Om niet te vergaan

Hoe een biografie een schrijver zijn heldendom kan ontnemen. Of: hoe Jaap Goedegebuure’s Zee, berg, rivier: Het leven van H. Marsman tot gevolg heeft gehad dat ‘s lands literatuurmensen - met een grijns van leedvermaak? - onze grote dichter van het voetstuk hebben getrokken waarop hij jarenlang stond.

Marsman, dichter van bruisende, dynamische, bijna explosieve poëzie, was ‘de man die groots en meeslepend wilde leven’. Vitalisme als grondhouding. De mens groter dan de kosmos.
Marsman schreef over Gorter: 'Hij was van vuur,/ een golf, een vlam,/ een stromend stuk natuur,/ blinkend als water in den zomerdag.’ Hij was zelf van vuur, Marsman. Althans, de Marsman zoals die uit de (vroege) gedichten oprijst. De wereld was te klein voor de mens die, nietzscheaans, zichzelf diende te overstijgen, door het leven waarlijk te leven.
'Ik wil God zijn/ Om niet te vergaan.’
Goedegebuure heeft tot in de kleinste details het leven van Marsman voor ons ontsloten. En dat is nu juist het probleem. Want we hebben daardoor een dichter gekregen die vrijwel het tegenovergestelde is van de man die we hadden. Groots en meeslepend? Niks daarvan. Kleinzielig en suf. Een burgermannetje, dat ervan droomde een interessant leven te leiden.
In deze krant schreef Rob Hartmans - misschien ook met een valse grijns? -: 'Hij is in de herinnering vooral blijven voortleven als typische “jonge hond”. (…) Hij had wel iets van de allure van een popartiest uit de jaren zestig, die na een kort en vlammend hoogtepunt verdween in overdosis of clubcircuit. Zelf koketteerde Marsman ook met een heftig en riskant leven. Meestal staat een dergelijk imago op gespannen voet met de werkelijkheid. Zo ook bij Marsman.’
Want, leest Hartmans bij Goedegebuure, met het machismo en vitalisme van onze dichter liep het niet zo'n vaart. Marsmans avontuurlijkheid beperkte zich tot een bezoek aan de kermis van Groet. Hij bezat een wankele gezondheid, en in tegenstelling tot de wél groots en meeslepend levende Slauerhoff kon hij zijn droom van een zeemansleven niet doen uitkomen. Marsman bleef aan wal, lekker binnen zitten bij moeder de vrouw.
Je hoort ze grinniken, de literatuurmensen: groots en meeslepend, tuurlijk. Marsman was gewoon. En dan ben je in dit land al gek genoeg.
Altijd weer fijn hoe de Nederlandse geest alles wat neigt naar ambitie, naar groot- en grootsheid, genadeloos neerhaalt. Dat Marsman grootse, in Nederland ongeëvenaarde poëzie schreef, vergeet men dan maar even.