Essay: De nieuwe diversiteit

Omarm het verschil

De Nederlander bestaat wel, maar hij kan niet worden gereduceerd tot één groep, sociaal verband of vastomlijnde starre identiteit. Meerbloedige Nederlanders weten dat: zij kunnen als een kameleon elke gewenste kleur aannemen. Zij zijn evenwichtskunstenaars en bruggenbouwers.

Medium dom antao

‘Ehlen marhaba, welkom, salem allemaal, heerlijk om even onder elkaar te zijn!’ roept een van mijn vriendinnen terwijl ze de groep luid lachende en kletsende dames op de bovenste verdieping van een chique hotel dramatische kushandjes toewerpt. Een andere vriendin schenkt haar behendig een glas wijn in, vliegensvlug worden kaartjes uitgewisseld. Dit is netwerken met stijl. Luidruchtig worden deals gemaakt en overeenkomsten beklonken – niet van zakelijke, maar van persoonlijke aard. We beloven elkaar trouw, true Arab sisterhood. Je bent er voor elkaar, want de buitenwereld maakt het ons al moeilijk genoeg.

Een omstander vraagt ons omzichtig of we Armeens zijn. We lachen. Nee, Armeens zijn we niet. Wel Marokkaans, Tunesisch, Egyptisch, Turks, Koerdisch en in een geval zelfs Oekraïens. En Nederlands natuurlijk. Dat zijn we allemaal, maar dat vergeten we te zeggen omdat het zo vanzelfsprekend is.

Ik vind het heerlijk om tussen deze dames te zitten en naar de soms wat geërgerde maar vooral nieuwsgierige mannen in pak te kijken. Het moet een gek gezicht voor hen zijn, deze gekleurde vrouwen met donker krulhaar die hun veilige bastion hier hoog in de toren van een vijfsterrenhotel bestormen. Misschien is het ook wel een beetje verontrustend voor ze, deze ambitieuze dames, die zich in hun mantelpakjes en glitterjurkjes beklagen over het blanke plafond en het ellenbogenwerk van Hollandse soortgenoten, gieren om schunnige grapjes over slechte seks, hammamgeheimen uitwisselen en luid roepen dat ze de wereld gaan veroveren en die kalende mannen in hun slecht zittende pakken ver achter zich zullen laten. Deze vrouwen zijn progressief, toonbeelden van integratie, westerse succes stories. Ze hebben hun opleiding gevolgd op Nederlandse scholen en universiteiten en hebben het op hun eigen manier gemaakt, al wonen ze in huurflatjes en bezit de helft geen auto. Maar assimileren willen ze niet. Ze zouden het ook niet kunnen. De verschillende identiteiten en culturen die ze in zich verenigen, gaan zo naadloos in elkaar over dat ze hun diepste zijn zouden moeten opgeven om aan een kant van het multiculturele spectrum te staan.

Nooit eerder nam ik deel aan een etentje dat zo specifiek op sekse en afkomst was georganiseerd. Onwennig schuif ik op mijn stoel heen en weer. Tegelijkertijd voelt het in dit gezelschap op een vreemde manier als thuiskomen. Na jarenlang als Monique, de kaaskop in Holland, en Mounira, de shoarmaeter in Egypte, te hebben geleefd, lijken beide werelden eindelijk bij elkaar te komen en mijn verschillende identiteiten meer fluïde in elkaar over te mogen gaan.

Ik ben geen Marokkaanse met krulhaar en geen Turkse moslima. Ik ben christen, meerbloedig en als enige vrouw aan tafel geen hetero. Tussen deze dames en mij bestaan net zo veel verschillen als overeenkomsten. Maar ik spreek m’n talen en buikdans beter. Dat alleen al schept een band die voor een buitenstaander nauwelijks te begrijpen valt.

De daaropvolgende week drink ik met zes gekleurde lesbo’s een glaasje muntthee. Ze zijn Indo-Nederlands en Marokkaans-Frans tot Brits-Chinees en Liberiaans-Amerikaans, meerbloedig, Nederlands en vooral gay. We praten over hennanachten en beenharsdebacles, hippe feestjes en de historische Arabische nachtegaal Oum Kalthoum. Opnieuw vallen de begrippen loyaliteit en sisterhood. Het verlangen om samen te zijn is groot, wij zijn immers anders dan de anderen, altijd en overal. Thuis komen we slechts na een lange, vaak moeizame strijd uit de kast, als we dat al doen. ‘Je kunt beter zwart zijn dan homo’, luidt een ironische Amerikaanse grap. ‘Want als je zwart bent hoef je het in ieder geval niet aan je moeder te vertellen.’

