Kinderboekenweek

Omarm de wereld

Personages uit Nederlandse kinderboeken zijn blank, weldoorvoed en hebben een olijke blik. Kijken schrijvers ook buiten de grenzen? Het is de insteek van het thema van deze Kinderboekenweek: ‘hallo wereld!’

Medium kbwg illustratie bij h12 beeld van hees

Met boeken ontdek je de wereld, buiten en over de grens – zo ongeveer moet de boekenpromotie­club cpnb hebben gedacht toen deze koos voor ‘hallo wereld!’ als thema van de Kinderboeken­week. Nu zijn er voor kinderen, afhankelijk van hun leeftijd, tal van verschillende soorten werelden te ontdekken. Voor een peuter is een eerste ontmoeting met strand en zee net zo’n spannende ontdekkingstocht als een eerste zomer­vakantie in het buitenland dat is voor een vijfjarige. En voor een zesjarige kan een eerste leeservaring net zo’n openbaring zijn als een eerste verliefdheid voor een elfjarige.

De vraag dringt zich dus op welke wereld we in deze Kinderboekenweek moeten begroeten en welke boeken we aan het thema kunnen koppelen. Gaan we terug in de tijd en varen we mee met Johan Fabricius en zijn Scheepsjongens van Bontekoe? Laten we ons inspireren door Hans Hagen, die in cultureel antropologisch verantwoorde boeken als Het hanengevecht, ons laat kennismaken met kinderen uit andere landen voor wie een boterham en een dak boven het hoofd geen vanzelfsprekend gegeven zijn? Komen we terecht in een parallelle wereld, zoals Tonke Dragt die schetst in Aan de andere kant van de deur? Reizen we de wereld rond met De gele ballon van Charlotte Dematons, die met haar tekstloze prenten de aarde in al haar kleurrijke facetten toont? Of blijven we juist in het net nieuwe Nederland: een van Dematons’ mooiste prentenboeken ooit, een ontdekkingstocht meer dan waard en vooral een unieke encyclopedie van ons cultureel erfgoed, van schilderkunst tot kinderliteratuur tot bouwkunde en folklore. Ongetwijfeld zullen kinderen hun eigen favorieten uit het grote aanbod weten te pikken. Wel roept dat de vraag op wat dan eigenlijk de toegevoegde waarde van zo’n boekenweekthema is, als het zo allesomvattend is.

Een goed thema zou zowel een leidraad als een inspiratiebron moeten zijn. Het zou kinderen en hun ouders een goed begaanbare weg in kinderboekenland moeten wijzen. Het zou zichtbaar moeten maken welke kinderboeken het predikaat ‘goed’ verdienen en welke niet. Tegelijkertijd zou de ingeslagen boekenweg ook moeten verrassen en moeten leiden naar nog onbekende horizonten. In het nabije verleden is dat de cpnb verschillende keren goed gelukt, met inspirerende thema’s als ‘zinnenverzinzin’ in 2008, dat het moeilijke en noodlijdende genre van de kinderdichtkunst nieuw leven inblies, en ‘de grote tekententoonstelling’ in 2010, een onverwachte lofzang op de rijke illustratiekunst in Nederland.

Nu kun je stellen dat ‘hallo wereld!’ lovenswaardig aandacht vraagt voor de wereldwijde onrust die via (jeugd)journaal en sociale media meer dan ooit het leven van kinderen binnenkomt, beelden uit Syrië, of gruwelijke berichten over uitgehongerde kinderen in Afrika, of kinderen in Azië die door onverwacht, hevig natuurgeweld plots als wees door het leven moeten. Het is lang geleden dat de cpnb boeken­aandacht vroeg voor kinderen uit andere landen en culturen (1987, toen het thema ‘die van hiernaast en van de overkant’ kinderen en kinderboeken uit Europa centraal stelde). Waarom is zo lang gewacht met een hernieuwde begroeting van onze wereld? Is dat omdat maar weinig Nederlandse kinderboekenschrijvers de grens over durven te steken? Is dat omdat maar weinigen oog hebben voor de actualiteit?

