Oidipaal geleuter

Martin Hartkamp, Iris. Uitgeverij Bert Bakker, 330 blz., f39,90
‘IN DEN BEGINNE was het woord. Toen kwam de herhaling.’ Die openingszinnen van Paul Claes’ boek Echo’s, echo’s, geven meteen een samenvatting van diens literaire evangelie. Kinderen kraaien hun ouders na, vertellers halen de verhalen van vroeger op, schrijvers herhalen hun voorgangers. De oerverhalen waar de schrijvers op terugvallen zijn de mythen; de mythe die aan de literatuur, en eigenlijk aan al het spreken, ten grondslag ligt is die van de nimf Echo.

Het verhaal over Echo gaat zo: toen Zeus met de nimfen flirtte, leidde een van hen met haar praatjes zijn ega Hera af. De jaloerse godin brak vertoornd de stem van de nimf, waardoor ze de woorden die tot haar waren gericht alleen nog kon weergalmen. Zij werd verliefd op de mooie Narcissus, maar omdat die alleen oog voor zichzelf had, kon ze slechts zijn woorden van afwijzing nazeggen. Zij vormde ze om tot liefdesverklaringen. Toen Narcissus op zijn eigen spiegelbeeld verliefd werd en verdronk, kwijnde de nimf weg en veranderde in een rots. Alleen haar stem bleef over.
De tragiek van de nimf Echo, dat is volgens Paul Claes de tragiek van de literatuur. Altijd en overal hebben schrijvers andere dichters en schrijvers herhaald, want als ze werkelijk origineel waren geweest, had niemand hun verhalen kunnen begrijpen. De geschiedenis van de literatuur bestaat uit het ophalen van het oude en dat omvormen tot iets nieuws. Schrijvers halen het oude op door te citeren, door te alluderen, door op het bekende te zinspelen, door hele verhaallijnen over te nemen en naar eigen believen om te buigen. Travestie, zo noemt Claes de bewerking van een oud gegeven waarin antieke personages in een nieuw, hedendaags jasje worden gestoken.
Voorbeelden in de Nederlandse literatuur: W. F. Hermans gebruikte in Nooit meer slapen het Aeneasverhaal; Harry Mulisch schreef met Twee vrouwen een nieuwe versie van de Orpheusmythe; Jan Wolkers geeft in Horrible Tango een variatie op het verhaal van Osiris.
DE MYTHE VAN Echo is Martin Hartkamp op het lijf geschreven. Zijn zojuist verschenen roman Iris is een echoput waarin alle mogelijke verhalen weerklinken, van Shakespeares Othello tot de autobiografische geschriften van Casanova, van de relatiekomedies van Fred Astaire en Ginger Rogers tot het libretto van Die Zauberflote. Iris is ook nog een travestie. Aan het boek ligt de bekendste en sinds Freud meest geinterpreteerde mythe van deze eeuw ten grondslag: die van Oidipous.
Zoals bekend werd Oidipous door zijn vader in de bergen achtergelaten omdat een orakel had voorspeld dat zijn zoon hem zou vermoorden. Oidipous werd door een herder gered en geadopteerd door de kinderloze koning van Korinthe en diens vrouw. Ook Oidipous kreeg van het orakel een somber toekomstbeeld voor geschoteld: hij zou zijn vader doden en zijn moeder huwen. Hij onvluchtte Korinthe, maar dat veranderde niets aan zijn tragische lot. Op een kruispunt kreeg hij ruzie met een onbekende reiziger, die hij om het leven bracht. Het was zijn echte vader. Bij Thebe loste hij het raadsel van de sfinx op en mocht hij als beloning met de weduwe van zijn vader trouwen. Toen na allerlei rampspoed de waarheid aan het licht kwam, pleegde zijn moeder zelfmoord en stak Oidipous zichzelf de ogen uit. Hij was ziende blind geweest.
Ik weet dat je de clou van een verhaal nooit mag verklappen, maar in het geval van Iris doe ik het toch. Dat de ontknoping de ontknoping is, dat van de Oidipousmythe gewoon een spannend verhaaltje is gemaakt, niet meer en niet minder, laat namelijk direct zien dat de tragiek van Iris de diepgang van een pierenbadje heeft.
Martin Hartkamp heeft in Iris de Oidipousmythe omgekeerd: een meisje wordt ongeweten en ongewild verliefd op haar vader en hij op haar. De geschiedenis komt hierop neer: Iris is een briljante gymnasiaste, die zojuist haar eindexamen met allemaal negens en tienen heeft afgerond, een soort Meike Vernooy kortom. Ze is van haar vermeende vader, de schrijver Castor, weggelopen omdat hij een wig heeft gedreven tussen haar en haar grote liefde, de fotograaf Pelle. De veel oudere Pelle is de jeugdvriend van haar vader die ze vanaf haar geboorte kent. Iris woont nu bij haar beste vriendin Marij, met wie ze na haar examen een week naar Venetie gaat. Daar koopt ze een ansichtkaart van het Venetiaanse carnaval. In haar verbeelding zijn de gemaskerde man en vrouw op de gondel Pelle en zij. Iris heeft ook nog een moeder, Vera, die ze al dertien jaar niet meer heeft gezien, maar die ze opzoekt nu ze bij haar vader weg is. Vera heeft ook heel veel met Venetie, ze schrijft haar scriptie over de beroemde Venetiaan Casanova. Ze waarschuwt Iris: Pelle is een Casanova.