Ik voel een innige verwantschap met deze stralende jonge vrouwen die voortdurend tegen de grenzen van cultuur en religie ­opbotsen en opboksen, een minderheid binnen de minderheden.

Toch is dit niet alles. Met de vrienden van een goede vriend bezoek ik een uitvoering van de Matthäus Passion in het Concertgebouw. Ik ben de benjamin in dit blanke intellectuele gezelschap waarvan de oudste de zestig is gepasseerd. Men kijkt even verbaasd op als ik bij het eten vooraf aanschuif, maar uiteindelijk blijkt mijn liefde voor Bach en zijn haast goddelijke kerkmuziek even groot.

Als kind was ik me weliswaar bewust van mijn Egyptische wortels, maar mijn ouders benadrukten vooral mijn Nederlandse identiteit. Ik werd grootgebracht met melk en kaas, knotwilgen en de hervormde kerk, polders en de Hoge Veluwe, fietsen en schaatsen op de bevroren sloot. Mijn vriendinnen waren blanke meiden, door mijn moeder liefkozend haar blonde dochters genoemd. Tegelijkertijd buikdansten we op zaterdag en aten we shoarma op zondag – ook in de tijd dat het gekruide reepjes­vlees nog niet kant-en-klaar in de schappen van de supermarkt lag. Mijn vader deed er alles aan om accentloos Nederlands te spreken. Dat ik daardoor jaren later het Arabisch als tweede taal moest leren nam hij graag op de koop toe. Ik niet. Ik wilde beide talen spreken en beide culturen omarmen.

Het ontbrak mijn ouders niet aan een zekere trots. Zo weigerde mijn moeder ons halfbloed te noemen en sprak ze in plaats daarvan over ‘meerbloedig’. Je bent én-én, maar net iets meer het ene dan dat andere, leek de heersende gedachte thuis.

Al was ik me amper bewust van een mijn gemengde afkomst, de buitenwereld zag dat anders. Ik ontdekte dat op vierjarige leeftijd, toen de buurtkinderen me uit de speeltuin weerden omdat de glijbaan alleen ‘voor blanke kinderen’ was. Verbaasd vroeg ik mijn moeder na mijn eerste schooldag waarom ik ‘een ander vachtje had dan de andere kindjes’.Mijn moeder was diep gekwetst als haar weer eens gevraagd werd uit welk land ze haar twee ‘donkere’ dochters had geadopteerd. Mijn vader had het, geboren in Caïro, nog wat moeilijker. Terwijl hij al lang en breed genaturaliseerd was, bleef men hem naar zijn afkomst vragen. ‘Waar kom je vandaan?’ ‘Waarom ben je hier?’ En de belangrijkste: ‘Wanneer ga je terug?’

Mijn zoektocht naar mijn identiteit werd niet alleen aangewakkerd door een natuurlijke nieuwsgierigheid naar die andere kant van de Middellandse Zee, die andere cultuur die mij tot mij maakt, maar ook door de reacties uit mijn omgeving. Ik was of ‘hartstikke blank’ en ‘mega-Hollands’, of een ‘buitenlander’ die dan wel weer ‘best goed Nederlands spreekt’. Een middenweg leek niet te bestaan. Het was het een of het ander. Langzaam ontwaarde zich een groeiend gevoel van anders-zijn, kind van een buitenlander, eeuwig gelabeld, zeker toen de multi­culturele droom werd afgeschaft en de Nederlandse media van de ene op de andere dag bol kwamen te staan van integratie- en assimilatiedebatten, kut- en knuffel-Marokkanen, Nederlanders en Medelanders, allochtoon en autochtoon.

Op de beruchte maandag in 2001 toen de Twin Towers neerstortten en de vlammen uit het Pentagon sloegen, zag ik fietsend door mijn geboorteplaats Amersfoort hoe jongens met Marokkaanse (groot)ouders dansend over straat gingen en ‘Allah al-Akbar’ riepen. Buurtbewoners renden naar buiten en vloekten en tierden. Toen al wist ik dat 9/11 de wereld voorgoed zou veranderen. Fortuyn kwam op. Van Gogh werd vermoord. Neonazi’s vielen moskeeën aan. Mijn kerk, die in een gekleurde wijk stond, kreeg politiebewaking. Opgeschoten jongens trapten me herhaaldelijk van mijn fiets, ‘kutmarokkaan!’ en ‘teringmoslim!’ roepend. Ik ben geen Marokkaan en ook geen moslim. Dat riep ik ook, maar het mocht niet baten. Mijn kleur, hoe licht ook, was genoeg om me over één kam met islamitische jihadisten te scheren. De bekendste van hen, Mohamed Atta, kwam ook nog eens uit Egypte.

