NAAR EEN OPEN SAMENLEVING 

Omarm de wereld

Er zijn naast de eng-nationale Heimat van Marijnissen en Verdonk meer manieren om je thuis te voelen in Nederland. Dat maakt ons nog geen wegkijkende kosmopolieten, betogen Jan Willem Duyvendak, Ewald Engelen en Ido de Haan. Deel twee van de discussie over ‘Bang Nederland’.
Reageer online>>>>

NEDERLAND IS DE AFGELOPEN jaren een benauwd en bevreesd land geworden. Werd Nederland tot diep in de jaren negentig door buitenlanders nog geroemd om zijn nuchtere omgang met culturele en etnische verscheidenheid en zijn pragmatische gedoogpolitiek, sinds 2002 heeft menig buitenlands commentator zich vertwijfeld afgevraagd hoe nuchterheid en tolerantie zo snel hebben kunnen omslaan in paniek en hysterie.
Wij zeggen niets nieuws als wij menen dat in Nederland angst heerst voor de buitenlander, voor het neoliberale monster uit Europa en de Verenigde Staten, en voor de ondermijning van nationale vitaliteit door een kosmopolitische elite die zich heeft verschanst in de veste van de Amsterdamse grachtengordel. Auteurs als Geert Mak, Ian Buruma, Bas Heijne en Peter Giesen zijn ons in deze analyse voorgegaan en hebben gewezen op de irrationaliteit van deze angstbeelden. Met hen zijn wij van mening dat deze angstbeelden niet willekeurig zijn maar dat er een patroon in schuilt.
Ten eerste is daar het beeld van de premoderne, exotische en dus onvoorspelbare ‘buitenlander’. Hij staat voor alles wat wij zelf niet zijn: hij is premodern, wij zijn modern of postmodern; hij is gelovig, wij zijn seculier; hij kent een eercultuur, wij een schaamtecultuur; hij blaast zichzelf op, wij proberen dat te voorkomen. Het tweede beeld is dat van de grenzeloze kosmopoliet, die wordt weggezet als ‘reiziger zonder binding’, als ‘passant’ en ‘toerist’, en uiteindelijk als zelfhatende nationalist en dus als ‘landverrader’. Het derde beeld is dat van de speculerende kapitalist die slechts uit is op snel rendement en geen enkele loyaliteit kent jegens werknemers, bedrijf of staat. Dit beeld van de ondernemer wordt gepresenteerd als bij uitstek on-Nederlands: het is de buitenlandse belegger die speculeert en zich bezondigt aan kortzichtigheid; de Nederlandse belegger zou trouw, bedachtzaam en geduldig zijn.
Waar onze voorgangers menen dat opiniemakers en politieke smaakbepalers reageren op een radicaliserend, van angst doordesemd electoraat draaien wij de causaliteit echter om. Niet het electoraat is bang, maar het is een onzekere, benauwde elite die de immer latent aanwezige onlustgevoelens van het electoraat bespeelt middels goed gekozen angstbeelden.
Als ergens sprake is van angst, dan is het bij de spraakmakende elite van politici, bestuurders, opiniemakers en de captains van het Nederlandse bedrijfsleven. Hun positie staat al geruime tijd onder druk. Zij zijn hun rol als bemiddelaars in de conflicten in de verzuilde samenleving kwijtgeraakt en hebben het culturele gezag als voorhoede van de beschaafde samenleving verloren. De ineenstorting van de culturele hiërarchie in de Nederlandse samenleving is beantwoord met een zoektocht naar een nieuwe roeping. En die heeft zij gevonden in een agressieve identificatie met de nationale identiteit en de hardhandige assimilatie van nieuwkomers en andersdenkenden aan het Nederlanderdom. Net als aan het eind van de negentiende eeuw kan de elite zich zo opwerpen als de gids die het onverlichte deel der natie naar een nieuw morgenland voert. Daarmee de noodzakelijkheid van haar eigen prominente positie rechtvaardigend.
Welhaast de hele Nederlandse elite eist aanpassing van migranten aan ‘de’ Nederlandse cultuur, ook sociaal-democratische en liberale politici. Gelijkheid van vrouwen en mannen en van homo’s en hetero’s is uitgeroepen tot de harde kern van de Nederlandse identiteit. Hoe welkom deze omarming van progressieve waarden door zoveel Nederlanders naar ons idee ook is, dat mag ons nog niet blind maken voor het feit dat de elite uiteindelijk slechts een deel van de progressieve waarden heeft overgenomen: de tolerantie is eruit verdwenen.
