Rembrandt, De samenzwering van de Bataven onder Claudius Civilis, rond 1661. Olieverf op canvas, 196 x 309 cm © Nationalmuseum Stockholm

Het debat over onze aard en geschiedenis is een terugkerend gezelschapsspel dat ons land telkens weer splijt in eenkennigen en ruimhartigen. Iedere keer opnieuw zijn er die komen vertellen dat de Nederlander niet bestaat (zoals Máxima in 2007) en blijken anderen geschokt door dit spugen in de pap van de vaderlandse historie die zo voedzaam zou zijn voor een gezond burgerschap. En zij vragen de non-believers met klem zich nog eens te beraden. Want een land zonder geschiedenis, zonder algemeen geliefd verleden, is geen land.

‘Een kwal op het strand’, noemde historicus Ernst Kossmann de discussie over de nationale identiteit toen die in de jaren negentig van de vorige eeuw losbarstte onder invloed van de Europese eenwording en de toenemende immigratie van niet zomaar passende nieuwkomers. En hij waarschuwde zijn collega-historici bij de kustlijn: ‘Loop om de kwal heen, kijk ernaar, maar pook er niet in, en trap er al helemaal niet in.’

Eenmaal met je voet in de kwal, concludeerde de hoogleraar, ben je van teen tot top verloren, dreigt je blik te vertroebelen, en schrijf je voor je het weet wenselijke verhalen in plaats van geschiedenis.

En nu, een kwart eeuw later, met opnieuw een hoop herrie om onze identiteit en geschiedenis, zijn er weer talloze historici gesignaleerd nabij de kwal. Er wordt aan gesnuffeld, sommigen stappen erin, en een van hen heeft besloten de glibberige entiteit gewoon maar eens te bestuderen. Hij wil weten wat erin zit. Want daar komt het nieuwe boek – een bundeling van nieuwe en wat oudere artikelen rondom het thema Nederland en zijn historische identiteit – van Remieg Aerts op neer. De hoogleraar, biograaf van Thorbecke, gaat in het boek zoals altijd te werk: hij schrijft en denkt in de breedte. Dat vergt wat van de lezer, maar het geduld wordt beloond door opmerkelijke feiten en inzichten. Zo lezen we dat Thorbecke al anonieme doodsbedreigingen ontving vanwege zijn vermeende gebrekkige vaderlandsliefde van beledigde burgers – calvinistische Oranjeklanten – die verwezen naar het lot van de gebroeders De Witt, en laat de auteur zien hoe het heilige poldermodel een ‘selectief onderbouwde en uitgevonden traditie’ is.

‘Kijk ernaar, maar pook er niet in, en trap er al helemaal niet in’

Aerts vat het gestandaardiseerde verhaal van het vaderland samen om er daarna gaten in te schieten. Hij beschrijft hoe we onszelf ideaaltypisch zagen en willen zien: eerst als onverschrokken Germanen – met de heldhaftige Julius Civilis en zijn Bataafse Opstand in 69 na Christus –; vervolgens als Tachtigjarige opstandelingen en voortreffelijke Gouden-Eeuwers; daarna als brave, voor hun tijd tolerante negentiende-eeuwse burgers; en ten slotte als ruimdenkende sociale burgers van gidsland Nederland.

Allemaal constructies. De verheerlijking van Batavia als een soort antieke republiek naast Rome en Athene is het resultaat van classicistische modelmatige geschiedschrijving, die is komen overwaaien uit het buitenland. Het berustte op geen enkele werkelijkheid, behalve op de geïdealiseerde van Hugo de Groot, die het Germaanse verleden gebruikte voor het eigentijdse heden (als ‘we’ bijna van de Romeinen konden winnen, konden we toch zeker winnen van de Spanjaarden). De veel geroemde ‘burgerlijkheid’ van de Gouden Eeuw is bedacht in de burgerlijkheidsminnende negentiende eeuw van de familie Stastok. En deze eeuw heeft op haar beurt allesbehalve het ideale gezicht dat ze naderhand kreeg: de periode, schrijft Aerts, was dwangmatig gericht op orde en verontrustend onverdraagzaam – met name tegenover arbeiders, katholieken en vrouwen, oftewel driekwart van de bevolking. En de jaren zestig en zeventig van welzijnswerk en wereldburgerschap blijken ook niet zo voorbeeldig als we wilden geloven: de veel geroemde integratie stond vooral in het kader van beheersing van nieuwe groepen ter wille van behoud van de eigen vrije en blije samenleving.

Alle zelffelicitatie die de geschiedschrijving van het vaderlandse verhaal kenmerkt, blijkt gebouwd op dun ijs (en dat moet wantrouwend maken, ook tegenover eigentijdse vormen van het genre). Het is wat de auteur ‘willenschap’ noemt. Tegelijkertijd constateert hij dat het beeld van vroeger – de watergeuzen, Piet Hein en de zilvervloot, De Ruyter en de slag bij Chatham (met de ketting over de Theems) – niet meer pakt; welhaast iedereen onder de veertig of vijftig zegt het niets meer. En dan is er nog iets. Voorzover de vormende verhalen van voorheen nog iets doen, is dat irritatie en vermoeidheid opwekken, omdat ze een kritische blik op het verleden in de weg lijken te staan. Behalve de nationaal populisten kan bijna niemand het eeuwenlange vaderlandse adagium over ‘Ons Indië’ – ‘daar werd iets groots verricht’ – nog aanhoren zonder aan de oorlogsmisdaden ter plekke te denken. En de befaamde vaderlandse toptraditie, de verdraagzaamheid, blijkt ook al aan afnemende waardering onderhevig. Ze was, schrijft Aerts, doorgaans op z’n best mijding, zelden of nooit waardering. De klassieke tolerantiemodus, constateert de auteur, staat op gespannen voet met wat hij noemt het huidige ‘gender en narcistische vrijheidsparadigma’ dat ‘volledige aanvaarding en het ontzien van mogelijke gevoeligheden’ eist.

Een historicus – Piet Blaas – schreef ooit over ons land dat het werd gekenmerkt door ‘de prikkelbaarheid van een kleine natie met een groots verleden’. Hij bedoelde daarmee dat ‘we’ in de gordijnen hingen als onze typerende Hollandse voc-mentaliteit en daadkracht, onze imposante historie onderuit werden gehaald. We kijken nu heel anders naar dat verleden. Wat gebleven is, is de prikkelbaarheid over een geschiedenis die tegenwoordig vooral verdeelt of beschaamt.

Een algemene nationale geschiedenis voor iedereen lijkt vooralsnog verleden tijd.