Oké doei

In de eerste week van het nieuwe jaar kwam mijn voltallige familie weer eens bijeen. Een van mijn goede voornemens voor het nieuwe jaar was de zaken wat meer in perspectief te zullen gaan zien. Maatschappelijk perspectief welteverstaan. Ik had het nog niet gedacht of het woord sprong me van iedere krantenpagina tegemoet. Perspectief. En dan niet in optimistische context, maar altijd met een ondertoon van verwijt. De Denen zien het volgens een politicologe niet meer in perspectief sinds de cartooncrisis. In een column las ik dat het een kwestie van perspectief is of je het afgelopen decennium wel of niet rooskleurig beoordeelt: voor het Westen was het allemaal pet, voor de Chinezen daarentegen halleluja.
Voor mijn maatschappelijk perspectief kwam het goed uit dat we bijeenkwamen om mijn jongste broer uit te zwaaien, die uitgezonden werd naar Uruzgan. Een maand eraan voorafgaand lag hij nog in het militair hospitaal in Utrecht, waar ik hem opzocht met een zak pepernoten en de extra dikke Quote met daarin het lijstje rijkste Nederlanders.
‘Daar sta ik ook ooit bij’, lachte hij een scheve lach, zijn neus in een vervaarlijk verband.
Een van de goeie eigenschappen van mijn broer is zijn onverwoestbare optimisme. Zelf kan ik er overigens ook wat van. Hoewel ik die ochtend én een dreigbrief van de belastingdienst had ontvangen, én een betalingsherinnering van mijn bespottelijk hoge telefoonrekening, én een aanmaning om nu eindelijk het schoolgeld van mijn zoon over te maken, dit alles tegen de achtergrond van een zwart gapend gat a.k.a. mijn bankrekening, denk ook ik op een dag het geldschip te mogen verwelkomen.
'Alles komt altijd goed’, knoopte mijn moeder ons van jongs af aan in de oren, niet vermoedende ons daarmee voorgoed ongeschikt voor de darwinistische strijd te maken.
'Is het pijnlijk?’ vroeg ik.
'Ach’, zei hij. Militairen hebben geen pijn.
'Misschien kan je nu wel niet uitgezonden worden’, zei ik.
'Zal wel moeten’, zei hij.
'Zie je ertegen op?’
Hij slurpte zijn koffie voorzichtig door een rietje. Hannibal Lecter was er niks bij.
'Ik had liever naar Soedan gegaan.’
Zijn kamergenoot kwam binnengestrompeld op krukken, vergezeld door een vrouw van wie het niet onmiddellijk duidelijk was of het zijn vriendin of zijn moeder was. Misschien ook gewoon wel zijn zus.
'Ik heb trouwens iets bedacht’, zei mijn broer. Hij zei het plechtig, en zo zacht dat ik bang was dat hij zijn laatste wilsbeschikking aan me ging overleggen. Ik had één keer eerder iets dergelijks aan de hand gehad, maar toen was ik dertien, net als degene met wie ik aan de vooravond van de zomervakantie geloftes en sieraden uitwisselde, voor het geval één van ons tijdens de vakantie zou komen te overlijden.
Er kwam een verpleger op sloffen aangesneld. Hij trok het gordijn dicht dat het bed van mijn broer scheidde van dat van zijn buurman. Vanachter het doek klonk gemompel, en vervolgens gekletter van pannen.
Mijn broer boog zich naar mij toe. Wij zien elkaar niet heel vaak, maar toen ik na een lange gang zijn kamernummer had gevonden, lag hij breed grijzend op me te wachten. 'Ik herkende je aan je loopje.’ Zo herken ik mijn broer uit duizenden aan zijn snorkerige ademhaling.
'Ik wil een boek gaan schrijven.’
'Een boek’, herhaalde ik dom.
'Of eigenlijk’, snorkte hij, 'moet jij het schrijven.’
'Ja’, zei ik, en nam nog een pepernoot.
'Ik vertel jou mijn levensverhaal en jij schrijft het op. Simpel toch?’
De rest van de bezoektijd rekenden we onszelf rijk met de gigantische bestseller die dit samenwerkingsproject zou opleveren. Het succes van Papillon verbleekte erbij. Hij liep met me mee naar de lift toen de tijd daar was.
'Bel je de uitgever?’ vroeg hij, vlak voor de deuren zich sloten.
Ik dacht pas weer aan het plan toen we elkaar een maand later zagen met de hele familie, in het restaurant waar we ons afscheidsdiner hadden. Omdat hij sinds kort in Duitsland woonde, en hij zou vertrekken vanaf de vliegbasis in Eindhoven de volgende ochtend vroeg, zou hij bij mijn moeder overnachten. Zijn dochter van zestien was meegekomen om hem uit te zwaaien. Mijn oudste broer speechte, met veel gevoel, toewerkend naar een climax.
'Ik wil je iets meegeven wat ik altijd op mijn kamer had.’
De spanning steeg ten top toen zijn vrouw haar tas opende en er een klein pakketje uit pakte.
'Alsjeblieft, het is nu voor jou.’
Mijn broer maakte het kleine doosje open. Er zat een rozenkrans in.
'Die gaat mee in mijn bagage’, zei hij meteen, en klopte zijn oudere broer geruststellend op zijn schouder. 'Kerel.’
'Komt goed’, zei hij ook nog.