Met als gevolg: politieke onrust en ecologische nachtmerries

Oliekoorts in Guinee-Bissau

West-Afrika is in de ban van de oliekoorts. In veel gevallen leidt dat tot politieke onrust en ecologische nachtmerries. Nu zijn de Bijagós-eilanden van Guinee-Bissau aan de beurt, een van de rijkste natuurgebieden van de wereld. Een reportage.

BISSAU/BOLAMA – Wat ooit de trotse hoofdstad was van Portugees Guinee is nu een vervallen ghost town. In de statige panden van het oude gouvernement huizen alleen nog geiten en vleermuizen. De in koloniale stijl opgetrokken gebouwen in Bolama verkeren stuk voor stuk in verregaande staat van ontbinding, alsof het behekste plekken zijn waar alleen de lokale dronkelappen ’s nachts hun behoefte komen doen en hun bed van bladeren leggen.

Ruïneus is eveneens de voormalige limonadefabriek van Bolama, waarin Nederland in de jaren zeventig investeerde. De fabriek was een pronkstuk van ontwikkelingswerk. Er werd veel van verwacht. Probleem was dat de fabriek bijna exclusief draaide op geïmporteerde spullen. Alleen het sap van de cajú (cashew) kwam uit Bolama. De rest – van flessen tot de verpakkingsstickers – werd per boot aangeleverd. Tot overmaat van ramp bleken de bittere cajú-appeltjes van Bolama niet geschikt voor limonade. Het resultaat was dat al snel de lonen niet meer konden worden opgebracht. Het personeel kwam in opstand en roofde de fabriek leeg, tot aan het isolatiemateriaal van het dak, waar nu nog enkele slierten aan hangen. Alleen de persmachines en een zware brandkluis gevuld met patroonhulzen bleven staan.

Elders in Bolama staat van het standbeeld van Ulysses Grant alleen de sokkel nog op zijn plaats. Het monument ter ere van de Amerikaanse president, die in 1870 als scheidsrechter optrad in een geschil tussen Engeland en Portugal om de rechten op Bolama, werd in 1974, het jaar dat Guinee-Bissau onafhankelijk werd, in stukken geslagen. Grant werd aangezien voor een Portugees, anders had men hem misschien met rust gelaten. Een monument dat Mussolini op het eiland liet plaatsen overleefde de beeldenstorm wel. Er valt dan ook weinig stuk te slaan aan het robuuste brok edelmetaal dat werd geplaatst ter herdenking van piloot Luigi Boca en zijn vier bemanningsleden die hier op 6 januari 1934 dodelijk verongelukten tijdens een recordpoging direct van Rome naar Rio de Janeiro te vliegen.

Guinee werd in 1446 ontdekt door de Portugese kapitein Nuno Tristão, die meteen om het leven kwam toen hij in de buurt van Bissau met pijlen werd beschoten. Eeuwenlang koloniseerden de Portugezen Guinee vanaf de veel verder gelegen Kaapverdische eilanden. Van 1879 tot 1941 was Bolama de hoofdstad van Guinee-Bissau. Op Bolama hadden de Portugezen een strategische plek, bij de monding van de Gebarivier, de toegangspoort tot de grote stad Bissau. Op de achterliggende archipel van bijna tachtig eilanden leefden de vreesaanjagende Bijagós, een volk dat de Portugese overheersing nooit accepteerde.

Op het roerige vasteland was het niet beter. Nergens anders in Portugees Afrika was er zo veel stug verzet. De Portugezen voerden de ene na de andere «pacificatiecampagne» uit. In 1936 werd het verzet op het eiland Canhabaque gebroken, waar de bevolking in opstand was gekomen tegen de belasting op de palhotas, de Afrikaanse hutten van klei en stro. De Bijagós werden gedwongen een aluminium plaatje te dragen waarop stond dat ze aan hun fiscale plichten hadden voldaan. Maar de innige haat tegen de overheerser bleef. In 1958 begon de paicg – het bevrijdingsfront van Guinee en de Kaapverdische eilanden – van Amílcar Cabral de strijd die uiteindelijk tot de onafhankelijkheid zou leiden.

«Bolama was vroeger een levendige stad», vertelt Tomás Sampaio, 84 jaar, terwijl hij vanaf de veranda van zijn huis mismoedig uitkijkt op wat rest van het voormalige Hotel Turismo. Hij is een zoon van Portugese immigranten en woont al heel zijn leven op Bolama. Zijn vader was een Portugese bestuursambtenaar toen Bolama nog de hoofdstad was van de kolonie. Sampaio is getrouwd met een drie keer zo jonge vrouw en heeft drie kinderen, van vier, zes en tien. Elke ochtend een koud bad is zijn geheim: «Vroeger deden de lantaarnpalen het, er was elektriciteit, de straten waren betegeld en er was volop leven in de stad. En moet je nu zien. De mensen hier zeggen: wij hebben de blanken verjaagd, we hebben ze niet meer nodig. In werkelijkheid is het hier sinds de onafhankelijkheid alleen maar bergafwaarts gegaan. Maar het staat in de profetieën: de blanke man zal ooit terugkomen op Bolama en het heft weer in handen nemen.»

