twee keer toneel over de liefde

Omarming: twee keer toneel over liefde

Toeval. Niet bedacht. Binnen één week twee voorstellingen gezien vol onbehol pen gestuntel over liefde. Eén toneel klassieker. Eén nieuwe ling. En allebei raak!

De slotscène van Edward Albee’s toneelklassieker Wie is er bang voor Virginia Woolf? bestaat uit één pagina gestamel. «Was dat … was dat … echt nodig?» «Ik … weet niet.» Gratuite mededelingen: «Morgen zondag. De hele dag.» Feitelijke: «Ik heb het koud.» Aan deze drie minuten verstilde kamermuziek gaat ruim drie uur wagneriaans sloopwerk vooraf: vernederingen, scheldpartijen, gevechten. Aan het eind zijn de gasten weg, de drank is op, het is gedaan. Een man, George (46), en een vrouw, Martha (52), kijken naar het Grote Niks, troostrijk bedoeld misschien, nu vooral verschrikkelijk. Ze hebben ooit samen een zoon gecreëerd, die er in het echt nooit is geweest. Het was hun geheim. George heeft die zoon net doodgemaakt. Meestal is het Martha die in de slotscène wanhoop toont. George wordt vaak vrij genadeloos gespeeld: ik had geen andere keus. In de nieuwste versie van Wie is er bang voor Virginia Woolf? bij het Onafhankelijk Toneel (regie: Mirjam Koen) gaat dat anders. Martha (Ria Eimers) is aangeslagen. Ze incasseert ook rustig. Je ziet haar denken: wat nu, hoe verder? Hier is het George (Bert Luppes) die zich realiseert welk sloperswerk hij heeft verricht. Hij kan niet meer uit zijn ogen kijken. George staat achter Martha. Hij sterft duizend doden. Martha zégt in de scène dat ze bang is. George, althans déze George, is het. Doodsbang. Eens in de zoveel tijd gebeurt het. Je hoort een tekst die je kunt dromen. De bij mekaar gestotterde regels klinken als nieuw. Na drie uur sloopwerk, waarin veel te lachen viel, valt alles stil. Ik ben zelden zo kapot gebeukt uit dit stuk gekomen.

Een paar dagen eerder: …Iets over de liefde van het Vlaamse gezelschap Theater Malpertuis, tekst (fonkelnieuw) en regie: Peter de Graef, die ook zelf meespeelt. Een kleinood van krap twee uur, op een kaal speelvlak met meubeltjes uit de lommerd. Man en vrouw. De man (Peter de Graef) is een sukkelaar die hardop denkt. Eenmaal begonnen kan hij daar niet meer mee ophouden. Na een onschuldig auto-ongelukje (kleine botsing, kapot achterlicht) belooft de man aan de vrouw (slachtoffer van het ongelukje) het achterlicht persoonlijk te komen herstellen, om het gedoe met de verzekering te ontlopen. Dat ontlopen van de verzekering ontlokt de man een oeverloze en geestige monoloog over de zin en vooral de onzin van het begrip ver-ze-kering. Handtekening: Peter de Graef. De man die hij speelt is een warhoofd die zich een slag in de rondte associeert. Hij maakt zijn zinnen nooit af. De vrouw (Kathelijne Verbeke) kijkt gefascineerd toe. Er is nog nooit een man in haar leven geweest die het langer dan een halve dag met haar heeft uitgehouden, vertrouwt ze ons toe. Zou deze man misschien…? Ze bellen voortdurend. Dat zijn absurde, steeds abrupt afgebroken telefoongesprekken.

Ook hier is sprake van een kind dat er eigenlijk niet is. Maar dat kind gaat er komen! Dat is het verschil met Edward Albee. Het kind is ook hier een jongen. Dat is de enige overeenkomst met Edward Albee. Het kind in wording is een engel, met zoete vleugeltjes. En dat is weer typisch Peter de Graef, de sprookjesverteller. De engelachtige jongen bespiedt de twee stuntelende verliefden die zijn ouders zullen worden. Hij kijkt met de meewarige blik van de ongeborene: leven, het is één groot gedoe. Hij weet nog niet of hij er wel aan mee wil doen. Pepijn Caudron (hij speelt de zoon in wording) kijkt ons aan vanaf een groot scherm. In zwart-wit: hij is (nog) van een andere tijd. En in levende lijve zullen we hem nooit te zien krijgen. Met zijn toekomstige ouders gaat het ondertussen ogenschijnlijk goed. Als ze voor het eerst heftig zoenen, valt er een toneeldoek uit de kap van het theater over hen heen. Ze vrijen. De engelachtige zoon meldt ons vanaf het scherm met een guitige oogopslag dat hij er nu écht aan staat te komen. Kort daarop stapt hij het beeld uit en loopt het leven in.

Zijn ouders zijn eventjes blij met hun aanstaande vrucht. Maar dan ontvouwt zich een drama dat hier niet kan worden onthuld (ik heb al te veel verklapt). Peter de Graef, de sprookjesverteller, heeft een inktzwarte afloop bedacht. De vrouw, de moeder van het engel achtige kind, die gaat het niet redden. Kathelijne Verbeke speelt die vrouw nuchter. De traumatische rampspoed die haar achtervolgt (de oorzaak van haar onaanraakbaarheid, een tragisch incident uit haar verleden, de reden waarom ze zich niet kan laten omarmen) horen we pas laat in de vertelling. Via briefjes. Het personage van Peter de Graef, de ongedurige man in deze liefdesgeschiedenis, heeft in zijn epiloog niet echt een verklaring voor wat er is gebeurd. Hij snapt niks van het leven. Of misschien is hij prettig naïef. «Geluk moet je zelf maken, daar heb je niemand anders voor nodig», is zijn motto. Hij is een romantische chaoot. Hij kwam het liefst op een galop perend paard naar het bloemenperk van zijn dierbaren. Had hij van de Chinezen ge leerd. Maar zijn dierbare geliefde zocht structuur in haar leven. Hij bood haar slechts chaos. Dat was niet genoeg. Hij, zij en die engel achtige jongen op het scherm vertellen een verhaal over onafgemaakte omarmingen. Het levert een mooie toneeldiamant op.

