Olifanteleven

Waarschijnlijk is er geen dier dat niet mag meedoen op het schouwtoneel waar Toon Tellegen de regie voert: de mug en de mol, de wandelende tak en de potvis, het nijlpaard, de egel en de slak. Naast de hoofdrolspelers eekhoorn en mier is in elk geval een glansrol weggelegd voor de olifant. Deze gaat over tot de merkwaardigste acties, waaronder op de slurf staan, schuilen in het huis van de slak en een dansje maken met de eekhoorn bovenin een beukenboom. En waar hij zich nog het allermeest mee bezighoudt, is veel en hard vallen.

Bij mijn weten is de olifant ook het enige dier dat aan de auteur een naam heeft weten te ontfutselen. Drie jaar geleden was er ineens Jannes, een kleine grijze slurfmans die in een wereld van uitsluitend olifanten samen met zijn moeder een tevreden bestaan leidt dat precies op dat van een mensenkleuter lijkt. Peter Vos tekende hem dan ook in tuinbroek met omgerolde pijpen en moeder in een lange soepjurk.
Heel anders is het gesteld met olifant Teunis uit Tellegens gelijknamige nieuwe boek. Op het omslag laat Jan Jutte hem rondmarcheren op vier poten en in zijn blote vel, terwijl hij omgeven is door buitengewoon aangeklede personen, die zich duidelijk van hem afkeren.
Die tekening klopt precies: Teunis wandelt alleen, want hij is anders. Afgezien van zijn ouders is iedereen om hem heen mens. De hele dag is Teunis bezig met mensendingen. Hij gaat naar school, naar het museum, naar het strand en naar muziekles, waar de praktische juf hem verlost van de blokfluit en lekker laat trompetteren.
Toch is hij in de eerste plaats olifant. Soms is dat een voordeel - hij kan enorm voetballen en lastige meneren tilt hij gewoon eventjes op -, maar vaker brengt het zorgen. Het uit de grond rukken van een appetijtelijk rozenstruikje bijvoorbeeld wordt niet op prijs gesteld en na het passen van een nieuwe jas verlaat de jeugdige olifant de winkel in een gordijn met ceintuur eromheen, de juffrouw achterlatend in de ravage van een uit de naad gescheurde wintercollectie. Het levert ruige taferelen op, waar Jan Jutte nog eens een schepje bovenop doet met zijn vrolijke, karikaturale tekeningen.
Maar zoals het een goed Tellegen-personage betaamt, heeft Teunis nog het meest last van de gedachten over zijn ‘olifantschap’. Hij piekert over zijn identiteit - krankzinnige scène over een toneelstukje op school waarin Teunis zich verkleedt als jongen en ene Willem zich een kartonnen slurf en wapperoren aanmeet - en wil hoe dan ook niet ongewoon zijn. Wanhopig zoekt hij naar een rolmodel, maar vader olifant bestaat is altijd op reis om zeldzame mensen te ontdekken en de vermoedelijke soortgenoot die hij op straat ziet lopen, probeert uit alle macht zijn slurf en oren te verdoezelen.
Het olifantschap van Jannes was alleen maar mal, een soort uit de hand gelopen net-alsofspel. Toen het Jannes niet meer beviel, stapte hij gewoon over naar een nijlpaardenwereld. Die uitwijkmogelijkheid is Teunis niet gegeven. Hij zal met zijn anders-zijn moeten leren leven en daarmee krijgen de grappige, soms slapstickachtige verhaaltjes over zijn bestaan een donker randje. Teunis maakt ons duidelijk waarom de olifant het tellegensiaanse dier bij uitstek is: hoe de slurf ook krult, de grondkleur blijft grijs.