De profetieën waar Tomás Sampaio aan refereert zijn de bevindingen van de plaatselijke magiërs van Bolama, die de toekomst zien bij het uitvoeren van de heilige offerrituelen. Dat is in Guinee-Bissau een uiterst relevante bezigheid. President João Bernardo Vieira groeide ook op in Bolama en laat zich naar verluidt dagelijks door tovenaars en profeten bijstaan.

De profetie van Bolama zou wel eens sneller in vervulling kunnen gaan dan de bevolking van het eiland kan bevroeden. Er is namelijk olie gevonden bij Bolama en op de achterliggende Bijagós-eilanden. De Brits-Amerikaanse oliemaatschappij Premier Oil heeft proefboringen gedaan en spreekt van «opwindende resultaten». Maar die «exciting results» van Premier Oil dreigen uit te monden in een ecologische nachtmerrie. De tachtig eilanden van de Bijagós, in 1998 door Unesco uitgeroepen tot «biosfeer-reserve» van de planeet vanwege de unieke flora en fauna, staan op het punt te worden opgeofferd aan de oliekoorts die momenteel heel West-Afrika in de ban heeft.

De Verenigde Staten, beu van de grillen van Hugo Chavez in Venezuela en de Arabische oliesjeiks, willen in 2025 maar liefst 25 procent van de binnenlandse oliebehoefte uit West-Afrika importeren. Nu dekt West-Afrika, met name Nigeria en Angola, nog vijftien procent van de Amerikaanse olieconsumptie. De afgelopen jaren zijn er langs de hele kust van West-Afrika, van Mauretanië tot Angola, nieuwe rijke olievelden gevonden. Nadat eerder bij de zuidelijker gelegen eilanden spectaculaire olievondsten waren gemeld, kwamen de Bijagós-eilanden in beeld. Voor de hele kust van Guinee-Bissau ligt olie, maar nergens zijn de geologische omstandigheden zo veelbelovend als hier.

Tal van oliemaatschappijen gingen in zee met staatsoliemaatschappij Petroguin. Premier Oil, een relatief kleine speler die voor 25 procent in handen is van het Amerikaanse Amereda Hess, ging met de concessie op de loop. Premier Oil sloot een contract met Petroguin met de clausule dat dertig procent van de opbrengsten uit de oliewinning op de Bijagós ten gunste van de Guineese staat zal komen. Voor de exploitatie ging Premier Oil een samenwerkingsverband aan met de Amerikaanse gigant Occidental Petroleum Corporation (beter bekend als Oxy) uit Houston, die veertig procent van de rechten op de olie overnam. De toekomstige oliewinning zal echter geheel in handen van Premier Oil komen.

Er is veel meer olie in de territoriale wateren van Guinee-Bissau, maar een groot deel daarvan wordt gedeeld met buurland Senegal en is naar verluidt van mindere kwaliteit dan de olie in de Bijagós. Geologische onderzoeken wijzen uit dat het voor Guinee-Bissau veel voordeliger is om de exploitatie van de met Senegal gedeelde olieplas zo lang mogelijk uit te stellen. De huidige verdeelsleutel, tot stand gekomen na eindeloze onderhandelingen tussen de beide landen, is dat 85 procent van die olie aan Senegal te beurt valt, tegen vijftien procent voor Guinee-Bissau. Door de fluctuatie van de bodemstructuur kan die verdeelsleutel in de toekomst in het voordeel van Guinee uitvallen. Ondertussen kan Guinee-Bissau al miljoenen opstrijken van de olie bij de Bijagós en Bolama. Bekommernis om de ecologische toekomst van de eilanden kent de regering niet. «Dat is een zorg voor internationale organisaties», zoals een lid van het kabinet van de regering vertrouwelijk mededeelt.

Premier Oil werd mondiaal berucht om de harmonieuze samenwerking met het dictatoriale regime in Birma en staat bekend als een maatschappij die de meest omstreden klussen in de oliewereld aanpakt, zoals de internationaal veel bekritiseerde exploitatie van gas in het beschermde natuurgebied Kirthar National Park in Pakistan. Volgens internationale milieugroepen werd deze licentie illegaal verworven.

