Kamerdebatten moeten korter en krachtiger

Om zes uur thuis

Dit najaar presenteert de Commissie Werkwijze der Tweede Kamer haar plannen om de vorm van het kamerdebat te wijzigen. Volgens de huidige kamervoorzitter Weisglas kan het inderdaad korter en krachtiger.

«De heer K.G. de Vries (PvdA): Dit zijn toch onverdraaglijke woordspelletjes. U wilt het met uw hart doen, maar niet ruimhartig. Wilt u het enghartig doen? Als normale mensen zeggen: ik doe dat met mijn hart, dan bedoelen zij dat zij er met gevoel naar zullen kijken. Ik begrijp de problematiek, maar u wekt de indruk…

De voorzitter: Ik sta u niet weer een heel lang verhaal toe. U hebt enkele keren op deze wijze uw mening naar voren gebracht en u hebt antwoord gekregen. Nu zegt u het naar aanleiding van de motie van mevrouw Vos nog een keer. De minister kan hier nog kort op reageren. Het spijt mij, maar het woord is aan de minister.

De heer K.G. de Vries (PvdA): U neemt meer tijd dan ik, voorzitter.

De voorzitter: Van dit soort opmerkingen ben ik absoluut niet gediend, dat weet u.

De heer K.G. de Vries (PvdA): Dat is mij bekend, voorzitter, en ik ook niet van uw opmerkingen.

De voorzitter: Ik schors de vergadering een ogenblik.

(De vergadering wordt een ogenblik geschorst.)

De voorzitter: Voor het vervolg van haar beantwoording geef ik het woord aan de minister.»

Het stenografisch verslag van de Tweede Kamer liegt niet. Vorige week dinsdag kwamen Klaas de Vries en Tweede-Kamervoorzitter Frans Weisglas (VVD) in botsing. Minister Verdonk had het op dat moment moeilijk. Zij verdedigde haar plannen om onder bepaalde voorwaarden verblijfsvergunningen te verstrekken aan asielzoekers die al jaren in Nederland verblijven. De minister stuntelde omdat was gebleken dat de lands advocaat haar plannen niet steunde, hoewel zij eerder het tegendeel had beweerd.

Maar het mea culpa van de minister was interessant. De aanvaring tussen De Vries en Weisglas was dat ook. Na de woordenwisseling schorste de voorzitter de vergadering «voor een minuutje» en nam De Vries mee naar de wandelgang om hem tot de orde te roepen.

«O dat was niks», zegt De Vries nu desgevraagd. «Ik ben in de Kamer om te debatteren en wens gewoon geen vermanende woorden van de voorzitter tijdens een debat. In de Kamer moet goed gedebatteerd worden.»

Het klinkt als parlementaire ongehoorzaamheid jegens de voorzitter. Maar ook Weisglas tilt niet te zwaar aan het voorval: «In het algemeen moet men de voorzitter weinig horen, hij moet geruisloos het debat leiden. Er moet geen discussie ontstaan tussen de voorzitter en een kamerlid. Dat dreigde te gebeuren, dinsdag met Klaas de Vries. Daarom schorste ik de vergadering even. Een minuutje.»

Maar het incident is wel degelijk interessant. Dit najaar komt de Commissie Werkwijze der Tweede Kamer met plannen naar buiten om de vorm van het debat in de Kamer te wijzigen. De politiek moet dichter bij de burger worden gebracht. Kamervoorzitter Weisglas pleitte eerder al voor veranderingen als een verruiming van de mogelijkheden voor spoeddebatten met de regering, de beperking van spreektijden in debatten, de vermindering van het aantal moties en interrupties en vergaderingen in het land. Zijn ideeën hadden hun weerslag op het verloop van de algemene politieke beschouwingen. De spreektijd van de fracties was drastisch ingekort in vergelijking met vorige jaren. De voorzitter deed zijn uiterste best om de interrupties tot een voor hem aanvaardbaar aantal terug te brengen. Weisglas: «Het was een goed en puntig debat. Om zes uur was iedereen thuis. De tweede dag duurde langer, toen waren we om één uur klaar. Maar het waren ook belangrijke thema’s die aan de orde waren.»