Feit is dat Nederlandse schrijvers van oudsher graag dicht bij huis blijven. Onze kinderboekenhelden zijn heel gewone, alledaagse kinderen. Ot en Sien, Dik Trom, Jip en Janneke, Hielke en Sietse Klinkhamer en ‘Hoe-Overleef-ik-Rosa-van-Dijk’ zouden onze buurkinderen kunnen zijn. Ze zijn blank, weldoorvoed en hebben een olijke blik. Ze zijn enigszins tegendraads, maar hebben het hart op de goede plek en we weten allemaal dat ze later uiteindelijk bovenste beste brave burgers zullen worden.

Nederlandse (kinderboeken)auteurs zijn niet snel geneigd voorbij de horizon te kijken. Fantasieverhalen staan niet in hoog aanzien: al in 1779 wees Betje Wolf in haar Proeve over de opvoeding op de mogelijke ‘overprikkeling van de verbeelding’ die het vertellen van ‘zotte sprookjes’ zou kunnen veroorzaken. Maar ook zijn er opvallend weinig boeken die kinderen reflectie bieden op wat er zich over de grens in de wrede buitenwereld afspeelt en zo een beroep doen op hun inlevingsvermogen (in aanleg).

Veel boeken worden geschreven om kinderen herkenning te bieden (een begrijpelijk maar te gemakkelijk uitgangspunt), of puur vermaak, liefst in een zo toegankelijk mogelijke vorm. Het Boekenweek­geschenk Het Akropolis Genootschap van Tosca Menten, een zot verhaal waarin de familie Nootje een erfenis van een kwart miljoen euro najaagt en dat dus niets met het boekenweekthema te maken heeft, is wat dat betreft illustratief. De vraag is echter wie zichzelf met dit soort boeken verrijkt. De lezer? Of de Francine Oomens en Manon Sikkels van deze wereld?

Gelukkig blijven er ook mooie boeken verschijnen. Nederland kent veel kinderboeken­auteurs die weliswaar heel dicht bij de huis-tuin-en-keuken-ervaringen van hun lezers blijven door zaken als vriendschap, liefde en dood als onderwerp te kiezen, maar hun verhalen vanuit de taal vertellen en stilistisch onovertroffen zijn. Sjoerd Kuyper, die voor O rode papaver, boem pats knal! (zijn slotboek over de vertederende, fantasierijke kleuter Robin) een Griffel heeft gekregen, past in die traditie. Maar ook een nieuw talent als Jowi Schmidt, die een Vlag Wimpel ontving voor Ik heet Olivia en daar kan ik ook niets aan doen, een origineel verhaal over een traditionele rouwverwerking.

Toch zou je wensen dat meer schrijvers zich realiseren dat kinderen zich oprecht betrokken kunnen voelen bij misstanden in de wereld. Maatschappijkritiek in een aansprekende vorm is wel besteed aan ze. Is het niet treurig dat Edward van de Vendel, die in 2006 – toen hij de Annie M.G. Schmidt-lezing uitsprak – een dringende oproep deed tot meer maatschappelijke betrokkenheid in kinder- en jeugdboeken, zo weinig gehoor heeft gevonden? Ja, nadat hij zelf het goede voorbeeld had gegeven met De Gelukvinder, het vluchtverhaal van een Afghaanse jongen, volgde weliswaar een reeks boeken gebaseerd op echte levensverhalen van jongeren, maar iedereen die de zogenaamde Slahs-boeken kent zal beamen dat de meeste minder grensverleggend zijn dan aanvankelijk werd gehoopt. Dat een van de beste gelegenheids­uitgaven van deze Kinderboekenweek een herdruk is uit 1960 is alleszeggend. Met Gideon’s reizen schreef An Rutgers van der Loeff een boeiend reisverhaal waarin ze niet alleen feit en fictie, en ethiek en esthetiek knap combineert, maar vooral onbevooroordeeld toont hoe de levens van de kinderen die Gideon tijdens zijn reizen over de wereld ontmoet een allesbepalende rol spelen in het verwerken van zijn eigen levenservaringen en hem helpen de juiste keuzes te maken. Lees het en omarm de wereld.


Illustratie van Elly Hees uit het kinderboekenweekgeschenk 2012 “Het Akropolis Genootschap en De slag om bladzijde 37” van Tosca Menten