Als het misverstand tussen Iris en Pelle uit de weg is geruimd, nodigt hij haar uit de vakantie bij hem in New York door te brengen. Zij wil hem, hij wil haar nog niet, omdat hij dan zou willen dat ze altijd bij hem blijft. Ondertussen praten ze veel. Over het krijgen van kinderen bijvoorbeeld. Hij heeft nooit kinderen gewild, want als hij een dochter had ge kregen was hij ongetwijfeld verliefd op haar geworden. Als dat geen subtiele vooruitwijzing is… Pelle heeft zijn noodlot voorvoeld. Ze praten ook over beroemde kunstenaars, zoals de schilderis Georgia O'Keeffe, die een relatie had met de meer dan twintig jaar oudere fotograaf Stieglitz. Toen ze jong was, was O'Keeffe ooit blind geweest. Ook Pelle is vroeger ooit blind geweest. Wederom een vooruitwijzing: werd Oidipous niet blind?
Om een lang verhaal kort te maken: hij wil haar ook. Ze krijgen een verzengende relatie en ze besluiten dat zij in New York komt wonen. Ze moet alleen nog even naar huis om het een en ander te regelen. Thuis zoekt Iris haar moeder op en ontdekt ze dat het allemaal mis is. We zijn aan het eind van het boek, de ontknoping nadert. Eerst leest ze bij haar moeder een passage in een boek over Casanova die door haar moeder van een uitroepteken is voorzien. Ooit had de middelbare Casanova willen trouwen met een zeventienjarige, maar toen haar moeder overkwam voor het huwelijk, bleek dat zij een minnares van zeventien jaar geleden was. Casanova was de vader van zijn eigen bruid.
Daarna vindt Iris een brief van Pelle aan haar moeder, waaruit blijkt dat hij een affaire met haar had in Venetie vlak voordat ze met haar vader trouwde. De Venetiaanse ansichtkaart blijkt een foto te zijn van Pelle en haar moeder.
Pelle is Iris’ vader, dat voelt ze gewoon. Iris besluit aanvankelijk die gruwelijke wetenschap geheim te houden, als Pelle bij haar komt gaat ze nog een keer met hem naar bed. Als ze hem ten slotte de waarheid vertelt, wordt hij spontaan blind. Hij is immers ziende blind geweest.
HET KLOPT ALS een bus in de echoput van Martin Hartkamp. Zijn boek zit literair, o zo literair in elkaar.
Zo gaat het steeds om de tegenstelling tussen Venetie en New York, waarbij Venetie voor het verleden en New York voor de toekomst staat. Venetie wordt als ongrijpbaar, als een trompe l'oeil beschreven en dat is precies wat het verleden ook is: ‘Je wist nooit waar je aan toe was.’ De woonkamer van Iris’ moeder is een wirwar van boekenkasten, een Venetiaans labyrint. Als Iris in New York is, ziet ze Venetie overal: ze loopt tegen schilderijen van Venetiaanse schilders aan, laat haar oog vallen op een gebouw dat in Venetiaanse stijl is gebouwd, ziet een Venetiaanse brug. De conclusie, die later ook nog eens expliciet wordt verwoord: 'De toekomst lag in het verleden’.
En zo worden braaf de namen van de personages expliciet verklaard. Pelle is bijvoorbeeld een samentrekking van het Germaanse pelgrim en het Latijnse peregrinus, wat buitenlander, vreemdeling betekent. Iris verwijst naar de regenboog, ze verbindt hemel en aarde, heden en verleden. Vera wordt gelijkgesteld met de koningin van de nacht uit Die Zauberflote, maar haar naam rijmt natuurlijk ook op verita, waarheid.
Het probleem met de echoput van Hartkamp is dat je erin gevangen blijft. De nimf Echo papegaaide niet alleen, ze vormde de afwijzing van Narcissus ook om tot een liefdesverklaring. Daar gaat het om als je een oerverhaal gebruikt: er moet iets gebeuren met het dilemma dat erin wordt uitgedrukt, het dilemma moet worden doorgedacht. In Iris gebeurt dat niet: het boek vertelt een verhaaltje dat toevallig aan een klassieke mythe lijkt ontleend; de tragiek van Oidipous’ schuldeloze schuld blijft achterwege.
Dat komt in de eerste plaats door de stijl van Hartkamp, die misschien moet passen bij het perspectief van de achttienjarige Iris, maar die bovenal leuterend is. Eindeloze dialogen telt het boek, dialogen van korte zinnetjes waarin de personages veel 'o jee’, 'nou ja’, 'goh’, 'o’ en 'leuk’ zeggen. In de tweede plaats zijn de personages van Hartkamp ledenpoppen, waardoor de tragiek nergens voelbaar wordt.
Pretentieus geleuter, dat is Iris, en dat is het ergste wat er is.