Geopolitiek in Georgië

Olie langs een omweg

Georgië is een van de winnaars in het geopolitieke spel om de olie uit de Kaspische Zee. Een pijplijn op haar grondgebied, waarlangs vanaf 2005 een miljoen vaten olie per dag richting Turkije gaan, moet het land enige welvaart en stabiliteit brengen. Maar niet iedereen is blij.

TBILISI — Het is eigenlijk een pijpje van niks, de 835 kilometer lange slang die in Soepsa, aan de Georgische kust van de Zwarte Zee, zijn witgeverfde kop uit de aarde steekt. Een halve meter in doorsnee meet hij, meer is het niet. Evengoed braakt hij per uur 930 kubieke meter Azeri light crude oil uit, die via bredere pijpen naar vier kolossale opslagtanks stroomt, waar de brandstof wacht tot de wekelijkse olietanker voor anker gaat.

De terminal bij Soepsa, die in 1999 in bedrijf is genomen, is een oase van moderniteit in het verpauperde Georgië. Erheen rijdend vanuit Tbilisi passeer je om de zoveel tijd een verlaten fabriek uit de sovjettijd die in het landschap staat weg te roesten. Via de nabijgelegen haven Poti is dit jaar zeshonderdduizend ton oud ijzer vervoerd, waarmee schroot een van de belangrijkste exportproducten van het land is geworden. In Soepsa heerst echter de westerse wereld van British Petrol (BP), die het olietransport beheert en verzorgt. Het handjevol werknemers verdient de hoogste salarissen van het land, zegt een opzichter trots: vijfhonderd dollar per maand, twintig keer meer dan het gemiddelde loon in Georgië.

«Vroege olie» noemt BP de olie die via de «westelijke route» van de Kaspische Zee naar Soepsa wordt gepompt. De aanleg voor de relatief smalle pijplijn vergde een grote investering — een som die nog eens dubbel zo groot uitviel als verwacht doordat de in onbruik geraakte pijpleiding uit de sovjettijd niet meer geschikt bleek voor hergebruik. Maar BP deed er onschatbare ervaring mee op in Georgië en kweekte er de goodwill mee die nodig was voor een veel ambitieuzer project: de 1760 kilometer metende pijpleiding die van Bakoe via Tbilisi naar het Turkse Ceyhan aan de Middellandse Zee zal lopen — kortweg de BTC genaamd.

De aanleg van de BTC, die in 2005 in werking moet treden, kost een slordige drie miljard dollar, afkomstig van een consortium van elf aandeelhouders, waaronder de Azerbeidzjaanse en de Georgische overheid, aangevuld met leningen van de Wereldbank en de Oost-Europabank (de European Bank for Reconstruction and Development te Londen). Uiteindelijk zal een miljoen vaten per dag door de leiding gaan, ruim zeven keer zo veel als nu via de westelijke route gaat. Door een parallelle leiding wordt nog eens tien miljard kubieke meter Azerbeidzjaans gas gepompt naar het Turkse Erzurum, waar Georgië vijf procent van mag aftappen. BP, met dertig procent de grootste aandeelhouder, verzorgt het beheer van de pijpleiding.

In het kantoor in Soepsa, waar je alleen binnen mag als je aan de poort je lucifers en aanstekers hebt afgegeven, wil de vlotte operation supervisor Teimuraz Gazhonia wel wat doorfilosoferen over de betekenis van de pijpleidingen. Hij wijst richting de olietanker enkele kilometers uit de kust, die nog net te zien is door zijn raam. «De tanker kwam twee dagen te laat: het was slecht weer in de Bosporus, dus moest het schip wachten. Omdat onze tanks vol raakten, moest in Azerbeidzjan de pijpleiding een paar dagen dicht. Dat kostte handen vol geld.»

