Olifantendans

Doeschka Meijsing, De weg naar Caviano. Uitgeverij Querido, 192 blz., 334,90
IS ER EEN boek over vriendschap denkbaar zonder dat er tussen de regels een zin of zelfs maar een woord knipoogt naar het omvangrijke oeuvre van de grote Shakespeare? Volgens Doeschka Meijsing niet, zo blijkt uit haar nieuwe roman De weg naar Caviano, waarin ze dit thema met raffinement bespeelt. En ongelijk kun je haar niet geven. De onsterfelijke grootmeester van het theater heeft in zijn toneelstukken als geen ander het verbond van de vriendschap met al haar intimiteiten en hartstochten, haar listen en lagen, verwervings- en bezitsdrang, met haar verlangen om op elkaar te lijken tot op het bot ontleed.

De onbenoembare kracht die mensen aan elkaar bindt en die een vriendschap onwankelbaar doet lijken, houdt slechts stand voor zover wat samen verlangd ook samen gedeeld wordt. Zodra dat niet langer meer het geval is, zo gauw de ban gebroken is, kan vriendschap van het ene moment op het andere omslaan in onverzoenlijke haat. Niet alleen Shakespeare maar ook de Griekse tragediespelers waren zich ervan bewust dat tussen harmonie en onenigheid, tussen eensgezindheid en conflict, een volmaakte continuïteit bestaat die een onuitputtelijke inspiratiebron is van poëtische paradoxen.
Elke auteur die ernaar streeft om zich aan de waan van de dag te onttrekken, die zich niet laat doldraaien door wat de mode voorschrijft, zal zich vroeg of laat het donkere labyrint van hartstochten en conflicten binnen moeten schrijven. Dat is wat gebeurt in De weg naar Caviano, een boek vol tweesprongen en zijsporen, een dwaaltocht naar de verwarringen in het leven en het wankel evenwicht van de vriendschap.
DOESCHKA MEIJSING beschrijft in haar nieuwe roman de lotgevallen van zeven mensen die ooit een uiterst hechte band met elkaar hadden. In de eerste zin van het boek heten ze zelfs ‘gezworenen’. Centrale figuur in dat gezelschap was Kate, 'van wie iedereen wel moest houden, of je het wilde of niet’. Kate is een karakter met snel en sterk wisselende stemmingen. Ze is vooral verzot op toneelspelen. Haar naam brengt niet toevallig de hoofdrolspeelster uit De getemde feeks in herinnering. Het is een stuk waarin Shakespeare het toneelspelen zelf onder de loep neemt, en daarmee het spel dat mensen in de ernst van het volle leven met elkaar spelen. Het belicht hun maskerades, hun manier van praten en omgang met problemen, hun vormen van humor en de plaats van drama en melodrama in hun leven. Dezelfde zaken weeft Meijsing als een onnadrukkelijk patroon door haar boek heen, om ze vervolgens als lakmoesproef te gebruiken in haar onderzoek naar vriendschapsverbanden.
In De getemde feeks brengt Shakespeare alle vormen van vriendschap en liefde bij elkaar die er maar kunnen bestaan, en dwars door die bonte mengeling heen ontbrandt tussen Katharina en Petruchio de echte liefde als een niet te stuiten stroom van gevoelens. Dat geluk zal Kate niet beschoren zijn, hoezeer ze er ook op heeft gehoopt: de liefde die ze voor Eliza - een van de andere leden uit de vriendenclub - opvat, blijft onbeantwoord.
Haar geluk beleeft ze elders, in wat Doeschka Meijsing ooit de essentie van het toneelspel noemde, de mogelijkheid om - al is het slechts voor even - geheel op te kunnen gaan in een ander, de ander te zijn. Die metamorfose heeft haar legitimiteit gekregen in de twintigste eeuw, 'die de tot dan toe onwrikbare afspraken over stands- en sekseonderscheid in kledij doortrok: Marlene Dietrich bezocht de uitgaansgelegenheden Mon Bijou, de Mon Oncle Bar en Café des Westens in Berlijn in smoking; Barbra Streisand was als Yentl overtuigender dan in welke vrouwenrol ook; omdat Hamlet volgens de vroeg-freudiaanse geleerden een weifelachtig en dus vrouwelijk karakter had, gebeurde dat Sarah Bernhardt in 1899 en Asta Nielsen in 1920 de rol vervulden van de Deense prins, en Laurence Olivier schitterde in zijn jonge jaren als Katharina in The Taming of the Shrew. Kate had feilloos de plek gevonden waar ze kon zijn wat ze wilde zijn, juist door telkens iemand anders te zijn: het toneel.’
