Okergeel de zintuiglijkheid van willem van toorn

Willem van Toorn, Het verhaal van een middag. Uitgeverij Querido, 157 blz., f 29,90.
Een samenvatting van de nieuwe roman van Willem van Toorn kan heel misleidend zijn. Net zo misleidend als de ogenschijnlijke eenvoud waarmee Het verhaal van een middag uit de doeken wordt gedaan. Na lezing van de geschiedenis, die met veel gevoel voor details wordt verteld, ontstond bij mij het vermoeden van een verzwegen verhaal, waarvan de aanwezigheid voelbaar wordt gemaakt door een ragfijn web van toespelingen.

De eenvoud van de roman is bedrieglijk: raffinement en verhulling vormen de schering en inslag van het verteltapijt dat liefdevol en met respect voor het ambacht van het vertellen is geweven. Het patroon van motieven dat zich daarin heeft gevormd, is helder en raadselachtig tegelijk. Sommige van die motieven zou men al kunnen kennen uit het vroegere werk van Van Toorn: de zintuiglijke beleving van het landschap, het respect voor de ambachtelijkheid van vroegere generaties, het saluut aan de wereld van de ‘gewone’ mensen die hun kennis opdoen als listige lezers van het boek van de werkelijkheid. De verhalen (en gedichten) van Van Toorn kenmerken zich door de afwezigheid van (erudiet) vertoon, door bescheidenheid, die niets van doen heeft met een gebrek aan engagement.
Deze typering gaat ook op voor de hoofdpersoon in zijn nieuwe roman. Enrico Vettore is een reisjournalist die zoals hij in het begin van het verhaal zelf al opmerkt bij de krant waaraan hij is verbonden niet zozeer wordt gewaardeerd vanwege zijn opinies en ideeen, maar om zijn vermogen beelden, geuren en kleuren om te zetten in een helder soort zinnen 'die de schijn wekken ze werkelijk weer te geven’. De kracht van de roman moet dan ook in deze zintuiglijkheid worden gezocht, eerder dan in de ideeenrijkdom. De kern gaat schuil in een petite histoire, die de journalist opschreef toen hij een jaar of dertig was. Hij doet daarin verslag van een middag op het Toscaanse land, toen hij nog een jongen van een jaar of elf was. Het behoort tot het weinige dat de journalist in zijn leven aan fictie heeft geschreven. Hij wordt er aan herinnerd wanneer hij aan het begin van de jaren negentig naar Florence terugkeert om er de erfenis van zijn oom Angelo te regelen.
De roman begint op het moment dat Enrico zich in het raam van het appartement van zijn oom weerspiegeld ziet en onvermijdelijk moet terugdenken aan de tijd toen hij met zijn vader uit Engeland was afgereisd naar het dorp G., waar zijn grootvader op sterven zou liggen. Het onheilspellende bericht dat oom Angelo naar zijn broer, Enrico’s vader, in Engeland had gestuurd, bleek voorbarig, want eenmaal in Toscane kwamen ze al snel tot de ontdekking dat grootvader in een mum van tijd weer op de been was. Omdat de oorlog was uitgebroken konden ze niet meer terug. Het kind moest opgroeien zonder zijn moeder, die in Engeland was achtergebleven. Na afloop van de oorlog kon het gezin zich weer herenigen, maar de tijd had een onherstelbare inbreuk gemaakt op het huwelijk van Enrico’s ouders. Het hield dan ook niet lang stand.
Enrico groeit op in internaten, gaat geschiedenis studeren zonder de studie af te maken en begeeft zich in de journalistiek. Zijn kindertijd in de omgeving van Florence legt hij vast in een verhaal. Dat vergeet hij tot hem in het door oom Angelo aan hem nagelaten appartement plotseling een hevig verlangen overvalt naar die kleine groene en okergele wereld waarin hij bijna een halve eeuw eerder heeft rondgedoold, het op het oog zo idyllische domein. Dan begint een proces van zelfbespiegeling en een confrontatie met zijn geheugen, waarin hij voortdurend het gevoel heeft dat het hem een loer draait.
Hij weet niet of wat hij zich herinnert van het verleden een produkt is van zijn verbeelding of van zijn beleving. Het proces komt op gang door een gemis, door het besef van ontbrekende gevoelens en het plotselinge inzicht dat de geschiedenis van zijn emotionele leven is bevroren juist op het moment dat hij er zich als kind intens bewust van werd. In zijn verhaal heeft hij nog een glimp van wat er zich afspeelde in het Toscaanse dorp vastgelegd: zijn ontluikende seksuele gevoelens voor Donatella, met wie hij speelde en die eerder weet had van het leven van de volwassenen dan hij, wegdromend in de raadselachtige wereld van de boeken. Vanuit het prieel speurde hij het domein af, zijn verrekijker steeds bij de hand om Donatella dichterbij te kunnen halen wanneer zij verderop het pad afliep. Zo had hij ook een glimp opgevangen van een schuur aan de overkant van de rivier, waar hij die beslissende middag een rookkolom had zien opstijgen. Het was dezelfde middag waarop hij Donatella tot zijn ontsteltenis had zien vrijen met Luigi.
