Menno Hurenkamp

Olifanten jagen

Afgelopen weekend was het einde van 1910. Op de dag dat prins Bernhard werd bijgezet, overleed mijn schoongrootmoeder. 24 uur later stierf in Wenen mijn laatste oudtante. Exact tien jaar nadat mijn grootvader overleed. Ze waren allemaal rond dat zelfde jaar geboren. Het moeten de feest dagen zijn – «Niet weer dat circus…» Het geeft een leeg gevoel. Niet omdat de dood een groot onrecht is, deze mensen hadden het recht om te gaan. Maar ze vertegenwoordigden een tijd waarin de wereld nog niet door iedereen ontdekt was. Toen deze mannen op jacht naar olifanten over de wereld reisden was dat nog bijzonder. Toen deze vrouwen naar de opera gingen lag Die Zauberflöte nog niet bij het Kruidvat. Maar wie nu de komende winter niet bij wijze van kerstontspanning in een ballon over een Afrikaans wildpark vliegt is ronduit een superloser. Laat dat valse romantiek zijn of elitair geleuter. Er gaat ook iets anders, en veel belangrijkers, verloren. Er verdwijnt een generatie die tegen wil en dank plechtanker van de relativering is geworden.

De negentigers van nu zagen niet één, maar twee wereldoorlogen, en veelal ook serieuze revoluties. Een van de consequenties was dat zij vaak aan verschillende kanten van de lijn hebben gestaan. Bernhard was alles tussen Pruis, gedreven patriot, verzetsstrijder en militaristische dwaas. Mijn grootvader was een avonturier toen hij noodgedwongen afreisde naar Nederlands Indië om daar uit het niets iets op te bouwen. Hij was een koloniale uitbuiter toen het misging. Mijn schoongrootmoeder was in revolutionair Rusland te bevoorrecht om te deugen en in bezet Nederland te joods. Mijn tante was in het Turkse Smyrna te Grieks en in het door Russen bezette Wenen verdacht. Ze zijn allemaal herhaaldelijk fout geweest – in de ogen van anderen. Opgesloten, opgejaagd, genegeerd, want fout. Ze deugden niet, totdat er een andere machthebber kwam, of totdat de ergernis over hun fouten verjaarde. Dat leerde deze generatie hoe verraderlijk het werkwoord deugen is. Deugen ging niet over hoe je jezelf beoordeelde. Een ander bepaalde of jij deugde. Goed of fout bleek niet de betrouwbaarste graadmeter van beschaving.

Dat besef is een krachtig commentaar op veel idealisme. Als iets de blijvende boodschap van deze generatie is, dan dit: overleven en toch manieren tonen is al heel wat. Ik hoor het ze zeggen. Let wel, het gaat hier niet om de fatsoensnormen van Balkenende – maar om die van mensen die zélf gevochten hebben. Criteria als jezelf kunnen redden of anderen in hun waarde laten dienen niet om elkaar af te straffen, maar om vast te stellen waar je zelf staat, of je nog wel in een menselijke omgeving leeft.

De natuurkundige Newton zei: als ik ver kon zien komt dat omdat ik op de schouders van reuzen ben gaan staan. Ik heb de indruk dat we met een generatie als deze ook op de schouders van grote mensen staan, maar het lijkt alsof we naar beneden kijken in plaats van vooruit. Uit de kranten spettert dagelijks een verlangen naar zuiverheid. Deugen is weer helemaal hot, en fouteriken ontdekken ook. (Inderdaad, Geert Wilders is Bambi vergeleken met Bernhards opvattingen.) De les dat iets minimaals als het tonen van uiterlijk respect beter en aangenamer is dan ons jonkies’ verlangen naar reinheid gaan we gewoon weer leren.