Haar leven is daardoor een pendelbeweging gekomen: 'Verlangen is voortdurende beweging, van pijn naar verrukking en weer terug. Ik beweeg in mijn personages en in de terugweg naar mezelf, van mannenrol naar vrouwenrol en weer terug, van isolement naar liefde en weer terug.’
Dat vermogen moet haar tot de bindende factor van het zevental hebben gemaakt. Wanneer ze bij een tweedaagse tocht plotseling verdwijnt, hoogstwaarschijnlijk door een val in een kloof - haar lichaam zal nooit worden teruggevonden - betekent haar wegvallen uit het gezelschap meteen de doodklap voor de vriendschappelijke verhoudingen tussen de achterblijvers. Al beseffen ze dat op de moeilijke dagen na de tragedie nog allerminst.
Vijf jaar later ligt plotseling alles anders en zal blijken hoezeer Kates afwezigheid de continuïteit heeft doorbroken en elk van de vrienden met zichzelf heeft geconfronteerd. Men ontmoet elkaar dan opnieuw in hetzelfde huis aan het Lago Maggiore waar het eerder samenzijn zo dramatisch eindigde. Met de bedoeling om terug te kijken en gevoelens te verwerken, maar al snel is duidelijk dat die inmiddels voorgoed versplinterd zijn.
De invitatie is uitgegaan van een relatieve buitenstaander, de schrijver van het verhaal, geen 'gezworene’ maar wel de enige die erbij was toen Kate verdween. Dat feit alleen al maakt zijn verzoek suspect. Dat hij vervolgens op de eerste avond bekent hen nodig te hebben voor zijn boek, maakt het wantrouwen alleen maar groter.
HET VERHAAL in De weg naar Caviano wordt in twee delen verteld. In de eerste negen hoofdstukken geeft Doeschka Meijsing, subtiel de balans zoekend tussen afstand nemen en betrokkenheid tonen, een overzichtelijke samenvatting van de manier waarop haar personages zich hun levens en hun onderlinge verhoudingen herinneren.
De schrijver leidt de reidans. Na hem komen achtereenvolgens Philippus, Mourits, Mar, Tijl, Joep, Elisa, Jona en Kate elk met hun eigen verhaal. Joep is de hond, de stomme getuige die een feilloze antenne heeft voor wat zich om hem heen afspeelt en op die manier een gevoelig commentator bij de gebeurtenissen. De zes anderen zijn deels intellectuelen.
Deel twee doet verslag van de 'zeven leugenachtige dagen’ die de reünie duurt. Iedereen is inmiddels aan de herfst van zijn leven begonnen, definitief op de helling van de tijd gezet. Daardoor heeft hun realisme aan kracht gewonnen, maar de idylle van de vriendschap die ooit de onderlinge conflicten en misrekeningen gemakkelijk doorstond, blijkt definitief verstoord. Hun gemoedstoestand contrasteert niet weinig met de sereniteit van de omgeving waarin ze verblijven, het prachtige landschap rondom het meer, getooid in zijn mooiste kleurenpracht, en het meer zelf dat er diepblauw en rimpelloos bij ligt.
Er spelen ineens allerlei gevoelens die er vroeger nooit zijn geweest en die door Doeschka Meijsing trefzeker en vol mededogen worden doorgelicht. Ongemak, behoedzaamheid, schaamte, verharding en weerstand steken de kop op. Hun onderlinge relaties die tot dan toe vooral het karakter droegen van een publiek geheim, gaan hun steeds meer in de weg zitten. Het huis van samenkomst krijgt langzaam maar zeker de kilte van een grafkelder, de bijeenkomst verandert in een huiveringwekkend dodenfeest waaruit iedereen beschadigd te voorschijn zal komen. De vrienden worden als de olifanten die Philippus op het perron van Bellinzona uit de beestenwagons ziet stappen: 'grote lijven vol geheugen en kennis, die zich schurend en ongemakkelijk op weg bevonden naar een onbestemde plaats waar de wereld vreemd en nietszeggend zou zijn.’
De meest gracieuze kracht van de olifant zit in zijn dansende poten. Wat mij betreft had Doeschka Meijsing de met levenszwaarte gevulde lijven uit de roman wat meer mogen laten dansen.