Daar moet het volgens hem niet bij blijven: «Twee dingen moeten veranderen. Allereerst is er een cultuuromslag nodig. In de eerste helft van 2002 zag je dat politiek op straat weer aan de orde was. De omslag moet zijn dat dit soort debatten in de politieke arena plaatsvindt. Ten tweede moet de manier van debatteren veranderen. Kamerleden moeten zich ervan bewust zijn dat zij het debat kunnen winnen door kort en krachtig te zijn. Het is belangrijk hoe het debat er van de buitenkant uitziet. Korter is belangrijk maar moet geen mantra worden.»

Het is moeilijk voor te stellen hoe parlementariërs de gedurende tientallen jaren ingesleten mores van het Haagse debat van zich gaan afschudden. Kunnen ze tegen hun natuur in op de stoel blijven zitten om het debat voor de kijker thuis interessanter te maken? Hoe gaat het debat eruitzien als vorm concurreert met inhoud?

Dát het anders moet in de Kamer, daarover is bijna iedereen het eens. Ook oud-parlementariër Gert Schutte vindt het een goed idee. Schutte was twintig jaar (1981-2001) lid van de Kamer, voor het GPV en later voor de ChristenUnie. Hij stond bekend als staatsrechtelijk geweten. Schutte: «Bij het bekorten van spreektijd is het natuurlijk van belang wat voor soort debat wordt gevoerd. Bij de bespreking van een wetsvoorstel is het belangrijk geen tijdslimiet te stellen. Dan gaat het om de inhoud van de tekst en daar heb je dus tijd voor nodig. Maar op andere momenten kan het korter. Bekorting van de spreektijd zou een goede prikkel zijn. Nu menen mensen dat ze hun tijd vol moeten maken.»

Volgens Schutte kan juist de voorzitter een grote rol spelen in de hervormingen: «Tot voor kort was dat een vrij passieve figuur. Nu hij voor het eerst echt is gekozen, is het misschien tijd om de voorzittersfunctie meer inhoud te geven. De voorgangers van Weisglas letten voornamelijk op een herhaling van standpunten. Deetman heeft daar stevig de hand aan gehouden. Dolman stond bekend om zijn strenge regime wat interrupties betreft. Het klassieke verhaal is dat Van Thiel het tegenovergestelde was. Hij had het standpunt dat de Kamer hem opdroeg een bepaalde agenda af te handelen. Ongeacht hoe laat het werd. De Kamer bepaalde immers de agenda. Dolman daarentegen had strenge sancties. Hij liet agendapunten niet behandelen wanneer het hem te lang duurde.»

Weisglas wil van geen grotere rol weten: «Mijn stijl is niet anders dan die van mijn voorganger. Ik wil niet de schoolmeester van Nederland worden. De voorzitter moet voorzitten, het woord zegt het al. Maar ook ministers moeten kort gehouden worden en gestimuleerd om informatie te geven. Kamerleden mogen niet met een kluitje in het riet gestuurd worden. Dat is ook een taak van de voorzitter.»

Het is nog de vraag met wat voor concrete voorstellen de Commissie Werkwijze gaat komen. Maar wanneer de Kamer, sterker dan nu, gebonden wordt aan vorm komt ook de kwaliteit in het geding. Wanneer is voldoende antwoord verstrekt? Wanneer is iemand te lang aan het woord? Daarop moet één persoon antwoorden: de voorzitter. De Kamer kan dat niet als collectief. Het vraagt een groot inhoudelijk inzicht en persoonlijk overwicht van de kamervoorzitter om kamerleden kort te houden of juist vrij te laten wanneer de inhoud van het debat dat vereist. Of hij dat nu zelf wil of niet. Wanneer Weisglas de debatcultuur wil hervormen, kan hij niet ontkennen dat zijn functie daarin een cruciale rol speelt. Hij zal flink moeten handhaven, ook als dat wrevel oproept.

Het akkefietje tussen De Vries en Weisglas roept dan ook een vergelijking op met voetbal, een spel waarin alles is geregeld. De scheidsrechter is de onmisbare baas op het veld. Elk fluitsignaal wordt door de spelers aangevochten. Geen buitenspel, wel buitenspel. De tribune scandeert altijd ontevreden obscene taal.

In voetbal hebben regels nooit de gunst van het publiek gewonnen.