Livius

Om zich heen grijpende decadentie

Het grootste deel van Titus Livius’ onlangs vertaalde boeken bestaat uit vervelende veldslagen. Maar tussen het wapengekletter door staan ook mooie voorbeelden van patriottistische welsprekendheid. Livius ziet het met de grootheid van het oude Rome misgaan: de welvaart is de Romeinen naar het hoofd gestegen.

In het jaar 195 voor Christus, kort nadat bij Cannae vijftigduizend Romeinen door de Carthagers over de kling waren gejaagd, diende volkstribuun Gaius Oppius een wet in die inhield dat «geen vrouw meer dan veertien gram goud mocht bezitten of een kleurig gewaad mocht dragen of zich met paard en wagen mocht laten vervoeren in Rome of in een andere stad of binnen een mijl in de omtrek daarvan, behalve om deel te nemen aan de staatscultus». In perioden van nationale rampspoed dient de vrouw zich nu eenmaal bescheiden op te stellen, af te zien van opsmuk en genoegen te nemen met de benenwagen. Het spreekt vanzelf dat deze maat regel uiterst effectief was, want binnen vijftien jaar was Hannibal verslagen en Rome uitgegroeid tot wereldmacht. Zo zie je wat soberheid vermag.

In het jaar 195 v.C. stelden twee volkstribunen voor de wet van Oppius af te schaffen. Debatten tussen voor- en tegenstanders van de wet liepen hoog op, wat werd verergerd doordat zelfs gehuwde vrouwen «door geen autoriteit of gevoel voor fatsoen of bevel van hun mannen» binnenshuis konden worden gehouden. Massaal bezetten zij de straten en smeekten hun echtgenoten in de volksvergadering voor afschaffing van de wet te stemmen. Consul Marcus Porcius Cato, een man die overigens van mening was dat Carthago moest worden verwoest, hield vervolgens een redevoering waarin hij fel uithaalde naar alles wat in zijn ogen op decadentie wees. Romeinse mannen moesten, zoals ze al eeuwen hadden gedaan, hun vrouwen streng in de hand houden: «Geef een onbeheerst wezen en ongetemd schepsel maar de vrije teugel, en hoop dan dat ze zelf aan die bandeloosheid paal en perk zullen stellen!» Geef vrouwen één vinger en ze nemen de hele hand. De wet moet gehandhaafd blijven.

In zijn bijna talibanesk seksisme stond Cato beslist niet alleen, toch wisten tegenstanders van de wet het pleit te winnen. Het is de moeite waard naar hun voornaamste argumenten te kijken. Als de welvaart toeneemt, zullen mannen zich duurder gaan kleden, terwijl ook hun paarden fraaiere dekkleden krijgen. Mogen we dan ook vrouwen niet toestaan purperen gewaden te dragen? Maar wat belangrijker is: wie zijn gezag over het zwakke geslacht op de wet moet baseren, is zijn macht in feite al kwijt. Mannen moeten thuis van nature gezag afdwingen. Dat is trouwens wat vrouwen diep in hun hart het liefst wensen: «Ze willen liever dat ú beslist over hun kleding dan de wet; en u van uw kant moet ze onder uw toezicht en voogdij houden, niet in slavernij, en liever willen dat ze u vader of man noemen dan heer en meester.» Kern van het debat is enerzijds dat de beschaving aan hebzucht en hang naar luxe te gronde gaat, anderzijds dat wie zijn machtswellust weet in te tomen, op de lange duur vaster in het zadel zit.

Met deze fascinerende discussie begint het 34ste deel van Livius’ reusachtige werk over de Romeinse geschiedenis. Mannen en vrouwen, meesters en slaven, Romeinen en Grieken staan in de door Livius opgeroepen wereld lijnrecht tegenover elkaar. Het is duidelijk waar de sympathie van de auteur ligt. Vrouwen, Grieken en slaven moeten hun plaats kennen, aloude deugden als moed, uithoudingsvermogen en soberheid vormen de basis voor een gezonde samenleving, en in tijden van nood moet het gehele Romeinse volk als één man achter de senaat en de consuls staan. Alleen in dat geval blijven de goden een gestage toestroom van buit, overzeese kunstwerken en oosterse slaven garanderen.

Livius (59 v.C.-17 n.C.) schreef zijn boeken vanaf de stichting van de stad in de decennia dat Augustus, als eerste keizer van het gigantische rijk, een poging deed de door burgeroorlogen uitgeputte en gedesillusioneerde maatschappij weer zelfvertrouwen te geven. Afgezien van ingrijpende wijzigingen in het politieke systeem voerde Augustus, zelf een verwoed aanbidder van minderjarige maagden, ook een moreel reveil in, waarbij huwelijkstrouw en het baren van zoveel mogelijk zonen wettelijk en financieel aantrekkelijk werden gemaakt. Daarnaast stimuleerde hij beeldende kunst en literatuur, mits deze zijn ideeën ondersteunden, hetgeen begaafde dichters als Horatius en Vergilius geen windeieren legde. De iets minder brave Ovidius werd zonder pardon verbannen naar de uiterste periferie van het rijk.

