DOOR DE EEUWEN HEEN De nacht in de kunst

Om te dromen en te vrezen

In de opera, de poëzie, de beeldende kunst en de film heeft de nacht altijd een belangrijke rol gespeeld, steeds met een verschillende betekenis. Van een romantisch ideaal tot een metafoor voor oorlog en verdrukking tot 3D-fantasia.

HET HOF van koning Marke van Cornwall. Een zwoele zomeravond. Het geluid van de jachthoorns sterft langzaam weg en koningin Isolde wacht ongedurig op de verschijning van haar minnaar, heer Tristan, stern-umstrahlt. Ondanks de waarschuwingen van haar kamermeid Bragnäne dat de paladijnen van Marke op hun hoede zijn en iets opgemerkt hebben in de oogopslag van de minnaars, dooft Isolde de toorts naar haar slaapkamervertrekken. Het geheime teken. Als een schaduw glijdt Tristan haar kamer binnen en verklaart zijn eeuwigdurende passie voor Isolde.

Wat volgt is een van de langste duetten uit de geschiedenis van de opera, vanzelfsprekend geschreven door Richard Wagner, dat afhankelijk van de dirigent kan oplopen tot twintig minuten.

De muziek zwelt aan. Tristan betoogt zijn liefde (hier in Engels citaat), verwerpt het daglicht:

To the day! To the day!

Our most treacherous foe,

Let there be hatred and denunciation!

De dag zorgt voor verraad, valsheid, illusie, frustratie. Het is de dag die hen uit elkaar houdt. De nacht daarentegen, dat is het echte bestaan, zegt Tristan. Daar kunnen ze samenzijn, en alleen in de lange nacht der dood zullen ze eeuwig zijn verenigd. De muziek zwelt nog verder aan:

O eternal night!

Sweet night!

Glorious, sublime

Night of love!

De Britse historicus Tim Blanning merkt in zijn eerder dit jaar verschenen studie The Romantic Revolution op dat Tristan en Isolde, om de woorden van de romantische dichter John Keats te gebruiken, ‘half in love with easeful Death’ waren. En zoals het liedje gaat, Tristan krijgt zijn zin. Isolde ook. Hun duet bouwt op naar een serie orkestrale climaxen totdat het door een luid gekrijs wordt doorbroken. Het is Bragnäne: Marke en zijn koninklijke entourage zijn eerder terug dan verwacht, post coitum triste, verwikkelingen volgen, vluchten, gevechten, en een akte later vinden Tristan en Isolde allebei hun koortsige dood.

Het verhaal was opgenomen in het boek De ridders van de Ronde Tafel, verteld door Vladimír Hulpach. Een kinderboek van een formaat dat amper op mijn schoot paste, met aquarellen erin van ridders te paard, huilende hofdames en rode zonsondergangen. Qua toon varieerden de hoofdstukken tussen Monty Python en Erol Flynn. 'Eerste druk 1988’ staat erin, toen was ik vijf, maar ik zal het vast later hebben gekregen. Ik was in ieder geval wel nog te jong voor Tristan en Isolde, en sloeg het verhaal steevast over; te weinig gevechten, te morbide. Vooral het einde: 'Isolde met de gouden haren liep langzaam op het bed toe om haar geliefde Tristan een afscheidskus te geven. Maar toen ze zijn koude lippen voelde, overspoelde haar zo'n wanhopig verdriet, dat haar hart brak. Dood viel ze naast hem neer.’

Het was ook het enige verhaal in het boek waarvoor de tekenaar, ene Jan Cern , een andere stijl had gebruikt. Isolde was magerder, bleker dan alle andere dames en prinsessen in het boek. Tristan was helemaal graatmager en lijkbleek, grauw houtskool onder zijn ogen, alsof hij vanaf zijn jeugd al ter dood veroordeeld was.

