Sir Wally Herbert 24 oktober 1934

Om niet te vergaan

Je hebt sport en sport. Er is bijvoorbeeld wandelsport. Dat zou een gemiddelde tienkamper niet per se onmiddellijk beschouwen als gelijkwaardig aan zijn eigen branche, die 52 weken per jaar intensieve training vereist, voedingssupplementen, schema’s, hartslagmeters, bloeddoping, intervaloefeningen, kniekousen, scheenbeschermers en coaches. Maar wandelsport is ook sport, anders zou het niet zo heten.

Wandelen is sporten en rusten tegelijk. Het is ontzettend zen. Het is geest en lichaam in balans, het is ontspanning, het is inkeren tot jezelf, het is ruimte geven aan het bewustzijn.

Het fijne van wandelen is het ritme. De stappen, de stap-stap-stappen. Zoals de cadans van de trein een zekere hypnotiserende werking heeft, zo brengt het strakke ritme van de wandelstappen een geestestoestand teweeg die men in het normale, dagelijkse leven nimmer zal kunnen bereiken: het wordt stil, er daalt kalmte neer over de rusteloze geest, het denken verwijdt zich, er komt overzicht en zekerheid. Ook het lichaam herpakt zich: de ademhaling wordt regelmatig, het hijgen is voorbij. De spieren worden met elke pas sterker, er stroomt zuurstof door de aderen.

Een moment om diep adem te halen, even stil te staan, naar de wereld te kijken en te denken dat alles goed is.

Goh. Dat wil iedereen wel.

De sporter wil het liefst grenzen verkennen, dan heeft hij het gevoel dat hij leeft. En dat is ook zo: grenzen zijn interessant, grenzen hebben een enorme aantrekkingskracht. Grenzen benaderen, verkennen en ten slotte overschrijden: daar doen we het voor. Daar doet in elk geval de duursporter het voor. Waar ligt de grens van mijn mogelijkheden, tot hoe ver hou ik het vol? Wat kan mijn lichaam hebben? En dan sterft de mega-lange-afstandsloper na 186 kilometer met een gelukzalige glimlach op zijn gezicht en braaksel op zijn schoenen.

Grenzen waren ook voor Sir Wally Herbert uiterst boeiend. Hij onderzocht ze. Niet alleen zijn eigen, fysieke grenzen, maar ook die van de aarde. Daartoe bewandelde hij het poolgebied. Sir Walter William Herbert, Brit, was poolonderzoeker en ontdekkingsreiziger. Daarbij schreef hij boeken en maakte schilderijen. In 1969 werd hij de eerste mens die naar de Noordpool wandelde. En niemand twijfelde daaraan. Dat was anders geweest bij de expeditie van Robert Peary, zestig jaar eerder. Daar zou sprake zijn geweest van vals spel.

Maar niet Sir Wally. Hij speelde niet vals. Gedurende zijn carrière als bedwinger van polen, zowel noord- als zuid-, zou hij op open en eerlijke wijze veertigduizend kilometer afleggen door voor gewone mensen onbegaanbaar arctisch gebied.

Ze zeggen wel dat Herbert een ontdekkingsreiziger was, een explorer, maar dat is niet zo. Sir Wally was een wandelsporter. Als geldschieters hem ertoe probeerden te bewegen een nieuwe gletsjer te gaan ontdekken, zei hij niet ja omdat hij roem en glorie in het verschiet zag, maar omdat hij de mogelijkheid kreeg weer te gaan wandelen in zijn favoriete gebied: de ijsvlakte.

Hij was een wandelaar in hart en nieren, in merg en been. Het enige wat hij echt wilde: wandelen. Geef hem een ijsvlakte, een pool, een arctisch gebied, en hij slaat aan het wandelen. Dat is Sir Wally.

