Oliver sacks ‘ik weet niet precies wat ik aan het doen ben’

Oliver Sacks, Een antropoloog op Mars: Zeven paradoxale verhalen. Vertaling Hans Visserman. Uitg. Meulenhoff, 376 blz., f45,-
‘NEE, IK WEET niet waar ik mijn populariteit aan te danken heb. En ook niet wie mijn lezers zijn. Ik heb ook geen lezers in gedachten als ik schrijf.’

Oliver Sacks, hoogleraar neurologie in New York, is in Nederland vooral bekend geworden door zijn vorige boek, De man die zijn vrouw voor een hoed hield, een boek vol buitenissige ziektegeschiedenissen dat wekenlang in de non-fictie top-tien stond. In zijn nieuwste boek, Een antropoloog op Mars, legt Sacks er sterk de nadruk op hoezeer de hersenen in staat zijn zich aan te passen aan stoornissen. Zo is er de geschiedenis van een kunstschilder die na een verkeersongeluk volledig kleurenblind wordt. Aan zijn ogen blijkt niets te mankeren, maar ergens in zijn hersenen werkt iets niet meer. In de loop van de tijd die op het ongeluk volgt, verliest de man behalve de waarneming van kleur ook de herinnering eraan. Als hij zich bij dit gegeven neerlegt en in zwart- wit gaat schilderen, gaat er een nieuwe wereld voor hem open. Na een paar jaar gaat hij het zelfs als een voorrecht beschouwen dat hij een wereld van louter vorm ziet, niet verward door kleuren. Kleur is als het ware uit zijn hersenen verdwenen.
Sacks: ‘Negenennegentig procent van wat ik schrijf, wordt niet gepubliceerd. Ik schrijf ziekenhuisverslagen, ik maak aantekeningen in dagboeken, ik schrijf brieven - iets in mij heeft de behoefte ervaringen, vooral als die buitengewoon zijn, opnieuw te ondergaan, maar dan in gedachten, in taal. Het lijkt wel of ik ze dan pas kan vatten. Wat ik schrijf in mijn brieven en dagboeken en verslagen verschilt niet veel van wat er in mijn boeken te lezen is. Ik heb gemerkt dat ik, voor ik aan een boek begin, vaak een uitbarsting heb in het schrijven van brieven aan vrienden. Een boek is als het ware een brief aan iedereen.’
'IK DOE GEEN pogingen om literair te schrijven - wat dat ook mag betekenen. Ik geloof ook niet dat ik mooi schrijf. Het is vaak ruw, het schiet soms haastig vooruit en staat dan weer stil, ik maak fouten in de grammatica. Ik kan mijn teksten ook nooit met rust laten, ik blijf in de weer met voetnoten en naschriften. Het is al met al heel slordig. Zoals ik zelf slordig ben.’
'Er zijn naar aanleiding van mijn werk toneelstukken gemaakt, onder meer door Harold Pinter. Misschien heb ik geholpen de neteligheden en de wisselvalligheden van de neurologie onder de aandacht te brengen van kunstenaars en schrijvers, heb ik hun verbeelding geprikkeld. Daar ben ik verheugd om, want zo kan het scala van onderwerpen in de literatuur - dat al oneindig groot is - misschien nog een klein beetje vergroot worden.
J. L. Borges heeft eens een verhaal geschreven dat sterk leek op een studie van de Russische neuropsycholoog Alexander Luria. Zowel Borges als Luria beschreven iemand die de gave - of liever: de kwelling - had van een geweldig geheugen met een grote beeldenrijkdom. Beiden konden die stroom van beelden niet stopzetten, ze werden er zo door overweldigd dat ze niet in slaap konden komen, behalve als ze zich voorstelden dat ze op de bodem van een rivier lagen en langzaam bedekt raakten met modder. Ik was getroffen door de grote gelijkenis tussen de twee beschrijvingen. Het verhaal van Borges stamt uit 1943; de studie van Luria verscheen in 1968, maar het onderzoek dat erin beschreven werd, was in de jaren dertig uitgevoerd. Misschien is er toen ook al iets over gepubliceerd. Maar misschien is het ook wel gewoon zo dat de gevoeligheid van een Argentijnse dichter en de onderzoekingen van een Sovjetpsycholoog onafhankelijk van elkaar tot hetzelfde hebben geleid. Er is een gebied dat met wetenschappelijke methoden benaderd kan worden en met artistieke middelen. Dat is ook het gebied waar ik belangstelling voor heb: de individuele ervaring van iets zeer uitzonderlijks, iets wat het gewone verre te buiten gaat.’