De elite is niet alleen in het gedrang geraakt in culturele, maar ook in politieke zin. Het populisme van de laatste jaren is daarvan een symptoom, niet de verklaring. De oorzaken van het verval van het politieke gezag van de elite moeten elders worden gezocht. Hoewel de aandacht van de politieke elite vooral uitgaat naar de zogenaamde ‘kloof’ tussen burgers en bestuur denken wij dat ‘verspreiding’ of ‘verplaatsing’ van de politiek het eigenlijke probleem is. Daarmee duiden wij op het verschijnsel dat politiek steeds minder louter om ‘Den Haag Vandaag’ draait: beslissingen worden in toenemende mate genomen op andere bestuurlijke niveaus, in Brussel, Luxemburg en Straatsburg, op het lokale niveau van gemeenten en regio’s; afgedwongen via de (bestuurs)rechter; als fait accompli opgelegd door het bedrijfsleven; van tevoren al uitonderhandeld in allerlei advies- en overlegorganen, of voorgekookt in de ministeries. Bovendien is een belangrijk deel van de uitvoering, maar ook van de beleidsvoorbereiding en zelfs van de menings- en besluitvorming uitbesteed aan semi-openbare toezichthoudende instanties.
Dit schept een aantal problemen voor een politieke elite die haar gezag ontleent aan parlementsverkiezingen, coalitieakkoorden of benoemingen door democratisch gecontroleerde ministers. Ten eerste is ‘politiek’ stomweg veel ingewikkelder geworden, wat hogere eisen stelt aan expertise en deskundigheid en de ‘kloof’ met het electoraat alleen om die reden al vergroot. Ten tweede heeft verspreiding in sommige opzichtige gevallen geleid tot bestuurlijke en politieke verlamming. We hoeven maar te wijzen naar ‘hoofdpijndossiers’ als de OV-chipkaart of de hervorming van het onderwijs. Deze opzichtige incompetentie voedt de onzekerheid van de politieke kaste – zelfs nu het vertrouwen in de politiek onder de bevolking weer lijkt te groeien. Ten derde heeft de erosie van het partijapparaat als kanaal van electorale aansprakelijkheid een representatiegat gecreëerd waar de media gretig in zijn gesprongen. Gegeven de kortzichtige logica van het mediabedrijf heeft dit geleid tot een verlies van controle over de eigen agenda van de politieke elite.
Tot slot is ook die andere steunpilaar van het Nederlandse bestuurlijke bestel, het old boys network dat in Nederland de economische bestuursposten bezette en verdeelde, in toenemende mate aan het vergruizen. Het moet zijn elitepositie geleidelijk delen met buitenlanders en nieuwe rijken. Ter illustratie: momenteel heeft 43 procent van de bestuurders van de 21 ondernemingen die op dit moment de AEX bepalen een Nederlands paspoort. Bij commissarissen is dat 51 procent. Alleen de voorzitters van de raad van commissarissen halen nog een percentage van 63. Bedrijven verlaten hun nationale markten en leggen zich steeds meer toe op het ontvouwen van mondiale strategieën. Dat is gepaard gegaan met de opkomst van een supranationale meritocratische elite van professionele bestuurders die zich steeds minder gelegen laten liggen aan nationale sentimenten. Voeg daarbij de opkomst van de ‘vastgoedjongens’, de ‘ICT-jongens’, en de ‘celebrities’ die de pagina’s van Quote bevolken, en het beeld van een nationale elite in verval is compleet.