De BTC zal de nauwe Bosporus, waar jaarlijks 5500 olietankers doorheen gaan, ontlas ten en het risico verkleinen op een olieramp bij Istanboel — een van de redenen waarom Turkije blij is met het project. Voor de wes terse landen is de BTC een zegen omdat ze de afhankelijkheid van de Arabische wereld vermindert en de pijpleiding buiten Iran en Rusland loopt. Azerbeidzjan is gerustgesteld dat de olie niet langs vijand Armenië en de afgescheiden enclave Nagorno-Karabach hoeft. Tezamen vormt dit de verklaring voor de enorme omweg die de olie straks maakt om van Bakoe naar de Middellandse Zee te komen.

Voor Georgië zijn er verscheidene voordelen. Welkom zijn allereerst de inkomsten: twintig tot dertig miljoen dollar per jaar aan doorvoerrechten en honderd miljoen dollar aan landaankopen, wat gezien de nationale begroting van nog geen miljard dollar per jaar aanzienlijk is. Prettig is ook de grotere onafhankelijkheid van Russisch gas. Maar het belangrijkste is het directe belang dat het Westen vanaf 2005 zal hechten aan vrede en stabiliteit in het land. Sinds de onafhankelijkheid in 1991 hebben in Georgië een burgeroorlog en twee bloedige afscheidingsoorlogen gewoed die met vele doden en etnische zuiveringen gepaard gingen, zonder dat het Westen een pink oplichtte.

«Ik ben niet echt blij met de BTC: er is altijd het potentiële gevaar dat de pijpleiding breekt en het land vervuilt. Maar door de BTC hebben we er vele vrienden bij gekregen: de Britten, de Amerikanen, de Turken, de Azerbeidzjanen en zelfs de Japanners», zegt Gazhonia, doelend op een van de aandeelhouders. «Het politieke belang overstijgt het economische.»

Politicoloog Soso Tsintsadze, hoofd van de kleine, private academie voor diplomaten in Tbilisi, formuleert het sterker. «Pas als de BTC functioneert, worden we echt onafhankelijk van Rusland. De VS krijgen dan veel invloed, maar overheerst worden door anderen is nu eenmaal het historische lot van Georgië. Washington is dan te verkiezen boven het agressieve Moskou. Je kunt gerust zeggen dat de pijpleiding niet op Georgische aarde rust, maar dat Georgië aan de pijpleiding hangt, als aan een reddingsboei.»

In het spel om de olie lijkt Rusland de enige verliezer. Terwijl Moskou in de sovjettijd de gehele olievoorraad in de Kaspische Zee tot de hare mocht rekenen, verliest het door pijpleidingen als de BTC haar monopolie op de doorvoer van de Kaspische olie. «Rusland heeft zich waar mogelijk verzet tegen de BTC», zegt Tsintsadze. «Niet zo lang geleden hield de Russische ambassadeur een lezing van drie, vier uur op onze school. Hij bleef maar hameren op hoe onnodig, duur en gevaarlijk die pijleiding wel niet was.»

De BTC mag dan politiek belangrijk zijn, voor BP is het van belang dat het project helemaal veilig is en winst maakt — en beide zijn het geval, zegt directeur communicatie Andrew Baines in het BP-hoofdkantoor in Tbilisi. Het concern ademt in zijn publicaties en posters aan de muur de politieke correctheid die de meeste oliemultinationals nastreven sinds de nare ervaringen van Shell in Nigeria. Transparantie, milieuvriendelijkheid, sociale bewogenheid. Maatschappelijk verantwoord ondernemen is het codewoord en BP Georgië doet zijn best. Zo is uitgebreid milieuonderzoek gedaan langs de route van de pijpleiding en zijn alle dorpen en andere gemeenschappen geconsulteerd, zegt de zeer Brits klinkende Baines, wijzend op een dik rapport. De weinige schade die de aanleg van de BTC aanricht, wordt hersteld en gecompenseerd met werkgelegenheidsprojecten. «Uniek is dat we het land langs de route kopen, maar dat als de pijpen onder de grond zitten de boeren het weer mogen bewerken. Alleen mogen ze er geen gebouwen op zetten.»