Dat klopt ook, schrijft Tim Blanning in The Romantic Revolution: Tristan en Isolde was getekend door een onverwacht sterk romantisch ideaal. De jonge geliefden smachten naar hun Liebestod. Richard Wagner schreef de opera tussen 1857 en 1859, tussendoor, terwijl hij aan zijn Ring werkte. De opera werd voor het eerst gespeeld in München, in 1865. In die tijd was de Romantiek in vrijwel alle kunstvormen dood en begraven. Behalve bij Wagner, 'keeping the Romantic flame burning brightly’. Die metafoor van de nachtkaars is precies gepast, zegt Blanning (wat zelffeliciterend), wanneer je over de Romantiek spreekt. Een voorliefde, of obsessie, van de nacht boven de dag, is een herkenningsbadge van romantici. Meer dan honderd jaar daarvoor, in 1742, begon de Engelse priester Edward Young aan zijn meerdelige gedicht getiteld The Complaint, or, Night-Thoughts on Life, Death, and Immortality. In een poging de dood van drie familieleden (zijn vrouw, zijn stiefdochter en haar man) te verwerken schreef Young vlug, en veel, meer dan tienduizend regels blank vers. Young wees erop dat juist na zonsondergang intellectueel werk makkelijker was, en verwelkomde de nacht als de aangewezen tijd voor schrijvers, dichters, filosofen en theologen.

By Day the Soul is passive, all her Thoughts

Impos’d, precarious, broken, e'er mature.

By Night, from Objects free, from Passion cool,

Thoughts uncontrol’d, and impress’d, the Births

Of Pure Election, arbitrary range.

Het werk bleek enorm succesvol, met honderd verschillende edities binnen vijftig jaar in Engeland, en binnen vijftien jaar tien verschillende Duitse vertalingen. Goethe verslond Young, en het inspireerde hem tot het schrijven van Het lijden van de jonge Werther, in 1774. Natuurlijk was de nacht de uitgekozen metafoor van de Romantiek, omdat deze reageerde op de Verlichting, met als symbool het licht. Voor romantici was deze Verlichting steriel en liet het scherpe licht niets aan de verbeelding over. Verlichtingsdenkers wilden weten, romantici wilden het bedenken. De groeiende groepen vrijmetselaars en rozenkruisers, op zoek naar mystiek in een steeds rationeler wordende wereld, lazen Young in de hoop geheime boodschappen te ontdekken.

DE NACHT dook overal op. Niet voor niets werd Henry Fuseli’s schilderij De nachtmerrie in 1781 als een meesterwerk onthaald. Op het schilderij ligt een vrouw op een bed, haar armen bungelend, haar benen uit elkaar, haar mond open. Op haar buik zit de goblin of succubus die haar de verontrustende droom geeft. Het paniekerige beeld wordt versterkt door een losgeslagen paard (de merrie uit 'nachtmerrie’?) dat zijn hoofd tussen de gordijnen door heeft gestoken. Zijn ogen lijken uit zijn oogkassen te poppen, zijn mond staat hijgerig open.

Het is een fijne hoedanigheid, de nacht in de achttiende eeuw, zeker in de muziek. Alles wat notturno of Nachtmusik in zijn naam had staan, was een vrolijke, speelse compositie, meestal gespeeld met koperslagers, op festiviteiten. Het beste voorbeeld is Mozarts Eine kleine Nachtmusik van 1787: de beginnoten zijn zo herkenbaar en zo vaak gespeeld in ongepaste omgevingen - in liften en winkelcentra - dat het muziek is waar je never nooit nog bij stil staat.

Dit geldt niet voor de intense stukken van John Fields, die mensen als Chopin, Liszt, Skrjabin en Debussy inspireerde. Gevoelige pianostukken, vaak melancholisch, bedoeld om de luisteraar mee weg te doen dromen. Want de nacht bleef een serieuze aangelegenheid.