Anders dan Willem Schinkel in zijn welwillende recensie meent, hanteren wij derhalve een uitgesproken politieke verklaring voor de angst in de Nederlandse samenleving: niet de bevolking is bang, maar de elite jaagt uit vrees voor statusverlies de rest van de samenleving angst aan. De wijze waarop problemen door burgers worden verwoord, blijkt in hoge mate te worden beïnvloed door de probleemanalyse die zij van politieke leiders van links tot rechts, en van opinieleiders van Afshin Ellian tot Joost Zwagerman krijgen aangedragen. Waar buurtbewoners klagen over overlast wordt dat door de spraakmakende elite verwoord als een probleem van ‘moslims’, met een pasklare oplossing: verban de islam, nationaliseer de islamiet. En ieder die het anders ziet wordt weggezet als naïeve multiculturalist die de klachten van de gewone mensen in de oude wijken niet serieus wenst te nemen. Daarmee is het probleem symbolisch opgelost, de status van de elite gered, en zijn degenen die wijzen op de schade die het getamboereer op de nationale identiteit veroorzaakt gedesavoueerd.
Dat maakt ons nog niet tot wegkijkende kosmopolieten, zoals Schinkel ons aanwrijft. In het huidige politieke klimaat is dat nog slechts een scheldwoord dat is bedoeld om de critici van de monoculturele samenleving monddood te maken. Wij willen erop wijzen dat de reële problemen waar het armere en kanslozere deel van de Nederlandse bevolking – allochtoon en autochtoon – mee worstelt door het neonationalistische tromgeroffel alleen maar groter worden. Onderwijs en gelijke toegang tot de arbeidsmarkt zijn voor de bestrijding van die problemen naar onze mening effectievere instrumenten.
Ten slotte laten wij het niet bij de oproep om de luiken open te gooien, de wereld te omarmen en de open samenleving te vieren. Wij gaan wel degelijk verder dan het doen van slechts een appèl. In het laatste hoofdstuk van Het bange Nederland geven we aan dat er talloze manieren zijn om je in Nederland thuis te voelen; de nationale Heimat van Marijnissen en Verdonk is in dat perspectief een armoedige en uitsluitende grondslag voor gemeenschapszin. We schetsen een beeld van de Nederlandse verzorgingsstaat die door een grotere nadruk op activering en levenslange scholing gewapend is tegen de ruige wind van het internationale kapitalisme, waar Nederlanders, ondanks de schade van de huidige kredietcrisis, een groot deel van hun welvaart aan te danken hebben. En wij bepleiten een eerherstel van de politiek als beroep, tegen de populistische weg-met-ons-mentaliteit die de politieke elite heeft verlamd.
Maar dat alles kan niet zonder een elite die niet alleen feitelijk leiding geeft, maar ook moreel en praktisch de weelde van dat leiderschap kan dragen. Juist vanwege dat ‘noblesse oblige’ pleiten we voor een beter wervings- en selectiesysteem voor de Nederlandse elite. Het grootste manco zit bij het onderwijsbestel, met een te vroege, te strenge en te onverbiddelijke selectie aan het begin van de onderwijscarrière, die daardoor de arbeidskansen en de verdere levensloop te sterk bepaalt – met alle bedreigingen en kwetsbaarheden voor uitvallers van dien – en een vrijwel afwezige selectiviteit in het hoger onderwijs. Oftewel, in plaats van de schone schijn van meritocratische selectie op te houden, die het Nederlandse onderwijsbestel nu uitstraalt, pleiten wij ervoor om de selectiviteit en de competitiviteit van de Nederlandse universiteiten sterk te vergroten.
Uiteraard is dit maar één manier om excellentie onder de elite te stimuleren. Het meritocratische uitgangspunt aan de top zou ook moeten zijn dat verdienste goed wordt beloond, maar dat wie hoog stijgt diep moet kunnen vallen, zoals bijvoorbeeld oud-ABN Amro-baas Rijkman Groenink maar niet lijkt te kunnen accepteren. Wij zijn ervan overtuigd dat dit een ander ethos zal voeden, en bij zal dragen aan de vorming van een elite die haar toevlucht niet langer zoekt in een benauwd nationalisme, maar de moed heeft om de open samenleving recht in het gezicht te kijken.

Jan Willem Duyvendak en Ewald Engelen zijn respectievelijk hoogleraar sociologie en financieel-geografisch onderzoeker aan de Universiteit van Amsterdam. Ido de Haan is hoogleraar politieke geschiedenis aan de Universiteit Utrecht


Klik hier voor deel een uit deze serie