Economie

Oliedom

De voormalige Shell-ingenieur Kenneth Deffeyes eindigt zijn boek Hubbert’s Peak: The Impending World Oil Shortage met een denkbeeldig gesprek tussen een kind en zijn opa, ergens in de tweede helft van deze eeuw. ‘Maar grootvader’, zegt het kind verbaasd, ‘die prachtige oliemoleculen waar we alle mogelijke kunststoffen van kunnen maken, hebben jullie die gewoon… verbrand?’ Ja, moet opa toegeven, we hebben er benzine, diesel en kerosine van gemaakt, en die vervolgens in onze auto’s, boten en vliegtuigen verbrand. Doodzonde, weet hij dan.

Deffeyes schreef het boek met deze scène in 2001. Hij waarschuwt daarin niet zozeer voor het opraken van de olie, als wel voor het dalen van de productie. De oliereserves in de Verenigde Staten, Rusland en het Midden-Oosten raken langzaam uitgeput. Het wordt steeds moeilijker om ieder jaar weer meer olie uit de velden op te pompen. De olieproductie zal in het eerste decennium van deze eeuw pieken, voorspelt Deffeyes, waarschijnlijk tussen 2004 en 2008. Daarna zal de vraag naar olie en olieproducten moeten meedalen met de productie. Om dat voor elkaar te krijgen zal de prijs van olie fors omhoog moeten.

Sinds Deffeyes’ voorspelling is er een heftig debat gaande tussen experts over het precieze moment waarop de wereldwijde olieproductie precies zal pieken. Men is er nog altijd niet uit. De olieprijs doet ondertussen precies alsof Deffeyes het helemaal juist had. Toen zijn boek verscheen, kostte een vat ruwe olie zo’n dertig dollar. Zeven jaar later staat de prijs op 120 dollar. Die explosieve prijsstijging past helemaal in het scenario van stagnerende olieproductie. Het is geen bewijs, maar wel een sterke aanwijzing dat we anno 2008 inderdaad het punt van maximale olieproductie bereikt hebben.

Is dat erg? Op korte termijn wel. Het zal de wereldeconomie tijd kosten om te wennen aan de dure olie. De verwende burgers in het rijke noorden moeten leren zich anders – en vooral minder – te verplaatsen. Energieleveranciers moeten investeren in alternatieve energie. De economie moet afkicken van de goedkope olie. Dat gaat pijn doen, maar het is niet onmogelijk.

In het zuiden gaat het meer problemen opleveren. De armere landen zijn minder afhankelijk van goedkope energie, maar de veiligheidsmarges zijn in die landen ook veel kleiner. Het arme deel van de wereldbevolking ziet niet de dure olie, maar de hoge voedselprijzen die daardoor veroorzaakt worden. In de VS en Europa wordt voedsel gebruikt om biobrandstof van te maken. Nu al gaat een kwart van de Amerikaanse maïsoogst – tien procent van de wereldproductie – naar de producenten van biobrandstof. Het wordt niet meer op de wereldmarkt aangeboden, met als gevolg dat arme Mexicaanse boeren het meel voor hun tortilla’s niet meer kunnen betalen.

Bovendien worden met olie geproduceerde hulpmiddelen voor de landbouw, zoals kunstmest en pesticiden, duurder. Tractoren en andere landbouwmachines zijn kostbaarder in gebruik. In feite is de groene revolutie van de vorige eeuw op goedkope olie gebaseerd.

De overgang naar de dure-olie-economie zal dus pijn doen. Maar uiteindelijk zijn we veel beter af met een hoge olieprijs. Geen betere prikkel dan de prijsprikkel om burgers en bedrijven ertoe aan te zetten zuinig te zijn met energie en grondstoffen. Daar kan geen voorlichtingscampagne of subsidieprogramma tegenop.

Windenergie, zonne-energie, isolatie van het huis, spaarlampen, een nieuwe hoogrendementsketel en nog duizenden andere maatregelen om energie te besparen zijn plotseling enorm winstgevend. Wie in een piepkleine auto rijdt is de held van de snelweg, wie fietst is geniaal. Uitvinders zetten hun inventiviteit in om nog zuinigere motoren te ontwikkelen. Onderzoekscentra van bedrijven speuren naar manieren om productieprocessen energie-extensiever te maken. Alle kapitalistische krachten ballen samen met als doel de afhankelijkheid van olie te verminderen. Er hoeft geen beleidsrapport te worden geschreven, geen congres georganiseerd. De markt doet het werk.

Al Gore hoeft dan ook geen nieuwe klimaatfilm te maken. Dure olie is veel effectiever dan nog meer angstaanjagende beelden van afkalvende ijskappen en fotogeniek in de camera starende ijsberen.

De olieprijs mag wel naar tweehonderd dollar per vat. En daarna door naar de vijfhonderd dollar. Liefst een beetje langzaam, zodat de economie zich kan aanpassen. Laat het maar zo duur worden dat niemand er meer over piekert om de kostbare koolstofmoleculen te verbranden.