Van de ene op de andere dag werd ik door medeleerlingen tot Arabier bestempeld en moest ik terug naar m’n eigen land – al was ik daar al, ben ik er altijd geweest. Er braken relletjes en gevechten uit tussen de leerlingen van mijn gereformeerde middelbare school en de christelijke school in dezelfde straat, waarop veel islamitische leerlingen zaten. Sneeuw­ballen, stenen en lege flesjes werden door honderden leerlingen over en weer gegooid. Ik verschanste me tussen de boeken in de mediatheek, ver weg van al het religieuze strijdgewoel.

Alles werd politiek, van het hoofddoekje achter de kassa tot het kruisje om mijn nek. Symbolen, woorden – alles werd beladen. Ik was onderdeel geworden van de post-11 september-generatie. De generatie die opgroeide in een samenleving die wanhopig worstelde met haar identiteit. In een land dat opeens gegijzeld werd door een wij-zij-denken.

Niet alleen de buitenwereld veranderde, ook bij ons thuis kwam een culturele verandering op gang. De Arabische muziek ging vaker aan. We vlogen steeds vaker naar Caïro. De banden met de familie in Egypte werden nauwer aangehaald. Mijn vader begon meer Egyptische films te kijken. Wij, mijn zusje en ik, waren tieners nu en leerden langzaam de taal. Ik zie ons nog het Arabische alfabet opdreunen aan de keukentafel. ‘Alif-bih-tih.’ Netjes een schriftje erbij. Als christenen gingen we niet naar de koranschool om daar Arabisch te leren. Onze vader was onze leraar.

Te midden van het tumult over allochtonen zag ik vrijwel iedere Nederlander teruggrijpen naar zijn roots. Voor de blanke Hollander waren dit het debat over de canon en de ik-hou-van-Holland-show en 100% NL. Voor de gekleurde Nederlander, zeker de meerbloed of tweede of derde generatie migrant, lag het ingewikkelder. Hij zocht zijn heil bij de Turkse bakker, de hoofddoek en moskee, gefrustreerde webfora, eten uit de eigen toko en uitbundige feestjes waar gedanst wordt op ‘echte muziek’. Tegelijkertijd zag ik bij deze groep ook een ongewilde afkeer van schotel­antennes en lange jurkjassen. Uiteindelijk willen we allemaal Nederlander zijn: succesvol, geslaagd, geïntegreerd. Niemand wil dagelijks worden gevraagd waar hij vandaan komt. Maar wat als je niet meer om die vraag heen kunt, als hij je dag en nacht wordt gesteld?

Zoals de wereldberoemde term ‘apartheid’ synoniem is voor het systeem van geconstitutionaliseerde rassensegregatie zoals dat tot begin jaren negentig in Zuid-Afrika bestond, zo blijft de Nederlandse taal doorspekt met woorden die segregeren en verdelen en daarmee een psychologische vorm van apartheid in stand houden. Zoals de term ‘allochtoon’ als gekleurde tegenhanger van de inheemse blanke ‘autochtoon’. Spreekt men in het Engels, Frans of Duits van migrant, immigré of Einwanderer, wij typeren onze burgers als ‘van hier’ of ‘niet van hier’. Het begrip strekt zich uit over generaties, want ook een kind van een autochtone vader en allochtone moeder (of andersom) is een allochtoon, evenals zijn klein­kinderen en achterkleinkinderen. Daarbij bestaat er onderscheid tussen westerse en niet-westerse allochtonen, een onderverdeling die overigens niet zozeer op culturele affiniteit is gebaseerd, als wel op de economische staat van het land van herkomst. Zo is een net genaturaliseerde Zuid-Afrikaan of Japanner voor de Nederlandse overheid een westerse allochtoon, maar een derde-generatie ‘Medelander’ met grootouders uit Istanbul niet.

