Kunst: Rainbow Nation

Olifantengeheugen

De grote zomertentoonstelling van Den Haag Sculptuur en Museum Beelden aan Zee, The Rainbow Nation toont een vijftigtal grote werken van beeldhouwers uit Zuid-Afrika, werkzaam in de afgelopen zestig jaar. Die periode bestrijkt de hele naoorlogse apartheid, de omwenteling van 1994 en de rumoerige transformaties daarna, die maar al te graag als ‘vreedzaam’ worden aangemerkt.

Het is goed van de samenstellers om die eerste periode er nadrukkelijk bij te nemen. Er wordt zelfs een gebaar gemaakt naar het begin van de twintigste eeuw, met twee werken van Anton van Wouw (1862-1945), een Nederlandse beeldhouwer die geldt als de vader van de Zuid-Afrikaanse beeldhouwkunst; het zou oneerlijk zijn hem weg te laten. Het is immers onloochenbaar dat Zuid-Afrika het grootste deel van de twintigste eeuw een westers land was, met kunstonderwijs en een kunstmarkt die op westerse leest waren geschoeid. Kunstenaars als Edoardo Villa (1915-2011), die werkte in een Moore-achtige stijl, horen bij het panorama.

De ‘moderniteit’ van Afrikaanse kunst is een heikel onderwerp, enigszins vergelijkbaar met de discussie over het oriëntalisme, zoals geëntameerd door Edward Said. Wat is ‘modern’ en wat is ‘traditioneel’, en kun je die termen wel bezigen zonder uit te gaan van een westerse context, waardoor de mogelijkheid van een authentieke ontwikkeling al meteen lijkt uitgesloten? De tentoonstelling Africa Explores (New York, 1991) toonde hedendaagse Afrikaanse kunst in een context van ‘neoprimitivisme’, waarbij authentieke ‘tribale’ kunst werd gepresenteerd als ‘buiksprekers van een groots verleden’, een nadrukkelijk niet-modernistische traditie, dus. The Short Century: Modernity, Modernism, and African Art (PS1, New York, 2001), van curator Okwui Enwezor legde de kracht van Afrikaanse kunst juist in het formuleren van een eigen ‘modernisme’, in een post-koloniale kunstpraktijk, in reactie op de westerse context. In beide gevallen vonden met name Afrikaanse critici die kaders ontoereikend, of zelfs verdacht.

In Zuid-Afrika wordt die discussie scherp gevoerd. Een kunstenaar als Jane Alexander (1959) maakte indruk tijdens de Biënnale van Venetië in 1995 met The Butcher Boys, drie monsterachtige mensenfiguren, belichamingen van een wreed systeem – een werk dat door het Zuid-Afrikaanse Nationaal Museum trots werd aangekocht. Haar generatiegenoot Andries Botha (1952) legt zich toe op het maken van grote olifanten, van alle mogelijke materialen, in nauwe samenwerking met zes jonge Afrikaanse beeldhouwers. Ook dat werk blijkt politiek beladen, maar dan anders: drie van zijn olifanten werden in Durban vernield, omdat een lokale anc-bestuurder meende dat zij symbool stonden voor de Inkatha Freedom Party. De gemeente Durban had opdracht gegeven voor het werk, maar trok zijn handen ervan af.

Het overzicht dat in Den Haag wordt geboden is breed en de keuzes zijn interessant. De beeldhouwers zijn niet bang voor een groot gebaar, en er is een bijna ouderwetse hang naar vertoon van het ‘nobele’ van de fysiek van de zwarte Afrikaan en diens tradities. Er zitten grote namen onder, zoals William Kentridge, die weinig introductie behoeven; er is ook een belangrijk aantal kunstenaars zoals Nandipha Mntambo en Nicolas Hlobo, die internationaal aan de weg timmeren maar in Nederland nog nauwelijks te zien zijn geweest. Het devies dat aan dat alles gegeven is, ‘ze zochten en hervonden hun identiteit, die geworteld is in cultuur en tradities’, lijkt mij echter voer voor debat.

The Rainbow Nation. 29 mei-9 september Lange Voorhout, Den Haag, 8 juni-30 september Museum Beelden aan Zee, Scheveningen