'Ik denk dat de ziektegeschiedenissen die ik beschrijf, vragen opwerpen over “gezonde” mensen. Neem de slaapziekte waarover een van mijn eerste boeken, Awakenings, gaat. Die ziekte hield de patienten al dertig of veertig jaar van de wereld. Aanvankelijk werd er over die ziekte gedacht in chemische termen: de hersens krijgen niet genoeg dopamine en daarom geven we de patienten een dosis L-dopa. Dat werkte, de patienten ontwaakten.
Maar vervolgens bleek dat de patienten nog met iets anders zaten: hun bewustzijn, hun identiteit hoorde bij een voorbije tijd. En patient zei: “Ik weet dat het 1969 is, maar ik voel dat het 1926 is. Alles wat betekenis voor me had, is verdwenen.” Met L-dopa konden die mensen niet aan een stabiel leven geholpen worden. Wat ertoe deed, was of ze in staat waren opnieuw een leven met betekenis, structuur, plezier en relaties op te bouwen. Dat ieder mens dat nodig heeft, werd me toen op een heel dramatische manier duidelijk.
In wetenschappelijke kringen wordt uiteenlopend over mijn werk gedacht. Maar ik maak me niet meer druk om wat collega’s vinden. Ik ben al heel lang een buitenstaander. Misschien draag ik inderdaad niets nieuws bij aan de neurofysiologie. Maar niemand heeft bijvoorbeeld ooit zo tot in de details onderzocht wat cerebrale kleurenblindheid voor iemands leven betekent.’
'IK WEET NIET wat wetenschap precies is, maar ik wil graag geloven dat zulk onderzoek niet alleen goede verhalen oplevert maar ook neurologische waarde heeft. Zeker als het om geneeskunde gaat, weet ik niet of er een onderscheid nodig is tussen academisch en populair-wetenschappelijk werk. Ik zie mijn werk niet als een van beiden. Ik hoop helder en diepgravend tegelijk te zijn.
Ik denk dat er een grote behoefte is aan kwalitatieve gegevens die een bijdrage aan de wetenschap zijn en die ons herinneren aan de existentiele dimensie - die verloren dreigt te gaan in de puur technische beschrijvingen van de medische wetenschap. In dezelfde tijd dat ik in de Verenigde Staten L-dopa aan patienten toediende, gebeurde dat ook in Londen. In een keurig artikel is verslag gedaan van de ontwikkeling van de patienten, met behulp van zes criteria op een vijfpuntsschaal. Maar dat verslag kun je lezen zonder ook maar iets te begrijpen van de geweldige verandering die zich in het leven van de patienten voordeed.
Ik vind dat naast de kwantitatieve ook de biografische benadering nodig is. Wetenschap is meer dan het verzamelen van meetresultaten, het is de volledige beschrijving van een organisme. Luria, van wie ik veel heb geleerd, spreekt van de noodzaak van een “romantische” naast een “klassieke” wetenschap. Ik worstel ook met die dubbelheid. Eigenlijk zouden die twee benaderingen moeten samenkomen, zoals ze in de werkelijkheid samenkomen. Maar het is nog onmogelijk om alle niveaus van de zenuwfuncties, van het moleculaire tot het biografische, in een model samen te brengen.’
'DE MENS IS een heel eigenaardig, bijzonder soort machine - namelijk een organisme, voor alles een bewust organisme. Je kunt spreken over het hart als een pomp of over de chemische machinerie van de lever of over de hersens als een soort computer. Maar de vraag is of de analogie van de machine toereikend is. De hersens zijn zo ingewikkeld dat er nauwelijks een niet-organische analogie voor te vinden is.
Natuurlijk, een deel van wat er in het zenuwstelsel gebeurt, is te vergelijken met een machine. Als je met een hamertje op een knie klopt, schiet die omhoog. Ik ontken ook niet dat een goede monteur veel voor een mens kan doen. Die kan bijvoorbeeld een hartklep vervangen, dat is vrij eenvoudig. Maar hoe hoger je komt in het organisme, hoe ingewikkelder het wordt, zowel technisch als conceptueel.
Ik heb trouwens niet het gevoel dat ik een excentriekeling ben met mijn opvattingen. Ik zie mezelf als een nogal traditionele arts, ik herhaal slechts waar het altijd om ging: “Vraag niet wat voor ziekte iemand heeft, maar liever wat voor iemand de ziekte heeft”, het motto van mijn laatste boek.
Ach, ik weet eigenlijk niet precies wat ik aan het doen ben. Een vriend van me doet onderzoek naar het deel van de hersenen dat kleuren verwerkt. Hij kan precies zeggen wat hij doet, hij doet het al dertig jaar en heeft enorme resultaten geboekt. Toen ik nog studeerde, had ik ook zoiets voor ogen. Er is iets anders uitgekomen. Maar ik kan zelf niet goed omschrijven wat ik doe en voor wie ik schrijf en waarom het gelezen wordt. Ach, laat anderen dat ook maar doen.’