‘Voor ons ben je een allochtoon’, legde een gemeenteambtenaar mij eens omstandig uit toen ik voor het eerst mijn ID-kaart op kwam halen en hij die weigerde te verstrekken omdat ik in al mijn onwetendheid geen opgaaf van een mogelijke tweede nationaliteit had gegeven. Het werd een nare kwestie waarbij ik een half uur lang werd ondervraagd en nog heel wat uren moest wachten eer ik mijn identiteitspas kreeg. Ik had tot dan toe geen eigen papieren, dus wie kon eigenlijk zeggen dat dit zestienjarige meisje wel echt een Nederlands staatsburger was?

In mijn vaderland kreeg ik een tweede sociaal leven met eigen familie, vriendengroep, sportclubs en kerk. Maar in mijn moederland werd dat niet begrepen. Vriendinnen vroegen me geïrriteerd waarom ik het toch steeds over Egypte had. Zij begrepen de spagaat niet waarin ik lag. De ene dag stond ik in de chaos van de lawaaierige zanderige straten van Caïro, de andere dag fietste ik door een Vinex-wijk, strak gepland, elke steen recht, geen mens op straat.

‘Dit land is ons land niet meer’, verzuchtten steeds meer vrienden en familie in mijn omgeving. Ik herinner me nog hoe ik ze niet-begrijpend aankeek. Als Nederland hun land niet meer was, hoe kon het dan ooit mijn land zijn? Een oom en tante ontvluchtten de door hoofddoekjes overwoekerde Randstad om in het Deense Jutland een nieuw bestaan op te bouwen.

Na ruim een decennium vrijwel elk debat te hebben gedomineerd, leek het er de afgelopen maanden even op dat de verhitte discussie over gevaarlijke moslims en enge buitenlanders eindelijk wat in kracht afnam. Pim Fortuyn en Theo van Gogh zijn er niet meer, Ayaan Hirsi Ali mag haar islamofobe ideeën vrijelijk spuien bij haar rechtse vriendjes in Amerika, Osama bin Laden is dood en de pvv is in de regering verdrongen door de theedrinkers van de pvda. Er zijn grotere zaken om ons druk over te maken dan vreemde mensen – het voortbestaan van de euro bijvoorbeeld, de politieke crisis in Europa of het gapende gat in onze eigen portemonnee. In het licht van de economische problemen lijken het islamdebat en de buitenlanderdiscussies opeens populistische hobby’s. Onbelangrijk en vooral vermoeiend.

Maar toen was daar de adoptiekwestie rond het Turks-Nederlandse kindje Yunus, door jeugdzorg in goedbedoelde naïviteit ondergebracht bij een lesbisch pleeggezin, en stak het eeuwige Marokkanenprobleem weer de kop op. Emotionele reacties klonken van Amsterdam tot Ankara. Gretig schoven Abdelkader Benali en Soundos al-Ahmadi aan bij Pauw Witteman. Het aloude multicultidrama bleek slechts in een moeizame slaapstand beland om bij de minste of geringste strubbeling weer uit zijn sluimer te ontwaken. De droom van tolerantie blijkt telkens weer een luchtspiegeling. De verrassende toevoeging aan het bestaande discours was het besef dat de Nederlander met een kleurtje nu ook zelf toegeeft meer op te hebben met het land van herkomst dan aanvankelijk gedacht.

Het begrip ‘allochtoon’ roept weinig positieve associaties op. Waar een term als ‘migrant’ nog een zekere actieve handeling uitstraalt – de persoon heeft bewust de stap gezet om tot een nieuw land en volk te worden toegelaten, een actief besluit dat in sommige gevallen zelfs bewondering oproept – is de identiteit van de ‘allochtoon’ slechts een passieve staat. Men is het tegen wil en dank en er is niets dat men kan doen om zich aan dit beklemmende stigma te ontrukken. Misschien dat daarom de gekleurde Nederlander steeds vaker veilig in de eigen groep hokt en zich aan een net zo sterk wij-zij-denken schuldig maakt als populistische politici en hun gefrustreerde electoraat doen.

Niet alleen de kaaskop spreekt van ‘de buitenlander’, ook de gekleurde middelbare scholier spreekt over een ‘ons’ ten opzichte van ‘de Nederlander’. Wij kan iedereen zijn, van Marokkaan tot hindoestaan en van Turk tot Surinamer, zij zijn echter de blanke autochtone Hollanders. De jonge generatie verenigt zich niet zozeer samen op basis van nationaliteit als wel op een afwijkende etnische afkomst, religieuze oriëntatie, lagere of hogere sociale klasse en vooral: kleur. Want hoewel de scholen en wijken steeds meer mixen, mixen Nederlanders van verschillende kleuren en afkomsten nog steeds niet echt. Het aantal interculturele huwelijken mag toenemen (evenals het aantal scheidingen overigens), vriendengroepen en sociale evenementen worden mede door de gerichtheid van de sociale media juist groeps- en kleurgerichter.