Hij is de godfather van de arctische wandelsport. Gezien de klimatologische omstandigheden in de poolstreken zijn de mogelijkheden voor topsport daar nu eenmaal beperkt. De Arctic Winter Games zijn bedacht, als een noordpool-variant van onze Olympische Spelen, maar gewoon overdag door de week is er niet veel te doen op competitiegebied. Die sneeuw, hè, en dat ijs.

Sir Wally was een gedoemde wandelaar. Hij besefte heel goed het verschil tussen wandelen en reizen. Gerard Reve heeft dat nog eens scherp verwoord, in zijn Brief uit Gosfield (Op weg naar het einde): ‘Wandelen is wel Beweging, maar niet Verplaatsing in de strikte zin des woords, ook al begeeft men zich – en dit is, ik geef het graag toe, zeker bedrieglijk – ogenschijnlijk van de ene plek naar de andere. Wandelen is – en hier ligt de sleutel tot elk waardeoordeel ‘als zodanig’ – Vrijwillige Beweging, terwijl reizen Gedwongen, of liever gezegd Noodzakelijke Verplaatsing is – als ik hiermede één en ander nog niet afdoende heb duidelijk gemaakt, heeft het ook geen zin om nog verdere moeite tot uitleg te doen.’

Wally Herbert bond de strijd aan met het ijs. En de sneeuw. Hij wist alles over eskimo’s en hun gebruiken. Schreef er een boek over. Leefde met ze, werd een van hen. Niemand kon zo met sledehonden omgaan als hij. Alsof hij een extra zintuig had.

Sir Wally Herbert maakte wat de ‘last great journey on earth’ wordt genoemd, de Britse Trans-Arctic Expedition, die hem uiteindelijk naar die vervloekte Pool bracht. Hij moet het enorm koud hebben gehad. Maar hij was een held.

Maar de fundamentele vraag is natuurlijk, en die geldt voor alle ontdekkingsreizigers, duursporters, triatleten: waarom doe je het? Dat het geen zin heeft, dat is niet erg. Maar waarom zou je zonder sponsor en zonder goed doel en zonder prijzengeld en zonder wereldrecords om te verbreken in godesnaam vijfduizend kilometer te voet afleggen over de ijsvlaktes van Alaska tot Spitsbergen?

Om niet te vergaan. ‘Ik wil God zijn om niet te vergaan’, schreef Hendrik Marsman, toch geen sporter in hart en nieren. Zonder het te weten ving hij de kern van wat de beoefenaar van ultieme sporten drijft: hij wil God zijn om niet te vergaan. Hij wil weten dat hij bestaat, dat hij er is, hij wil dat beseffen, begrijpen, ervaren, voelen – hij wil voelen dat hij een mens is, dat hij leeft, dat het leven zijn leven is. En dat niemand daar met zijn fikken aan kan komen.

Het is zijn vermoeidheid, het is zijn braaksel, het zijn zijn bevroren tenen, zijn ijspegels onder zijn eigen neus. Het zijn zijn voetstappen in de sneeuw.

En stel je voor. Anders dan de gemiddelde nordic walker, die elke vijftien meter een collega-nordic-walker tegenkomt, die joviaal groet met de stok, ziet de arctic walker, die Sir Wally Herbert was, niemand. Nergens, never nooit ziet hij iemand. Alleen sneeuw. En ijs. En blauwe lucht. Hij hoort de wind, hij voelt het snijden van de ijzige wind, en hij hoort zijn eigen bloedsomloop als hij zijn handen tegen zijn oren drukt, wat hij vaak doet, omdat het zo koud is. Het is hij tegen de rest, en die rest is: de wereld, het universum.

Alles spant tegen hem samen, tegen hem alleen. Alle natuurkrachten nemen hem onder vuur, en proberen hem het voortgaan te beletten. Maar hij geeft niet op. Sir Wally Herbert geeft niet op.

Sir Wally wandelde, en was God. Dat hij is doodgegaan betekent niet dat hij is vergaan. B

12 juni 2007