofd, ideaal einde voor mij.’

Abu Muhammed heeft Aleppo intussen verlaten. Een tijdlang was onduidelijk waar hij zich bevond, maar op 11 september jongstleden twitterde hij dat hij in Irak was aangekomen.


Anti-radicaliseringsbeleid

De afgelopen jaren zijn moskeeën (ook door moslims zelf) opgeroepen om een rol te spelen in het anti-radicaliseringsbeleid. Recent hebben moskeeorganisaties ook aangegeven dat zij dat willen. De salafistische moskeeën claimen dat zij een buffer zijn tégen radicalisering en dit blijkt ook uit recent onderzoek van antropologe Ineke Roex. De vraag is echter wel hoe sterk deze rol kan zijn. Diverse moskeeën in Nederland hebben te maken gehad met groepjes militante jongemannen. Hun aanwezigheid en optreden in moskeeën zorgt soms voor spanningen en onrust, maar veel besturen willen ze niet weigeren. Dit is ook lastig; het is voor moskeeën moeilijk om moslims het recht te ontzeggen om te komen bidden. Aan de andere kant hebben de besturen te maken met de onrust onder de achterban die vreest dat hun kinderen beïnvloed worden door deze jongeren. Tegelijkertijd is de vrees zeer groot dat zij bekend komen te staan als radicale moskee op het moment dat uitlekt dat zij dergelijke groepen binnen hebben. Veel moskeeën zijn daardoor toch geneigd om dergelijke groepen buiten te sluiten waardoor ze radicalisering misschien weren uit de moskee, maar in sommige gevallen radicalisering juist aanjagen door het isolement waar deze jongeren dan in de terechtkomen.

Daarbij komt nog, en dat wordt vaak vergeten in discussies over radicalisering, dat de radicalisering van jongeren vaak niet alleen is gericht tegen de Nederlandse overheid, haar beleid en tegen bepaalde opinieleiders, maar ook tegen bestaande moskeeorganisaties die zij vaak zien als beroepsmoslims die de islam verkopen voor subsidie. Dat doet weliswaar geen recht aan de complexe situatie van moskeeorganisaties die (zoals dit verhaal ook laat zien) moeten laveren tussen diverse belangen en loyaliteiten, maar is wel een belangrijk sentiment onder radicale moslims.


Den Haag

Abu Muhammed is bevriend met een groepje militante activisten uit Den Haag en omgeving. Ze ontmoetten elkaar in een moskee in Zoetermeer. Het gaat hier om een nogal losse groep van mensen die elkaar vinden in een jihadistische ideologie, die soms vrienden zijn maar soms niet meer dan vage bekenden. Er is geen duidelijke structuur of leiderschap; wel zijn er mannen zoals Abou Moussa en Abu Suhayb die voortdurend het initiatief nemen, bijvoorbeeld als het gaat om demonstraties. In dit losse verband werden tussen 2009 en 2011 enkele initiatieven ontwikkeld, zoals BehindBars dat opkomt voor vrienden en andere moslims die gevangen zijn genomen in het kader van de war on terror, en StraatDawah dat zich toelegt op zending. Deze netwerken worden vaak in één adem genoemd met Sharia4Belgium en Sharia4Holland die vooral bekend zijn geworden door het verstoren van debatten over de islam. De werkwijze van BehindBars en StraatDawah was echter veel minder gericht op confrontatie. Sinds de zomer van 2012 is een relatief groot aantal moslims uit deze kringen vertrokken naar Syrië om daar te vechten tegen het regime. De achterblijvers ontpoppen zich dan langzaam maar zeker als supporters van de twee belangrijke facties Jabhat al-Nusra (gelieerd aan al-Qaeda) en Isis. Recent werden diverse personen gearresteerd, onder wie Abou Moussa en zijn vrouw en Abu Suhayb.


Jeroen Kostense is journalist. Martijn de Koning is antropoloog en werkt op de afdeling islamstudies van de Radboud Universiteit Nijmegen en de afdeling sociologie en antropologie van de Universiteit van Amsterdam. Hij beheert een blog.