Zo blijft het uitgaansleven opvallend gescheiden. Als antwoord op de overwegend blanke hipster- en dance-scene duiken er in de Randstad op steeds meer plekken grootschalige culturele feesten op. Surinaamse en Antilliaanse Nederlanders hadden al langer hun dushi-feesten in de Bijlmer en Almere, maar nu nemen Turkse en Arabische feesten ook een steeds prominentere plek in op de programmering van poptempel Paradiso en de dance-hallen van Rotterdam en Eindhoven. Deze jongeren luisteren niet naar Radio 538 maar naar het Randstedelijke FunX, nuttigen geen of weinig alcohol maar blowen wel, winkelen bij H of Zara, drinken liever Pepsi dan Coca-Cola (of cooler nog: Red Bull) en dragen eerder Adidas dan Nike. Ze fitnessen en dansen in georganiseerd verband, maar spelen voetbal vooral op straat en drinken eerder muntthee dan koffie. Ze gaan weinig op vakantie en als ze gaan is dat vaak in combinatie met familiebezoek.

Hun Hollandse leeftijdgenoten zweren juist bij Coca-Cola, maar nog meer bij Grolsch en Heineken, drinken overmatig veel (en op steeds jongere leeftijd) maar blowen weinig (tenzij ze in Amsterdam opgroeien), luisteren naar dance en trance of als ze hoger opgeleid zijn naar indie-pop, brengen meer tijd achter hun beeldscherm door dan op straat, spelen vooral teamsporten in clubverband (voor de jongens voetbal, hockey voor de meisjes) en gaan veel op vakantie maar treden amper buiten de veilige omgeving van resort of camping.

Wie overigens dacht dat het onder gays heel anders is, vergist zich. In de mannelijke gay-scene wil het een en ander nog wel mengen, maar afgezien van Flirtation blijven lesbische feestjes blank óf zwart. Een eenzame uitzondering daargelaten. Mijn Hollandse lesbische vriendinnen blijven veelal weg van lesbo’s met een donkere tint. ‘Veel te ordinair’, is het algemene oordeel. Waar de echt donkere lesbiennes en homo’s uithangen, hoop ik nog eens te ontdekken. Nu ga ik voor een goed ‘schudden met die billen’-feestje maar naar een heteroclub.

Nederland wordt nog steeds gegijzeld door een verstikkend klimaat van politieke correctheid waarin bijna niemand echt de waarheid durft te zeggen en angstvallig naar de ander kijkt, zonder enige zelfreflectie bloot te leggen. Zo probeert men de illusie te creëren van een gezamenlijke identiteit, een pakket van waarden en normen die iedereen moet onderschrijven. Zoals totale erkenning van de opvoeding van kinderen door homokoppels, terwijl vrijwel niemand hardop durft te erkennen dat hij of zij zijn of haar kind ook niet graag door nichterige flikkers, platte Brabanders, ordinaire Amsterdamse tokkies of Marokkaanse moslims ­opgevoed zou zien. Vrijwel niemand, behalve dan de zogenaamde ‘allochtone’ minderheid, die zich al lang bewust is van haar afwijkende opvattingen en ideeën over opvoeding en samenleving, geloofsovertuiging en moraal.

De o zo geprezen Hollandse tolerantie gaat niet veel verder dan een knarsetandend accepteren van de rare geurtjes in het trappenhuis of de rauwe Marokkaanse keelklanken in de treincoupé. Er vindt veel te weinig daadwerkelijke wederzijdse toenadering plaats. Daarom zijn de maatschappelijke spanningen zo hardnekkig, blijven de voor- en tegenstanders in de vele oeverloze debatten onvermoeibaar over elkaar heen buitelen en worstelt men nog steeds met labels en stempels, inclusieve en exclusieve termen.

Ondertussen is er wel sprake van een culturele verschuiving. De ­Nederlander heeft niet langer één, maar vele identiteiten, waarvan de meeste los staan van etniciteit of religie. Er is een wijd scala van kruis­bestuivingen en dwarsverbanden die veel meer omvatten dan een generaliserend ‘wij’ of ‘zij’. Men is meer dan simpelweg Turkse moslim, probleem-Marokkaan of Bijlmer-Surinamer. Jonge tweede of derde generatie migranten zoeken steeds openlijker naar hun culturele wortels en vinden verbinding in een collectief minderheidsdenken dat een specifieke groep ontstijgt. Er is een verlangen naar erkenning van een aparte status of unieke identiteit, maar tegelijkertijd een zeker onbehagen bij reducering tot één nationaliteit.