Een andere fan van Young was de cultuurfilosoof Johann Gottfried Herder, die pleitte voor een 'middeleeuws Germania’; terug naar folklore, ballades, sprookjes, poëzie. De moderne stad uit, het oude bos in. Onder meer door Herder geïnspireerd verzamelde een groep studenten van de universiteit van Göttingen zich in 1772 in het bos en bracht een nacht door onder de maan en de sterren, op een plek waar ooit druïden zouden zijn samengekomen. Ze wilden het spirituele gevoel dat ze ervoeren vastleggen, en richtten de Göttinger Hainbund op die door heel Duitsland wortel schoot, onder de vlag van Sturm und Drang. Het bos, en dan vooral de eikenboom, dook overal op in schilderijen, als symbool van de ziel van Germania. Meer nog dan Fuseli werd dit het terrein van dé schilder van de Romantiek, Caspar David Friedrich. Als je 'Romantiek’ op Wikipedia opzoekt, stuit je meteen op zijn Der Wanderer über dem Nebelmeer, het bekende schilderij van een wandelaar in de natuur. Op Rüdiger Safranski’s standaardwerk (Romantik: Eine deutsche Affäre, 2009) sierde het het omslag. De zon schijnt niet vaak in het werk van Friedrich, schrijft Simon Schama in Landscape and Memory (1995), en als hij er wel is dan gaat hij meestal net onder. Dit wordt nog maar eens benadrukt als je een greep uit de titels van zijn schilderijen neemt: Greifswald im Mondschein, Frau vor untergehender Sonne, Zwei Männer in Betrachtung des Mondes, Nacht im Hafen, Der Abend, Mondaufgang am Meer, Mann und Frau in Betrachtung des Mondes, Schiffe im Hafen am Abend, Meeresufer im Mondschein, Der Träumer.

Wat betekent de nacht bij Caspar David Friedrich? Het zijn verlaten landschappen met eenzame reizigers, overgeleverd aan natuurschoon en natuurgeweld, glimmend in het maanlicht. Zijn afbeeldingen zijn vaak sterk symbolisch of bevatten allegorieën. Veel schilderde hij tijdens Napoleons zegetochten; op een van zijn bekendste doeken, Der Chasseur im Walde, uit 1814, zien we een schijnbaar verdwaalde Franse schutter in het woud die wordt toegezongen door een zwarte raaf - het symbool van de gesneuvelde Duitse soldaten. Waterloo is niet ver weg. Maar verder zijn de schilderijen van Friedrich als de nacht zelf voor romantici. Ze hebben een dromerige sfeer, zitten vol met symbolen die de kijker zelf kan invullen.

IN VOGELVLUCHT vooruit. Tijdens een spontaan schrijfwedstrijdje op een weekendje weg schrijft John Polidori The Vampyre: A Tale en verzint Mary Shelley, de echtgenote van de romantische dichter Percy Bysshe Shelley, het verhaal voor Frankenstein, dat in 1818 verschijnt. Rond die tijd gaan de vertalingen van fabels van de gebroeders Grimm in rap tempo door Europa.

Het horrorgenre wordt nieuw leven ingeblazen en culmineert in Bram Stokers Dracula in 1897: de nacht is niet om te dromen, maar om te vrezen. Jack the Ripper is een nachtroofdier. Doctor Jekyll verandert ’s nachts in Mister Hyde. Dracula is een product van zijn tijd; de bloedzuigende graaf uit Transsylvanië heeft Stoker deels gebaseerd op de titelfiguur uit Oscar Wilde’s Picture of Dorian Gray (1891). De wijze (Victoriaanse) les uit Wilde’s boek: wees voorzichtig met waar je je tijdens bedtijd mee bezighoudt. Het is het fin de siècle; techniek is een obsessie, vooruitgang is alles. Elektriciteit is fascinerender dan maanlicht. Darwin demystificeert. Bauhaus ontwerpt lege, lichte ruimtes. De nacht verschuift in de kunsten, kunstenaars komen samen in de grote steden, Parijs!, Montmartre!, waar het altijd licht is, waar je nooit naar bed gaat.

NOG EEN sprong in de tijd. Bij de naoorlogse nacht denk je aan film: crime noir wordt het toonaangevende genre in Hollywood. Humphrey Bogart schept met zijn rol als Sam Spade in The Maltese Falcon (1941) en Rick Blaine in Casablanca (1942) de antiheld met gleufhoed en regenjas die ’s nachts de straat op gaat, omringd door louche types en femmes fatales. De nacht is een avontuur. De dag is om je kater uit te slapen, zoals de corrupte kapitein Renault in Casablanca suggereert als een wanhopig stel zegt zich ’s ochtends bij hem te melden.

'We’ll be there at six.’

Renault: 'I’ll be there at ten.’