Oxy beschikt evenmin over een clean record. De firma heeft projecten in het Peruaanse regenwoud en in Colombia. De rechten van lokale inheemse stammen worden er geschonden. Zo kreeg de Colombiaanse U’wa-stam, zeer gekant tegen de pijplijnen van Occidental op hun gewijde gronden, het regeringsleger over zich heen. Ook de Candoshi-indianen, die protesteerden tegen de concessies van Occidental voor oliewinning in de Peruaanse Amazone, kregen met de nodige repressie te maken. Geen bemoedigende precedenten voor wat de Bijagós de komende jaren te wachten staat.

De Bijagós, de grootste eilandengroep van West-Afrika, met meer dan tienduizend vierkante kilometer aan mangrovebossen, savannen en stranden, is een van de weinige plekken op aarde waar zoutwaternijlpaarden en zoutwaterkrokodillen rondzwemmen. De mangroven aan de kusten houden het zoute water op afstand, waardoor een uniek natuurlandschap is gevormd. De kameroendolfijn heeft hier zijn habitat, net als de bijzondere groene zeeschildpad. De Afrikaanse zeearend, de kroonkraanarend en de kleine pelikaan zijn al even vertrouwd. De archipel is eveneens een van de belangrijkste broedgebieden voor trekvogels uit Europa. Per jaar strijken er negenhonderdduizend vogels neer op de Bijagós, zoals de grutto, de tureluur, de tuimelaar, de dwergstern, de bontbekplevier, de kanoet en de krombekstrandloper. Vandaar dat de Bijagós-eilanden deel uitmaken van een vogelbeschermingprogramma van Duitsland, Denemarken en Nederland, verenigd in de Trilaterale Waddenzee Samenwerking.

De Bijagós-eilanden konden mede zo ongerept blijven dankzij de religieuze tradities van de bevolking. Voor de animistische Bijagós-stam is de natuur een tempel. Bepaalde eilanden mogen alleen worden bezocht door degenen die zijn geïnitieerd in de heilige riten van de stam, die zo’n 25.000 mensen telt. Slechts twintig van de tachtig eilanden worden permanent bewoond. De groene zeeschildpad op het eilandje Poilão, elders in de Atlantische Oceaan vrijwel uitgestorven, bleef op die manier op de Bijagós verzekerd van privacy bij het broeden.

Medio december 2005 was er in Bissau een grote conferentie gepland over de ecologische gevolgen van de oliewinning bij de Bijagós. De conferentie, waaraan onder meer het Wereld Natuurfonds zou deelnemen, werd op het laatste moment afgeblazen. Dit nadat president Vieira de organisatoren had laten weten «not amused» te zijn met het initiatief. Guinee-Bissau maakt met een miljard euro aan staatsschuld deel uit van de mondiale toptien van allerarmste landen en kan de oliedollars goed gebruiken. Ecologische doemscenario’s die de wereld verontrusten zijn daarbij niet opportuun. «In Guinee-Bissau is de discussie over de olie taboe», zoals onafhankelijk parlementslid Carlos Schwarz Silva het uitdrukt. Volgens ingewijden stapten vertegenwoordigers van Premier Oil, nadat ze van de plannen voor de conferentie hadden gehoord, naar de minister van Defensie. Deze stapte op zijn beurt naar de premier, die de president alarmeerde, en die liet via zijn kanalen weten dat er geen sprake kon zijn van een open debat over de oliekwestie.

De organisatoren hopen niettemin op een herkansing in de loop van dit jaar, vertelt Nelson Gomes Dias, een van de breinen achter het initiatief. Gomes Dias, landbouweconoom en ex-parlementariër, werkt voor de Franse milieugroep uicn en is een van de meest uitgesproken tegenstanders van de olieambities van de regering. «Guinee-Bissau heeft niets te winnen van de olie-industrie, alleen maar te verliezen», meent hij. «Kijk maar naar de landen in de regio waar al olie-industrie is. De bevolking schiet er niets mee op. Het personeel komt van buiten, het geld gaat naar buiten. De olie-industrie is in West-Afrika nog nooit met respect met de omgeving omgegaan, zie de vervuiling van de Nigerdelta, waarvoor Shell verantwoordelijk is. Premier Oil probeert zich hier te afficheren als een firma die behoedzaam omspringt met het milieu. Dat zou in Afrika een primeur zijn. Oliewinning zonder vervuiling kan wel degelijk, maar kost extra, en ik zie de oliewereld die investering niet doen. Wel in Noorwegen of Finland, maar niet in Afrika.»