Anders dan hun (groot)ouders, die vaak nadrukkelijk voor één van de twee identiteiten kozen en hun oude nationaliteit en cultuur demonstratief verwierpen of zich er juist krampachtig aan vastklampten, wil de snelle Mohammed of recalcitrante Evira respectievelijk Marokkaan/Turk én Nederlander kunnen zijn. Net als ondernemer, hbo’er, r en trotse iPhone-bezitter (Apple is ook een cultuur op zich). Gelovig zijn ze wel, maar niet uitgesproken religieus (‘Ik ben wel spiritueel en zo, maar noem mezelf geen moslim weetje’, ‘ik interesseer me vooral voor het soeffisme’, ‘geloof hoort erbij’ en ‘het Suikerfeest is echt een familieding’). Binnen hun vriendengroepen wordt een sterke nadruk gelegd op respect, solidariteit en ‘sisterhood’. Lenig switchen ze tussen verschillende sociale rollen zoals die van vriendin, moeder, dochter of oudste zoon. En in steeds meer gevallen identificeren ze zich ook met een lokale of regionale identiteit zoals die van Rotterdammer, Amsterdammer, Utrechter, Limburger of Fries. De Nederlandse Marokkaan uit Enschede klinkt als een echte Tukker en is net zo’n grote fan van FC Twente als zijn buurman die ook veel meer is dan tiende generatie Tukker, voetbalfan en oud-arbeider in de nu gesloten textielfabriek.

De Nederlander bestaat wel, maar hij kan niet worden gereduceerd tot één groep, sociaal verband of vastomlijnde starre identiteit. Niemand is zich daar meer van bewust dan de meerbloedige Nederlander, zoals ik, die zich niet thuis voelt binnen één groep en tegelijkertijd als een kameleon elke gewenste kleur aan kan nemen. Wij zijn de nieuwe stap in een wederzijds integratieproces in onze oer-Hollandse en tegelijk on-Hollandse verscheidenheid. Wij kunnen kiezen welke kant we van onszelf omarmen of verwerpen, ontdekken of afstoten. Onze uiteenlopende beroepen, religieuze opvattingen, diverse culturele entiteiten en sociale rollen maken ons tot evenwichtskunstenaars, bruggenbouwers ook tussen de vele eilandjes die dit land kent.

Het wordt tijd dat de luchtballon van zogenaamde tolerantie wordt doorgeprikt, het eeuwige verlangen naar assimilatie – de zogenaamde acceptatie van één vast ‘waarden en normen’-pakket – opgegeven. De maatschappelijke segregatie moet worden doorbroken. Niet door allemaal één kleur aan te nemen, of de verschillende kleuren in subgroepen naast elkaar te laten bestaan, maar door dwars door kleuren heen te kijken naar de gemeenschappelijke noemer daaronder. Alleen dan is er ruimte voor echte erkenning van het verschil, omarming van de nieuwe diversiteit en de acceptatie van een flexibele identiteit, allereerst van onszelf, maar daarnaast ook in relatie tot de ander. Uiteindelijk zijn we allemaal meer dan de afkomst van onze vader, de taal van onze moeder, of de religie zoals opa die ooit ver weg in de bergen of verscholen achter de dijken aanhing.


Monique Samuel (1989) is politicoloog en publicist. Ze is van Egyptisch-Nederlandse afkomst (haar vader is geboren en getogen in Caïro) en werd geboren in Amersfoort. Ze publiceerde onder meer het boek Mozaïek van de revolutie, over de Arabische lente.

De foto’s bij het artikel en op de cover zijn van kunstenaar Katrin ­Korfmann. Ze is opgegroeid in (West-)Berlijn en woont en werkt in Amsterdam. Deze maand heeft Korfmann een solo-expositie bij Galleri Andersson/Sandström in Stockholm (gsa.se). Verdere informatie is te vinden op katrinkorfmann.com

Foto: Katrin Korfmann

Bijschrift: Katrin Korfmann, Dom Antao (25 min), Lisbon, 2009
ultrachrome print / frame / mirogard glass. 145 x 93 cm.