Er verstrijken bijna twintig jaar voordat de 'nieuwe’ nacht weer gekoppeld wordt aan de nacht van de Romantiek. Het is de Duitser Anselm Kiefer (1945) die een brug slaat naar Caspar David Friedrich. In 1971 was de kunstenaar verhuisd naar het Odenwald, in de buurt van Main. De gesjeesde rechtenstudent heeft dan al naam gemaakt als kunstenaar met zijn Besetzungen uit 1969: het is een parodie op Friedrichs bekende Der Wanderer über dem Nebelmeer. Zoals op Friedrichs doek zien we een heer van achter, staande op rotsen. Het schuim van de zee bij Kiefer lijkt op de nevelen van Friedrich. Het verschil is dat de heer bij Kiefer de Hitler-groet brengt.

In het Odenwald maakte Kiefer meer provocatieve werken met een knipoog naar Friedrich, die het moest ontgelden omdat de nazi’s hem, honderd jaar na zijn dood, hadden ingezet bij hun Blut und Boden-ideologie. Kiefer schilderde dezelfde boslandschappen als Friedrich en ook hij probeerde de Duitse ziel te omvatten. Maar die Duitse ziel was schrikbarend veranderd en dat zie je in Kiefers doeken; allereerst door het Waldsterben, zoals de Duitsers het uitsterven van hun grote wouden noemden, maar bovenal door de Tweede Wereldoorlog. Kiefers boslandschappen zijn surrealistisch, zwart met paars en blauw. De bomen zijn kaal, stronken zonder bladeren of takken. Het is er altijd nacht, maar er zijn geen sterren te zien. Vaak schilderde Kiefer niet alleen, hij gebruikte letterlijk Blut und Boden: modder, takken en bladeren. De nacht kreeg zo een fysieke aanwezigheid.

En zo kom je eigenlijk bij de betekenis van de nacht als metafoor in de tweede helft van de twintigste eeuw: oorlog schaduwt over de tijd. De nacht is niet de plek voor dromen, maar voor nachtmerries. Het voelt als onvermijdelijk dat Nobelprijswinnaar Elie Wiesel zijn boek over zijn verblijf (dat is niet het juiste woord) in eerst Auschwitz en daarna Buchenwald Nacht noemde. Wiesel: 'Never shall I forget that night, the first night in camp, which has turned my life into one long night, seven times cursed and seven times sealed.’ Ook de joods-Duitse schrijver Edgar Hilsenrath noemde een van zijn belangrijkste werken Nacht (1964), waarin in de nacht het geweten en de herinneringen van de personages opspelen.

HET KAN bijna niet anders dan dat de laatste tien, twintig jaar de nacht weer een andere betekenis heeft gekregen. Onder aanvoering van Quentin Tarantino verdween de misdaad uit de nacht, naar het daglicht toe. Na Reservoir Dogs (1992) en Pulp Fiction (1994) verscheen er een hele golf misdaadfilms waarin de gangsters overdag in cafeetjes zitten te kletsen over popcultuur, om en passant nog eens een hit te plegen. Maar het verlangen naar de nacht blijft, de echte nacht, de mystieke nacht.

De grootste filmhit van de 21ste eeuw is voorlopig Avatar, James Camerons monstersucces uit 2009; en daar zijn we weer terug bij de Romantiek.

Met behulp van digitaal vernuft en 3D-technieken toont Cameron een wereld die te mooi is om waar te zijn; door het dikke bladerdek van het oerwoud van Pandora, de fictieve planeet waar de film zich afspeelt, komt geen zonlicht. De zwevende ruwe bergen komen uit de wildste fantasieën van Friedrich. De lange blauwe bewoners, de Na'vi, glanzen in het donker, voelen een spirituele verbondenheid met de natuur, verzamelen zich onder het maanlicht als de Göttinger Hainbund.

Binnen veertig dagen was Avatar commercieel de meest succesvolle film aller tijden, met een opbrengst van inmiddels 2,7 miljard dollar. Een maand na de release richtte distributeur 20th Century Fox een hulpforum op voor mensen die depressief uit de bioscoop kwamen. Zo mooi als het avondland van Pandora is, zo mooi kan de echte wereld niet worden. Het is als het kinderboek op schoot: de verbeelding kan zo mooi en zo echt zijn dat het pijn doet.