Film

Oliver de Grote

Film: Alexander van Oliver Stone

De kritieken op Oliver Stones film over Alexander de Grote waren niet mals: van Los Angeles tot Amsterdam vond men het een jammerlijke mislukking, een grotesk voorbeeld van wat er gebeurt wanneer Hollywood met de ge schiedenis aan de haal gaat. Na de hype is het interessant «on ge stoord» naar Alexander te kijken, nu het werk op dvd verschijnt. In deze context krijgen de gestoorde draai die Stone aan de historie geeft en het feit dat hij Amerikaanse B-acteurs gebruikt om klassieke rollen te vertolken opeens iets intrigerends. Niet in de zin van: het is zo slecht dat het wel goed is. Meer als begeesterde keuzes van een eigenzinnige kunstenaar.

Neem Angelina Jolie als Alexanders moeder Olympias. Het is ondenkbaar dat Stone deze actrice, die vooral in domme actiefilms speelt, zou hebben gekozen vanwege haar acteertalent. Dezelfde vraag rijst aanvankelijk over de keuze van de mannelijke hoofdrol: Colin Farrell als Alexander. Tot nog toe heeft hij naam gemaakt als opkomend sterretje in formule films. Wat is er aan de hand? Waarom Jolie en Farrell?

De meeste films van Oliver Stone hebben een sterke connectie met het culturele moment: de jacht naar rijkdom van de jaren tachtig (Wall Street), de paranoia van de jaren negentig (JFK) en de obsessie met de nouvelle violence aan het einde van hetzelfde de cennium (Natural Born Killers). Bij zijn verbintenis met de actualiteit past het om iconische acteurs te casten: mooie jongens als Johnny Depp en Charlie Sheen of sit com acteurs als Woody Harrelson en Juliette Lewis. Het is alsof Stone erop rekent dat de kijker met voorkennis zal reageren op een acteur. Evenals Charlie Sheen en Woody Harrelson kan Angelina Jolie op geen enkele manier acteren. Zij is wel de perfecte Olympias. Net als in Alexander neemt zij ook in het echte leven de archetypische gedaanten aan van moeder én seks symbool. Dat doet zij enerzijds door haar werk als voorvechter van vluchtelingenrechten, en anderzijds door met opgeblazen borsten te spelen in de Tomb Raider-films.

En Farrell: in de media heeft hij het imago van een rokend, zuipend enfant terrible en rokken jager bij uitstek. Niet bij Stone. Hier kan hij opeens acteren, hier is hij zo goed dat hij wel Shakespeare lijkt te kunnen spelen. Wanneer hij zijn mannen toespreekt vlak voor de eerste Perzische veldslag verbeeld je je Laurence Olivier te horen tijdens de slag bij Agincourt in zijn Henry V uit 1945.

Waar Alexander inderdaad aan mank gaat, is de slordige narratieve stijl die eigenlijk alle Stone-films, uitgezonderd JFK, ontsiert. De kritiek dat Stone de motivering van zijn Alexander niet of nauwelijks uitwerkt, is dus terecht. Hier staat tegenover dat de vorm geving van het werk adembenemend mooi is: de veldslagen zijn onvergetelijk en Babylon is een hoogstandje van set design. Iets om vooral op te letten – en dat kan mooi met de terugspoelknop van de dvd-speler – is Stones subtiele, maar radicale redigeerstijl. Voorbeeld: tijdens een verhitte discussie tussen Alexander en zijn politieke vijanden gebruikt Stone een beeldsprong in de tijd om te laten zien hoe een foute politicus over luttele seconden zal reageren. Het effect is confronterend; bijna als in een horrorfilm krijgt de kijker direct toegang tot de gedachtewereld van een personage. Alexander is typisch Stone. En de film is beter dan de slechte kritieken doen geloven. Het is zo’n werk dat over twintig jaar laat op de zondagavond op BBC 2 zal worden uitgezonden, compleet met commentaar en analyse, en waarvan je na het kijken zal zeggen: wat is het eigenlijk iets groots, deze Stone.

Alexander is uit op dvd