M.J. Brusseprijs

Oké Wim, ­pak ze maar

Jordaan-kitsch – is dat een gangbare typering? Zo ja, dan valt geen ander boek meer onder die noemer dan Holleeder: De jonge jaren van Auke Kok. De motivatie voor het boek zijn de vragen onder welke omstandigheden Willem Holleeder is opgegroeid en hoe hij in de criminaliteit terecht is gekomen. Zinnige vragen die Auke Kok probeert te beantwoorden door Holleeders jeugd in de Amsterdamse Jordaan te reconstrueren. Dat doet hij tot op zekere hoogte verdienstelijk door getuigenissen van buren, familie en oud-klasgenoten en kameraden te verwerken tot een relatief onbekend portret van een jonge Holleeder als een typisch product van de Jordaan. Kok maakt een sterk punt als hij de sociaal-economische omstandigheden van de verpauperde Amsterdamse binnenstad – en als gevolg daarvan de sociale rancune – aanvoert als vruchtbare grond voor criminele ontsporingen. Had Kok zich alleen geconcentreerd op de uitdieping van deze omstandigheden en duidelijk gemaakt hoe dit precies doorwerkte in Holleeders psychologie en wereldbeeld, dan had dit boek wellicht tot een beter begrip van Holleeders verwording kunnen leiden.

Met andere woorden: Kok had er beter aan gedaan als hij zich aan strikte geschiedschrijving had gehouden. In plaats daarvan heeft hij geprobeerd de sociale context waarin Holleeder is opgegroeid te verlevendigen en dichterbij te brengen door een storend gebruik van dat toffe Jordaanse toontje. Kok put in zijn beschrijvingen herhaaldelijk uit het Jordaanse idioom (zaakie, meissie, kanes, et cetera) en deinst voor geen enkel cliché terug: ‘Je kon zeggen dat miskendheid tot het erfelijk materiaal van de Jordaners behoorde, en enkelen, vooral de wat meer ontwikkelden, waren zich daarvan bewust.’

Pardon? Miskendheid als erfelijk materiaal? Het zijn dit soort oppervlakkige en misplaatste duidingen – ‘Als het DNA van de wijk in je bloed zat…’ – van een volksaard die je steeds uit het boek werpen en je doen afvragen of je een smartlap of een serieuze studie leest. Nog dubieuzer wordt het als Kok zijn stereotyperingen grond probeert te geven door over een ‘men’ en ‘ze’ te spreken die blijkbaar de hele Jordaan en zijn inwoners moeten omvatten die allemaal een gemeenschappelijk idee hebben van wat goed en fout is: ‘Het ging erom dat zijn succes ergens diep vanbinnen iets van instemming losmaakte bij veel Jordaners. Die glommen een beetje als ze het over zijn nieuw verkregen welvaart kregen, ja, ze zeiden dat het geen pas gaf maar tegelijk verscheen er een lichte glans op hun wangen die zei: oké Wim, pak ze maar.’ Je zult maar een Jordanees zijn en onder de slechte reputatie van de buurt hebben moeten lijden, om dan een bewonderaar van criminelen genoemd te worden. Geschiedschrijving op z’n De wereld draait doors: smeuïg, flitsend, vooral gezellig en niet al te moeilijk. Tijdens lezing miste ik te vaak de professionale distantie die bijvoorbeeld de Engelse historicus John Dickie aanhoudt in zijn monumentale studie van de Cosa Nostra. Haarscherp ontkracht hij de mythe van de maffia als een typisch product van de Siciliaanse aard en toont aan wat het wél is: een gewetenloze criminele organisatie die uit hebzucht voortkomt, niet uit genetische of culturele predispositie.

Doordat Holleeder en de Jordaan op praktisch iedere pagina worden beschreven als toffe Jordaanse clichés raak je steeds meer het zicht kwijt op wat voor wijk de Jordaan nu werkelijk was en wat Holleeder nu werkelijk motiveerde. Wat het laatste betreft: Kok lijkt in de goede richting te zitten als hij de moeizame relatie tussen Holleeder en zijn alcoholistische, agressieve vader (Willem Holleeder sr.) aanvoert als belangrijke reden voor Holleeders ontsporing, maar erg sterk wordt dit verband niet gemaakt. In sommige passages wordt het ronduit speculatief, zoals wanneer Kok zich afvraagt of Holleeder Freddy Heineken heeft ontvoerd om zijn vader te wreken (werkte voor de biermagnaat, maar werd op zijspoor gezet) of om zijn vader juist te pijnigen door de door Holleeder senior bewonderde Heineken in een hok te smijten en af te persen. Alleen op dat punt toont Holleeder: De jonge jaren zijn werkelijke waarde, als de beschrijving van een strijd tussen een aan lager wal geraakte vader en een zoon die hem probeert te overwinnen. De rest is kitscherige opvulling, leuk om een boom over op te zetten bij Matthijs van Nieuwkerk, maar de kwalificatie ‘diepgravend onderzoek’ niet waard.

Auke Kok. _Holleeder: De jonge jaren. De Bezige Bij, 271 blz., € 18,90_