Op het bureau van Baines staat een fles Borjomi-bronwater, afkomstig uit de licht zwavelhoudende bronnen in Borjomi, een paar uur ten zuidwesten van Tbilisi. De bronnen liggen in een idyllische, toeristische vallei waar Stalin (Georgiër van geboorte) zijn vakantiehuis had en waar je tegenwoordig als hotelgast je jas aan het haakje kunt hangen dat de Grote Leider voor zijn pet gebruikte. En kele dagen eerder protesteerde de directeur van het bedrijf, dat met 2500 werknemers een van de weinige florerende concerns van enige omvang is in het land, fel tegen de BTC. De pijpleiding zal uitgerekend door dit kwetsbare gebied lopen, en als er lekkage komt, is het bronwater voorgoed verpest, vreest hij.

Baines ontkent dat er enig gevaar is: het mineraalwater komt van zo diep en staat onder zo’n hoge druk dat vermenging met olie, zelfs als de pijpleiding breekt, onmogelijk is. Heeft de uitgebreide consultatie met de belanghebbenden wellicht toch niet zo goed gewerkt? Baines: «We hopen de mensen van Borjomi binnenkort alsnog te overtuigen.»

Maar ook Zviad Gotsiridze, directeur van het Borjomi-Kharagauli National Park, een 85.000 hectaren metend natuurgebied dat dankzij steun van het Wereldnatuurfonds is ontstaan, voelt zich genegeerd. Het nationale park, het eerste van het land, is pas anderhalf jaar geleden open gegaan. De populatie van de zeldzame rode Kaukasische herten, die door het werk van stropers was gekrompen van 600 naar 39 stuks, is dankzij patrouilles van de rangers alweer toegenomen tot 72, zo vertelt Gotsiridze in het hoofdkantoor van het park in Borjomi. En nu wacht het gebied weer een nieuwe bedreiging. «De BTC loopt niet door het nationale park zelf, maar wel door een aangrenzend, eveneens beschermd natuurgebied. Dat is tegen de wet. Er zal bos voor worden gekapt en er zijn meer negatieve effecten, voor het wild en voor het toerisme. We zullen dat zeker merken.» Het nationale park is van de staat, dus Gotsiridze praat voorzichtig. De BTC is goed voor Georgië en hij zal de laatste zijn die de aanleg ervan wil onderbreken, benadrukt hij. Maar hij hoopt dat voor een andere route wordt gekozen, een route die de Borjomivallei ontziet.

Het curieuze is dat er een beter alternatief is, een route die iets zuidelijker loopt dan de route via Borjomi. Niet alleen zal hier nauwelijks schade voor het milieu ontstaan bij eventuele lekkages, de aanleg ervan is ook nog eens goedkoper, erkent ook Baines van BP. Waarom kiest Georgië voor de route via Borjomi? Het antwoord is eenvoudig, zegt Baines. «De andere route loopt via een Russische militaire basis die zich nog altijd in Georgië bevindt. Dat wordt gezien als een te groot veiligheidsrisico.»

Maar er is meer aan de hand, zegt Arend Kolhoff, expert bij de Nederlandse Commissie voor de Mer (Milieueffectrapportage). De commissie deed op verzoek van het Georgische ministerie van Milieu (maar op kosten van het Nederlandse ministerie van Vrom) onafhankelijk onderzoek naar de gevolgen van de BTC en naar de kwaliteit van BP’s eigen «MER». Vrijdag zette de commissie de resultaten van het afgeronde onderzoek op de eigen website. Conclusie: de keuze van de route is «onvoldoende» onderbouwd en Georgië zou de voor keur moeten geven aan de zuidelijker route.

«Het is waar dat het van diep komende mineraalwater van Borjomi geen gevaar loopt, zelfs niet bij lekkage», legt Kolhoff uit. «Maar voor zo’n product is imago erg belangrijk, dus als je de schijn tegen hebt, kan dat al funest zijn. Bovendien wordt ook bronwater gebotteld dat uit de grond stroomt en niet omhoog wordt geperst. Onze geoloog durft — ik moet het voorzichtig uitdrukken — niet te zeggen dat er geen kans is op vervuiling bij mogelijke lekkages. In dat geval bepaalt het internationaal erkende ‹voorzorgprincipe› dat je naar alternatieve routes moet zoeken.»

