Okwui Enwezor, 23 oktober 1963 – 15 maart 2019

Met zijn onverschrokken tentoonstellingen vertelde curator en museumdirecteur Okwui Enwezor een volstrekt nieuw, complexer verhaal: hij bracht delen van de wereld in beweging die tot dan toe niet hadden meegedaan.

De geschiedenis van de kunst was lange tijd een overzichtelijk verhaal van Europese makelij. Er waren kunstenaars en verzamelaars, een fijnbesnaard netwerk dat sinds jaar en dag draaide rond het kunstwerk als de aarde rond de zon. De beste kunstwerken vonden hun weg naar een museum, waar ze belandden op zaal of in een depot, of naar private kunstcollecties, waar ze niet zelden voorgoed uit het zicht verdwenen.

Met het aanbreken van de moderne tijd kwam de tentoonstelling op, een nieuw medium dat de moderne kunst samenbracht in groepen met aan het hoofd een tentoonstellingsmaker, tegenwoordig ‘curator’ genoemd. Die werd de spil van het netwerk, curators wisten waar de kunst die er nog toe deed zich ophield, zij brachten haar vanuit hun visie aan de man. Geleidelijk werden zij de tandwielen die het verhaal van de kunst draaiende hielden: zonder hen was de kunstgeschiedenis al lang tot een einde gekomen.

Okwui Enwezor was zo’n curator. Hij bracht delen van de wereld in beweging die tot dan toe niet hadden meegedaan. Hij zag op de eerste plaats hoe ónoverzichtelijk de wereld was, hoe beperkt de geschiedenis van de kunst. Met tentoonstellingen van grote omvang vertelde hij een volstrekt nieuw, complexer verhaal.

Okwui Enwezor werd geboren in de Nigeriaanse stad Calabar. Hij verhuisde op negentienjarige leeftijd naar Amerika om politicologie te studeren. Na zijn studie verbleef hij in New Yorkse dichterskringen, waar hij optrad met eigen werk, en vanuit de poëzie was het een kleine stap naar de voorhoede van de beeldende kunst. Ongetwijfeld bezocht hij in 1984 in het MoMA de tentoonstelling ‘Primitivism’ in 20th Century Art: Affinity of the Tribal and the Modern. Maar Enwezor was niet geïnteresseerd in kunst als etnografisch speeltje voor de westerling, maar in kunst die kunstgeschiedeniswaardig was.

‘Okwui vermenigvuldigde het aantal werelden met zijn tentoonstellingen’

In 1994 richtte hij samen met Chika Okeke-Agulu en Salah Hassan het eerste tijdschrift voor kunst uit Afrika op, Nka: Journal of Contemporary African Art. ‘Het terrein van hedendaagse kunst uit Afrika en de Afrikaanse diaspora is verwaarloosd in het kunsthistorische debat’, staat op de website van het tijdschrift. ‘Waar geen kunstgeschiedenis bestaat, zijn kritische tijdschriften en andere platformen cruciaal om het discours vorm te geven en alle intellectuele processen te betrekken die zo’n onderneming met zich meebrengt.’ In 1996 gebruikte Enwezor het Guggenheim Museum in New York als platform om dertig Afrikaanse fotografen samen te brengen onder de titel In/Sight, en was zijn naam als curator gevestigd.

Wereldberoemd werd The Short Century: Independence and Liberation Movements in Africa 1945-1994, eerst als reizende tentoonstelling, in 2001, en voor de eeuwigheid bewaard in een boek van encyclopedische omvang. Enwezor ving er de onafhankelijkheids- en vrijheidsbewegingen in met aandacht voor uitingen van het culturele zelfbewustzijn van het continent. Het verhaal omvatte kunst, fotografie, architectuur, film, muziek, theater en literatuur. In een interview met kunstcritica Carolee Thea vertelde hij: ‘Het was een van de bevredigendste tentoonstellingen die ik ooit heb gemaakt, (…) omdat het me tijdens de voorbereidingen steeds een moment van rust gaf en vele weggestopte sensaties van het Afrikaan-zijn prikkelde.’ Hij ontleende een Afrikaans gezegde van schrijver Chinua Achebe om dat gevoel te duiden: ‘Het gezegde gaat ongeveer als volgt: “Tot het moment dat de leeuwen hun eigen historicus scheppen, zal het verhaal van de jacht altijd dat van de jager zijn.”’

Een jaar later werd Enwezor benoemd tot (eerste niet-westerse) artistiek directeur van Documenta, de vijfjaarlijkse tentoonstelling in Kassel die symbool staat voor een verenigd Europa. Met wortels in verschillende continenten werd Documenta 11 de eerste ‘postkoloniale’ editie. Ook werd hij gevraagd als (eerste Afrikaanse) leider van de Biënnale van Venetië, in 2015. Als thema koos hij ‘All the World’s Futures’ met als leidende vraag: ‘Hoe kunnen kunstenaars, denkers, schrijvers, componisten, choreografen, zangers en muzikanten, door middel van beelden, objecten, woorden, bewegingen, acties, songteksten en geluiden, mensen samenbrengen om te kijken, luisteren, reageren, engageren en spreken, om betekenis te geven aan de huidige omwenteling?’ Hij nodigde de Gulf Labor Artists Coalition uit, die protesteerde tegen de omstandigheden waaronder het Louvre en het Guggenheim bouwden in Abu Dhabi. Je kon er Sammy Baloji zien uit de Democratische Republiek Congo, Hiwa K. uit Irak en Tania Bruguera uit Cuba. De lange gang die langs het Arsenaal voert werd op slag iconisch toen Ibrahim Mahama deze behing met jutezakken waar oorspronkelijk cacaobonen in vervoerd waren. De jonge Ghanees exposeerde tot dan toe vooral in Afrika, maar na de Biënnale was hij overal te zien.

Hans-Ulrich Obrist, die andere power curator, roemde Enwezors werkwijze. ‘Met al deze tentoonstellingen vermenigvuldigde Okwui het aantal werelden. Om Édouard Glissant te citeren waren zijn tentoonstellingen nooit een recapitulatie van iets dat bestond op vanzelfsprekende gronden, maar de zoektocht naar iets dat we nog niet weten. Okwui’s onverschrokken tentoonstellingen gingen nooit over een synthese die een nieuwe standaard zou zetten, maar om een netwerk van onderlinge verbanden dat de deuren opende voor vele perspectieven.’

Enwezor stierf na een ziekte op 55-jarige leeftijd. Hij was nog betrokken bij het eerste optreden van Ghana op de Biënnale van Venetië, die in mei opent. In het Haus der Kunst in München, waar hij tot vorig jaar museumdirecteur was, loopt nog tot in de zomer de tentoonstelling van El Anatsui, de eerste show in Europa voor de 75-jarige Nigeriaan. Enwezor was de historicus van de leeuwen geworden: het is aan anderen om zijn wereld draaiende te houden.