Dat dit de sfeer was waarin Livius aan zijn 142 delen tellende opus werkte, is vanaf de allereerste bladzijde duidelijk. Livius was geen wetenschapsman, maar een schoolmeester met een roeping. De grootheid van het oude Rome was gebaseerd op deugden die in de loop der eeuwen hopeloos in het slop waren geraakt. De grootste oorzaak daarvan was het feit dat de welvaart de Romeinen naar het hoofd was gestegen. In de eerste tien boeken, waarin Livius de stichting van de stad en de eerste eeuwen beschrijft, heeft hij veel gelegenheid mannen te bezingen die nog weten hoe het hoort: starre landbouwers die zich plichtsgetrouw maar vreugdeloos in het krijgsgewoel storten. De tien boeken die daarna kwamen zijn verloren gegaan, in de boeken xxi tot en met xxx wordt de heroïsche krachtmeting met de Carthager Hannibal uit de doeken gedaan. Maar in de boeken xxxi tot en met xlv, die nu in vertaling zijn verschenen, zie je het misgaan. Goed, Rome weet Macedonië en Syrië op de knieën te dwingen en alle Grieken vrij te verklaren — een gotspe van de eerste orde — maar in de eeuwige stad grijpt de decadentie om zich heen en nestelen zich vreemde sektes als die van Bacchus. Veldheer Aemilius Paulus gaat na de beslissende veldslag tegen koning Perseus van Macedonië een tijdje met vakantie in Griekenland, omdat hij inziet dat daar cultureel meer te beleven valt dan in zijn eigen land. En in 187 v.C. blijkt dat Scipio Africanus, de overwinnaar van Hannibal, zich tijdens de oorlog schandelijk heeft verrijkt.

Typerend is de rol van de dichter Ennius (239-169 v.C.), die door Livius slechts terloops wordt genoemd, hoewel hij ten tijde van keizer Augustus nog volop werd gelezen. Ennius werd geboren in het zuiden van Italië, sprak Oskisch, Grieks en Latijn en kwam aan het eind van de Tweede Punische Oorlog in het gevolg van Cato naar Rome, waar hij al spoedig uitgroeide tot nationaal dichter. Zijn poëzie, waarvan helaas slechts enkele honderden regels bewaard zijn gebleven, blinkt uit door ronkende grootheidswaan en verheerlijking van de Romeinse idealen. Wie zich in het werk van Ennius verdiept, ziet echter al gauw dat het medium waarin de dichter zich uitdrukt absoluut on-Romeins is. Ennius schrijft in een Griekse versmaat, refereert voortdurend aan Homeros, is geïnteresseerd in contemporaine wetenschap en houdt van de geleerde woordspelletjes die bon ton waren in het hellenistische Alexandrië. De Romeinse literatuur is een Griekse schepping.

Dat geldt zeker ook voor het werk van Livius, dat ondenkbaar is zonder Griekse voorbeelden. Met name de redevoeringen die Livius tal van helden in de mond legt, getuigen van zijn schatplichtigheid aan de Griekse cultuur die hij, als de meeste Romeinen van de oude stempel, met hartgrondige bewondering afwees. Het grootste deel van de thans vertaalde boeken bestaat weer uit grenzeloos vervelende veldslagen, maar tussen het wapengekletter door zijn juweeltjes van patriottistische welsprekendheid te vinden.

Ook de oude Cato, die een uitermate stug standaardwerk over landbouw schreef, maar op het gebied van de retorica goed naar de verderfelijke Griekjes had gekeken, wist waarover hij het had toen hij zijn tijdgenoten waarschuwde: «U hebt mij dikwijls horen klagen over de uitgaven van vrouwen en dikwijls over die van mannen, zowel privé als in functie, en mij horen zeggen dat onze gemeenschap lijdt aan twee tegenovergestelde gebreken: hebzucht en weeldezucht, kwalen die alle grote rijken te gronde hebben gericht. Daarover gaat het ook nu: naarmate de positie van onze staat met de dag beter en gelukkiger is en naarmate onze macht groeit — we zijn nu al naar Griekenland en Azië overgestoken, landen vol van alle verlokkingen voor uitspattingen, en we strekken onze handen al uit naar schatten van koningen — neemt ook mijn angst toe dat die dingen ons meer in hun greep zullen krijgen dan wij hen.»

Zou dit boek ook nog een boodschap kunnen hebben voor ons, geborneerde en door en door materialistische westerlingen? Lees Livius. Maar houd maat. En sla de veldslagen liever over.

Livius, Vrijheid voor de Grieken: De geschiedenis van Rome XXXI-XLV

Vertaald door Hedwig W.A. van Rooijen-Dijkman Uitg. Atheneum, 952 blz., ƒ150,-