Terug naar Wie is er bang voor Virginia Woolf? door het Onafhankelijk Toneel. Gerrit Timmers heeft het decor gemaakt. Hij is ontsnapt aan de voorgeschreven claustrofobie van die benauwde universiteitswoning, met sofa, boekenkasten, drankmeubels. Midden in een eindeloze, azuurblauw omzoomde ruimte is een stalen paalwoning met kleine vensters neer gezet. De personages zijn nooit af, ze zijn hoogstens weg, naar die paalwoning, je blijft hun hoofden zien in die kleine vensters, hun geschreeuw en gekots blijf je horen. De toeschouwers zijn bij aanvang van de voorstelling de bezoekers van George en Martha. We staan een klein kwartier in hun huiskamer, met ruime cederhouten zithoek. We kijken omhoog en zien de openingsscène gespeeld in de paalwoning. Pas als het bezoek – een jonge collega van de universiteit met zijn vrouw – de rinkeldekinkel-deurbel die wij net passeerden hebben gebruikt, mogen wij op de tribune plaatsnemen. Van bezoek zijn we nu voyeurs geworden.

Er wordt veel ontspannen gelachen in het begin. De Martha van Ria Eimers kan voort durend haar lachen niet inhouden. Ze toont de uitbundigheid van een kroegtijgerin. Bert Luppes (George) loopt in uitbundigheid steeds een paar slagen achter. Hij observeert vooral. Hij zuigt de gebeurtenissen in zich op, trekt een grimas, maakt een masker, je ziet hem denken: komt later nog van pas, kan ik verderop gebruiken. En dan de gasten: biologieprofessor-in-aanbouw Nick en zijn vrouw Honey. Vaak gespeeld zoals ze lijken geschreven: een bodybuilder en zijn domme gansje. Dat gaat bij Mirjam Koen anders. Nick wordt gespeeld door Kristof van Boven, een acteur met een Vlaamse tongval, door de protagonisten Martha en George regelmatig gretig geparodieerd. Hij is te klein voor de sportman die hij zegt te zijn, hij is eigenlijk geen partij voor zijn tegenspelers en hij heeft een kikker in zijn keel. Allemaal ogenschijnlijke nadelen, die hij perfect inzet. Als Nick George uitdaagt lijkt het alsof Kristof van Boven iets langer en breder wordt dan hij in feite is. Prachtig. Cigdem Teke speelt Honey, Nicks echtgenote. In de tekst staat dat deze jonge vrouw is getraumatiseerd. Een diep religieuze vader met losse handjes (model: dominee Billy Graham), seksueel gefrustreerd, als enige verdedigingslinie heeft ze haar uiterlijk. Honey transformeerde tot barbiepop. Vrouwenhorror. Zo speelt Cigdem haar. Zo weird als de kopie van een kopie van een tieneridool, K3 in één meisjeslijf, aangeschoten na twee cognacjes, ongeremd in dronkemanskletsika na de vierde, daarna wordt ze een scherp getimed kermisnummer. Als ze in de gaten heeft in welk vilein spel ze is betrokken, breekt de Honey van Cigden de kermis laag voor laag af. Het doet pijn aan je ogen, het is geweldig om mee te maken.

En dan Ria Eimers en Bert Luppes, Martha en George, Albee’s protagonisten. Eind tweede bedrijf, ze zijn door hun gasten even alleen gelaten. Het is de mooiste scène van dit stuk, dat al zo vol mooie scènes zit. De echtelieden verklaren elkaar de oorlog. Ze zijn op dat moment – paradox, jazeker, daarom is dit stuk tijdloos – dichter bij elkaar dan ooit. Maar het wordt toch to-ta-le oorlog. Ze gaan hun relatie slopen. Martha gaat neuken met dat opgeblazen jochie. George heeft alleen nog maar een vermoeden over wat hij daarna gaat doen: zijn fictieve zoon, het kind dat ze nooit konden krijgen, doodmaken. Eimers en Luppes spelen dat het sloopwerk nu gaat beginnen. En ze spelen dat ze dat niet willen. Maar dat ze het wel móeten. Omdat er anders geen omarming meer mogelijk is. Die scène, uitgevoerd vlak voor de eerste rij publiek, doet pijn. Er is geen weg meer terug. Ze sleuren ons mee. Op weg naar die stamelende, emotionerende slotscène, een klein uur verder.

Wie is er bang voor Virginia Woolf? van Edward Albee is te zien in Den Haag, Amsterdam,

Haarlem, Groningen (tot en met 21 mei), en van 19 tot en met 27 augustus in het eigen theater van het Onafhankelijk Toneel in Rotterdam. Inlichtingen: www.ot-rotterdam.nl.

…Iets over liefde is tot en met 21 mei te zien

in Nederland en Vlaanderen.

Inlichtingen: www.malpertuis.be