Olievervuiling zou volgens Nelson Dias ook dramatische consequenties kunnen hebben voor de visvangst, goed voor zeventig procent van de economie: «Guinee-Bissau zou veel meer kunnen verdienen aan de visvangst. Het probleem is dat de visserij nauwelijks is ontwikkeld. Onze territoriale wateren worden voortdurend geschonden door grote vissersvloten uit Europa, Azië en Afrikaanse buurlanden, met name Senegal en Guinee-Konakry. Dit land heeft bovendien de wereld nog zo veel meer te bieden. Garnalen, cashewnoten, mango’s, oesters: dit land loopt over van voedsel. Midden in de oorlog, toen de import geheel stil lag, aten we hier bakken oesters en dronken we palmwijn. Het probleem is dat we het niet aan het buitenland kunnen verkopen, tenminste niet tegen een eerlijke prijs. Zo heeft Guinee-Bissau de beste rijst van de wereld. Alleen kost het te veel om de rijst naar de stad te brengen, mede dankzij het feit dat de wegen bijna allemaal in deplorabele staat zijn. Het gevolg is dat onze rijstvelden worden kaalgevreten door ratten en vogels, terwijl er goedkopere rijst uit Thailand en Indonesië wordt geïmporteerd.»

Dias hoopt desondanks nog steeds dat een ecologische nachtmerrie kan worden afgewend: «Een paar jaar geleden had een Spaanse firma plannen om op Bolama een sloopbedrijf voor schepen te vestigen. De contracten met de regering waren al getekend. Het zou dramatische consequenties hebben gehad, want deze industrie leidt onvermijdelijk tot vervuiling met kwik en asbest en andere giftige stoffen. Uiteindelijk ging het project toch niet door, nadat een Greenpeace-video was vertoond over de ecologische gevolgen van de scheepsontmanteling. De mensen die de film zagen begonnen te huilen en te schreeuwen, en zo werd de regering gedwongen om de Spanjaarden nee te verkopen.»

Het oude centrum van de macht in Bissau, het presidentiële paleis, staat zo goed als leeg. Het biedt slechts onderdak aan een grote kolonie vleermuizen. De laatste officiële bewoner van het paleis in de 350.000 inwoners tellende hoofdstad van Guinee-Bissau was Kumba Ialá, die in 2003 bij een staatsgreep van het leger werd afgezet. Kumba, een behendige demagoog die door diplomaten in Bissau wordt omschreven als «een man met ernstige stemmingswisselingen», deed in 2005 nog een poging het presidentspaleis gewapenderhand te heroveren. De vele kogelgaten in het pand getuigen van die laatste episode, de zoveelste akte van de bloedige broedersage die zich sinds de onafhankelijkheid meester maakte van het voormalige verzet tegen de Portugezen.

De Amerikaanse ambassade, zes jaar geleden gesloten vanwege de burgeroorlog die dat jaar opvlamde, staat daarentegen juist op het punt van heropening. En Premier Oil is een goodwillcampagne begonnen. De firma schonk geld voor de renovatie van de kinderkliniek van ’s lands grootste ziekenhuis, waar een gebrek aan van alles en nog wat heerst. Topman Charles Jamieson kwam de kraamkliniek eind 2004 persoonlijk inwijden. «De inkomsten van enige commerciële olieproductie in West-Afrika kunnen de levens van sommige van ’s werelds armste volkeren veranderen», zei hij. «Premier streeft ernaar dat dit ook in Guinee-Bissau het geval zal zijn.»

Parlementariër Carlos Schwartz is minder optimistisch. Het grote probleem is volgens hem dat Guinee-Bissau na meer dan dertig jaar onafhankelijkheid nog steeds wordt gerund als een Spartaanse vechtstaat. Het leger is oppermachtig en eigent zich grote vrijheden toe. Bijvoorbeeld in de internationale drugshandel, die volgens een recent VN-rapport een belangrijk doorvoerpunt heeft gevonden in Guinee-Bissau, waar speedboten vol met cocaïne uit Zuid-Amerika een veilige haven vinden in de eindeloze delta’s van de Bijagós. «De guerrillamentaliteit is na het vertrek van de Portugezen gebleven», aldus Schwarz. «Bij gebrek aan een collectieve vijand leefden de tribale tegenstellingen op en begonnen de leiders elkaar naar het leven te staan. Dat begon al in 1973, toen Amílcar Cabral, leider van de paigc, door zijn eigen lijfwacht werd vermoord, en loopt door tot de dag van vandaag.» De strijd om de oliewinsten vergroot die instabiliteit alleen maar.

Carlos Schwarz: «President Nino en Kumba hebben nu tijdelijk een deal gesloten. Kumba is momenteel in vrijwillige ballingschap, naar men zegt in Libië of in Marokko, maar het zal niet lang duren of hij zal terugkomen. Als leider van de Balanta-stam, de grootste in Guinee, is hij een te vrezen tegenstander. Dat is een tijdbom voor Nino, die zijn positie vooral te danken heeft aan het feit dat de Amerikanen hem de hand boven het hoofd houden. Zodra er meer zicht is op de te verwachten oliewinsten zal de strijd naar te vrezen valt weer oplaaien.»


Deze reportage kwam tot stand dankzij een bijdrage van HIVOS