Groen

Olijfboomvers

Na afloop van een jeugddichtersgebeuren in de Overste Hof te Landgraaf vroeg iemand namens de directie aan dichter Ted van Lieshout of hij een ode wilde schrijven op de zeventienhonderd jaar oude olijfboom die er in een houten kuip op de koer staat. ‘Ik zal eens zien’, zei Van Lieshout en vertikte het vervolgens; hij voelde blijkbaar geen enkele affiniteit met die eeuwenoude olijfboom. Ik stond erbij en keek er verlangend naar. Onlangs verweet hij mij dat ik in de trein terug naar Amsterdam ‘onmiddellijk ging zitten rijmen en dichten zonder je hemd op te lichten’, waardoor hij dacht: laat die Bakker maar.
Na intensief en verwarrend e-mailcontact tussen Van Lieshout (die zich opwierp als mijn zaakwaarnemer, vooral ook omdat de directie van de Overste Hof niet wist wie ik dan wel was) en de betreffende directie werd overeengekomen dat het gedicht dat ik schreef op een koperen plaquette zou worden gezet, die vervolgens op de kuip waarin de olijfboom staat zou worden geschroefd. Van Lieshout mailde het gedicht door, met mij was nog steeds geen contact geweest. Ik zou er 150 euro voor vangen. Vervolgens kreeg ik één mail van de directie: of ik even het rekeningnummer van Van Lieshout door kon geven, zodat ze het geld konden overmaken. Ik heb ze toen gemaild dat ik hem best wat geld gun, maar dat ik er toch prijs op stelde dat het geld aan mij werd overgemaakt. Ook meldde ik dat het gedicht dus van mijn hand was. Antwoord kreeg ik niet, wel werd het geld overgemaakt. Van Lieshout wilde honderd procent courtage voor zijn inspanningen. Die heb ik hem natuurlijk niet betaald, ik heb simpelweg ‘Bedankt, hè!’ gezegd.
Nu zit ik te wachten op een feestelijke onthulling. Die zal er toch wel komen? Met lekkere Limburgse hapjes en champagne? Ik weet vrijwel zeker dat er onder het gedicht, dat het vooral moet hebben van de vorm (een olijfkruin, een stam en een kuip), in gestanst koper, dus onuitwisbaar, Ted van Lieshout zal staan. Wat die boom natuurlijk een rotzorg zal wezen.