H.J.A. Hofland

Om de geloofwaardigheid

«Als de crisis eindigt zonder een machtswisseling in Bagdad, zal dat ernstige, misschien wel onherstelbare schade toebrengen aan de geloofwaardigheid van de Amerikaanse macht in de oorlog tegen het terrorisme en aan de internationale betrekkingen», schrijft Henry Kissinger in een internationaal gepubliceerd artikel (hier in NRC Handelsblad, 10 februari). Het is de belangrijkste zin uit het lezenswaardige betoog. De oorlog valt niet meer te vermijden. Impliciet is de conclusie gegeven. Het regime in Bagdad moet verdwijnen omdat de geloofwaardigheid van Amerika op het spel staat. Zelfs al zou Saddam uit eigen beweging verdampen, dan nog zou het Amerikaanse leger het land binnentrekken, om als bezettende macht een poging te doen daar een soort westerse democratie te vestigen. De doelstelling regime change omvat veel meer dan het vangen van de dictator en het buiten gevecht stellen van zijn vrienden. Bezetting en hervorming van Irak is onderdeel van een geopolitiek grand design dat het hele Midden-Oosten omvat.

Dit betekent om te beginnen dat de miljoenen betogers van het afgelopen weekeinde vergeefs de straat op zijn gegaan als ze dachten een oorlog te kunnen voorkomen. Hetzelfde geldt voor de wapeninspecteurs. Want óf ze treffen eindelijk een smoking gun aan, maar daarover zal dan worden gezegd dat die daar is neergelegd om de aandacht af te leiden van de overige 99. Óf ze blijven alle honderd zo goed verstopt dat de oorlog sowieso noodzakelijk is. De inspecteurs brengen uitsluitend ten gerieve van de Amerikaanse regering hun laatste weken in Irak door. Daarmee heeft Amerika aangetoond ter wille van de vrede tot het uiterste te zijn gegaan.

En ten slotte hebben ook Duitsland, Frankrijk en België zich vergeefs verzet, waardoor ze nu voor het dilemma staan: meedoen of volharden in afzijdigheid. In het eerste geval manoeuvreren ze zich in een derderangs positie, in het andere zijn ze gedoemd tot wat tegenwoordig irrelevantie heet.

De nog hoopvol lijkende fase van het internationale debat, de laatste fase voor het uitbreken van de oorlog, komt tot een einde. Het gaat nu nog over de vraag hoe de ene partij de andere van zijn geloofwaardigheid moet overtuigen. Met het sturen van tegen de 150.000 troepen naar het aanstaande front? Met vliegdekschepen, oefeningen, een escalatie van dreigementen? Is dat voldoende? John Foster Dulles, van 1953 tot 1959 (het jaar waarin hij stierf) minister van Buitenlandse Zaken in de regering van president Eisenhower, had het dreigen tot een kunst verheven. Tot de rand van de oorlog gaan, «going to the brink of war», wordt sinds Dulles brinkmanship genoemd. In gewoon Nederlands heet het: hou me vast of ik bega een ongeluk. Dat was in de Koude Oorlog. Ook Dulles heeft in West-Europa veel betogingen veroorzaakt. Maar hij is nooit over de rand heen gegaan. Containment was het doel: het opsluiten van de sovjetmacht binnen de grenzen die op de conferentie van Jalta waren getrokken.

Dulles heeft wel andere illusies gehad, samengevat in zijn formule van de «roll back», het terugdringen van de sovjetmacht. Dat is bij de theorie gebleven. Zelfs bij de Hongaarse opstand in 1956, toen de verleiding van roll back in Europa het grootst was, bleef de Amerikaanse militaire macht ongebruikt. Idem in 1961, toen Moskou tot enorme verontwaardiging van bijna het hele Westen de Berlijnse Muur liet bouwen. Maar dertig jaar na de dood van Dulles ging de roll back eindelijk ge weldloos in vervulling: de Sovjet-Unie, in de greep van containment, hief zichzelf op. Stellen we ons voor dat Dulles en zijn opvolgers ernst hadden gemaakt met de roll back. Niet denkbeeldig dat Europa in de volgende, dan radioactieve puinhoop was veranderd.

Er is geen reden om aan te nemen dat Irak in de houdgreep van een voortgezet containment en een gestaag toenemend aantal wapeninspecteurs niet zou bezwijken binnen een tiende van de tijd die het sovjetblok nodig had om zo ver te komen. Maar er zijn een paar wezenlijke verschillen. Toen stonden twee supermachten tegenover elkaar, nu de hypermacht tegenover een natie die, met of zonder massavernietigingswapens, al een paar jaar op sterven na dood is. Waarom dan nog langer gewacht? Juist omdat de krachtsverhoudingen zo ongelijk zijn, kan het Amerika van Bush containment vervangen door roll back. De verpletterende demonstratie van militaire macht lijkt veel meer te beloven dan een traag verlopende belegering, die bovendien de indruk zal wekken dat de president cum suis met zich laten spotten door iemand die ze zelf tot de nieuwe Hitler hebben uitgeroepen. In deze situatie (die Washington in nauwelijks een jaar zelf heeft laten ontstaan) kan de Amerikaanse geloofwaardigheid alleen nog worden bewezen door de oorlog zelf, die als gewonnen kan worden beschouwd nog voor de eerste bom is gevallen. Vandaar de onvermijdelijkheid. Zoals Henry Kissinger heeft vastgesteld.

Gegeven dit binnenkort voldongen feit wordt het steeds interessanter ons af te vragen in welke situatie we ons zo’n maand na het uitbreken zullen bevinden. Na de montere scenario’s voor de snelle oorlog krijgen nu in de Amerikaanse media de grijze en zwarte versies scherpere contouren. Volgens The New York Times heeft minister Rumsfeld in een van zijn bureauladen een document van vier of vijf velletjes met wat er mis kan gaan.

Er lijken nog uitwegen te zijn. Maar laten we ons niet blij maken met een dooie mus. Niet iedere week gaan miljoenen mensen de straat op. Dat doen ze pas weer als het te laat is. Een leger van 150.000 man terug naar huis, zonder dat er een schot is gelost, en met Saddam nog in Bagdad? Dat is het politieke einde van George W., met een revolutie in Washington.