De zuidelijker route biedt dat alternatief. «Deze route passeert de Russische basis op 20 tot 25 kilometer afstand, terwijl de BTC, wanneer ze via Borjomi loopt, de basis op 30 tot 35 kilometer passeert. Wij kunnen niet beoordelen hoe het verschil van tien kilometer de veiligheid van de pijpleiding beïnvloedt. Daar laten we ons ook niet over uit. Maar we hebben van verschillende kanten een ander argument tegen de zuidelijker route gehoord: Azerbeidzjan is ertegen omdat deze door Achalkalaki loopt, een streek waar sinds eeuwen etnische Armeniërs wonen. Niemand in Georgië zal dat openlijk toegeven: de Armeniërs zijn Georgische staatsburgers, dus de regering zou niet mogen zwichten voor dit soort argumenten. We kregen daarom andere verhalen te horen: de VS zouden tegen die route zijn en de mensen in Achalkalaki zelf zouden de pijleiding ook niet willen. We hebben dat onderzocht. We gingen naar enkele dorpen in Achalkalaki, dat werkelijk straatarm is en waar de Russische basis zo’n beetje de enige vorm van werkgelegenheid is. ‹Natuurlijk zouden we voor de pijpleiding zijn als ons iets was gevraagd›, zeiden de mensen. ‹Alles wat een beetje werk oplevert is welkom.› De Amerikaanse ambassadeur benadrukte dat het voor de VS belangrijk is dat de pijpleiding door het pro-westerse Georgië gaat, maar dat het hun niet uitmaakt via welke route, zolang die maar ‹sociaal acceptabel is en milieutechnisch deugt›. Dus die argumenten van BP klopten niet.»

Kolhoff heeft wel meer kritiek die de borstklopperij van BP wat relativeert. «BP is laat begonnen met de consultatie van de 74 dorpen langs de route. Hoewel het indrukwekkend is wat ze in de eindspurt hebben bereikt, werk je die achterstand niet zomaar weg. Ook de vijf miljoen dollar die ze hebben uitgetrokken voor werkgelegenheidsprojecten langs de route is mager: van ons mag dat wel verdubbelen, zeker als je in aanmerking neemt dat de pijpleiding veertig jaar meegaat. Een kwestie van onderhandelen. Je ziet het overal. Om een extreem voorbeeld te noemen: langs de pijpleiding door Kameroen en Tsjaad, waar wij ook onderzoek deden, bood Exxon-Mobil in eerste instantie vijf dollar aan compensatie voor elke mangoboom die moest sneuvelen. Na een paar jaar onderhandelen was dat bedrag tot vierhonderd dollar gestegen.»

Wereldwijd wordt het leeuwendeel van de vervuiling langs oliepijpleidingen niet veroorzaakt door technische mankementen, terrorisme of sabotage, maar doordat mensen gaatjes in de leiding boren en olie aftappen voor de verkoop. «Ze doen er soms letterlijk een kurk in. Je voorkomt zoiets alleen door de mensen langs de pijpleiding het gevoel te geven dat de opbrengst ook hun ten goede komt. Ownership heet dat. BP is erbij gebaat als het dit ook in Georgië kan bewerkstelligen.»

In het arme Achalkalaki was dat geen probleem geweest; Georgië had op deze manier de geïsoleerde en arme streek meer bij de rest van het land kunnen betrekken.

Afgelopen weekeinde verklaarde de minis ter van Milieu nog nadere informatie te willen voor hij een vergunning afgeeft voor de Borjomi-route. Het staat echter bijna vast dat president Sjevardnadze via een decreet die vergunning erdoor drukt. Kolhoff: «In maart beslissen de Wereldbank en de Oost-Europabank over hun aandeel in de leningen. Alleen zij zouden de route nog kunnen beïnvloeden.»