Het was op een of andere manier toch al een onheilspellende middag, omdat hij, volkomen in de war teruggekeerd van het schouwspel dat hij vlak daarvoor had bijgewoond, oom Angelo van de kant van de rivier had zien komen, bebloed, ontredderd. Hij had de scene waargenomen, niet begrepen en jaren later in het verhaal vastgelegd als was het de beschrijving van een foto waarvan hij niet wist wie hem had gemaakt, laat staan wat de betekenis ervan was.
Nu hij, zovele jaren na de gebeurtenissen in G. en zo lange tijd nadat hij ze had vastgelegd in het verhaal, in Florence was teruggekeerd, zal het een andere wending nemen. Van zijn krant heeft hij de opdracht gekregen in de Toscaanse stad, contact te zoeken met Sylvana Bauer, docente politicologie: misschien kan zij een artikel schrijven over de afscheidingsbeweging van de Lega Nord, de politieke beweging die in het corrupte Italie in ras tempo aan populariteit wint. Tot zijn verrassing blijkt Bauer zijn verhaal niet alleen te hebben gelezen, maar ook nog een aanvulling te hebben op een lacune waarvan hij zich niet echt bewust was geweest.
Deze Sylvana Bauer had aan de overkant van de rivier gewoond, op een steenworp afstand van de plaats waar hij met zijn verrekijker de horizon had afgespeurd. Zij brengt het gevoel van onrust weer in beweging dat op die middag was verdrongen, zij schiet een wak in de ijsoppervlakte van zijn geheugen. Op dit punt in de roman wordt iets zichtbaar van een verhaal dat niet wordt verteld, misschien niet kan worden verteld, omdat de listen van het geheugen, de fantasie en de verbeelding aan het verleden bedrieglijke vormen opdringt. Dat verhaal heeft te maken met twee waarnemingsvelden waarvan het brandpunt onzichtbaar; en het heeft tegelijkertijd te maken met het onvermogen tot contact. Beiden hebben iets wezenlijks met elkaar gedeeld, maar omdat het onbegrijpelijk is heeft het geen betekenis, leidt het niet tot een gevoel van verbondenheid.
De verwijzingen naar de wereld van de literatuur vormen een hint naar dit niet vertelde verhaal. Want de naam van Sylvana Bauer brengt de verloofde van Kafka in herinnering, Felice, aan wie hij meer dan vijf jaar lang indringende brieven schreef, aarzelend tussen toenadering en afwijzing. Sylvana Bauer in deze roman onderhoudt een wat geheimzinnige relatie met een jongeman die sprekend op de jonge Kafka lijkt. Anderzijds vergelijkt Enrico zich met de held uit de introspectieve roman van Saul Bellow, Dangling Man, die in de leegte zweeft tussen twee werelden. Ook de compositie van het verhaal verwijst naar dit lege verhaal, tussen het vertel-heden en het vertel-verleden die elkaar om het hoofdstuk afwisselen, tussen de druilerigheid in Florence en de geurige en kleurige wereld van het dorp G.
Het niet vertelde verhaal wordt soms in een achteloos zinnetje te berde gebracht, indirect in de brief die Enrico’s moeder ooit aan oom Angelo heeft geschreven. Het ongeschreven verhaal van deze particuliere geschiedenis wordt aangeraakt door de verwijzingen naar de politieke geschiedenis. Er is een verband met de oorlog in Joegoslavie, dat het resultaat lijkt van een proces van collectieve verdringing en waarin de ooit bevroren nationalistische sentimenten nu een bloedige uitweg zoeken.
Overigens vertonen zich op dit punt de zwakke plekken in deze ragfijne roman: onbevredigende overgangen, stilistische tics, bijvoorbeeld wanneer de vergelijkingen wat al te zeer de overhand krijgen. Zie bijvoorbeeld het begin van hoofdstuk zes, waar op een pagina vijf keer gebruik wordt gemaakt van de alsof-wending: 'Hoe kon ze nu doen alsof hij niet bestond, alsof ze nooit samen in de schuur waren geweest’; het was 'alsof de warmte een damp uit de aarde had geperst’. 'Het dreunen van geschut klonk heel ver weg, alsof de oorlog zich had bedacht’. Hij hoorde haar stem, heel zacht, 'alsof ze in het geheim tegen iemand praatte’.
Ondanks de stilistisch zwakke plekken hier en daar, heeft deze roman mij overtuigd door de subtiele manier van vertellen, door de onnadrukkelijke beschrijvingen van de betrekkingen tussen de personages, die indirect de thematiek op een effectieve wijze weten te spiegelen. Maar de roman overtuigde mij nog het meest door de genuanceerde zintuiglijke sfeertekeningen, die iets voelbaar maakten van het oord waar het verhaal van een middag zich afspeelt.