FILM

Om te kunnen bestaan

La fille du RER

  1. Een vrouw beweert dat ze het slachtoffer was van een ‘antisemitische aanval’ door ‘allochtonen’ in een RER-trein in Parijs. Frankrijk staat op zijn kop. President Chirac geeft opdracht tot een ‘diepgaand onderzoek’ naar het ‘beschamende incident’. Le Figaro kopt: ‘De trein van haat’ en Libération concludeert: ‘Monstrueus’. De Communistische Partij schreeuwt: ‘Antisemitisme! Xenofobie! Racisme! In Parijs!’ Dan de ontnuchtering: het meisje heeft het verhaal verzonnen. Ze heeft zichzelf met een mes toegetakeld en met een stift hakenkruisen op haar buik getekend. Dit incident vormt de basis van André Téchinés La fille du RER, een film die op vele fronten slaagt, als cinematografisch werk waarin de psychologie van de personages op filmische wijze vorm krijgt, maar óók als sociologisch document waarin die buitenlijnen van collectieve trauma’s zich uitkristalliseren. La fille du RER belicht moderne angsten over identiteit en daaraan gekoppeld motieven van mentale fragmentatie en vervreemding bij het hoofdpersonage. Téchiné, deel van de tweede golf cineasten van de nouvelle vague, maakt compacte, intelligente films, zoals Rendez-vous, tevens het onvergetelijke debuut van Juliette Binoche, waarmee hij in 1985 in Cannes werd bekroond als beste regisseur. Zijn films werken als een vergrootglas op het emotionele leven van zonderlinge personages met herkenbare problemen. Dat levert een intense kijkervaring op; de camera brengt de kijker tot dicht bij het personage, zonder precies te laten zien wat er aan de hand is. Ook in La fille du RER. Téchiné introduceert de jonge hoofdpersoon, Jeanne (Emilie Dequenne), met dromerige beelden waarin zij met een koptelefoon op in het zonnige park skeelert. Ze schaatst door een tunnel, de camera volgt haar, en nu klinkt háár muziek. De kijker wordt deel van haar wereld, maar niet echt. Téchiné houdt die afstandelijkheid de hele film vol. En dat is mooi, bijna literair. Téchinés benadering doet denken aan die van Gus van Sant in Last Days (2005), over Kurt Cobain. Minutenlang volgt de camera de zanger in het bos, waardoor we er bij zijn. En toch weten we uiteindelijk niets. Dit gevoel van machteloosheid geldt in La fille du RER ook voor Jeanne’s moeder Louise (Catherine Deneuve), die immers iedere dag deelgenote is van het leven van haar dochter. Téchiné benadrukt zelfs dat de twee een hechte band hebben. Ze wonen samen in een voorstad van Parijs, waar Louise oppasmoeder is. Jeanne is op zoek naar een baan, Louise helpt haar daarbij. Een krantenadvertentie brengt uitkomst: een betrekking bij het advocatenkantoor van Samuel Bleistein (Michel Blanc), een jeugdvriend van Louise. Liggen in deze connectie, deze omwenteling, de wortels voor Jeanne’s daad? Zelf zegt Téchiné over Jeanne’s motief: ‘Ik vond het belangrijk haar mysterieuze karakter te bewaren. Misschien is ze wat je een “subversief personage” zou noemen. Maar begrip is ontwijkend; met een film probeer je altijd het onzichtbare te onderzoeken.’ Ook het statement van het meisje zelf, dat ze het heeft gedaan ‘om meer te kunnen bestaan’, is weinig verhelderend? Zocht ze aandacht? Van wie? Van haar moeder, die haar niets anders dan aandacht gaf? Langzaam bouwt Téchiné zijn film op, bijna hallucinerend, met een dwingend ritme, maar doorgaans ook met een fijn gevoel voor narratieve economie. Niets te veel, niets te weinig – en dat resulteert in een film die je raakt.

Te zien vanaf 18 juni