Omdat hij begeert

In Chalet 152 reflecteert hoofdpersoon Djoeke zich een ongeluk terwijl hij lantaarnpalen overschildert. Opnieuw toont Anton Valens zich een zeer verfijnde schrijver.

Anton Valens, neemt geen afstand van zijn personages, hij houdt zichzelf (en de lezer) een spiegel voor © Jean Pierre Jans

Anton Valens houdt vol. Na een roman over mensen die bang zijn hun post te openen (Het boek Ont) en eentje over de verzorging van volkstuintjes (Het compostcirculatieplan) komt hij nu met een roman over lantaarnpaalschilder Djoeke van ’t Hull die op verloederd campingterrein ’t Ezeltje tijdelijk een chalet van zijn oom bewoont. Djoeke vreest zo ongeveer alles, ook zichzelf, als sociaal wezen meent hij te falen, maatschappelijk stelt het bij hem allemaal niets voor, geld heeft hij niet, zijn relatie met Roelien is verbroken, hij vindt zichzelf lelijk, onaangenaam en voelt zich snel gekwetst. In een ding blinkt hij wel uit, maar dat weet alleen de lezer, zelf heeft hij daar weinig idee van: hij reflecteert zich zo ongeveer een ongeluk. Besef daarover ontbreekt grotendeels, het maalt in hem door en door en dit geeft aan deze roman al direct een merkwaardig geestige onderlaag. Of is het juist dramatisch? Al zijn denken en handelen gaan gepaard met een verwoestende reflecterende blik of beschouwing. Want om zich heen kijken en interpreteren, dat kan hij als geen ander. Zijn blik op zichzelf en de medemens is het onderwerp van uitputtende betekenisgeving. Het liefste haalt hij zichzelf grondig naar beneden.

Is dit een klassieke ‘loser’? Bij Valens weet je het niet zeker. Je kunt ook zeggen dat Djoeke een zeldzaam inventieve bedenker is van mogelijkheden om aan zijn sombere denkwereld te ontsnappen. Hij ziet altijd kansen, hoe miniem ook. Het moet mogelijk zijn aan de misère te ontsnappen. En wanneer hij op een mededelingenbord op de camping een briefje aantreft waarin vrijwilligers worden gevraagd (‘met z’n allen tegen de negativiteit’), geeft hij zich op. Hij krijgt de opdracht de lantaarnpalen op de camping opnieuw te schilderen. Vol vertrouwen zet hij zich aan de arbeid, dit kan weleens een belangrijke taak worden!

Is dat wat Djoeke heimelijk wil: vernederd worden?

Hier gaat Valens er goed voor zitten. Een minder bevlogen schrijver dan hij zou weinig aandacht besteden aan wat er allemaal komt kijken bij het schilderen van lantaarnpalen, maar hij weet dat zijn dwingende schrijftrant juist hier op z’n best is. Uitvoerig zet hij ons de juiste verfhandelingen voor, plus de ‘verfartikelen’ die je het beste kunt gebruiken. Ben ik nu gek dat ik hier hard om gelachen heb en toch ook een beetje geweend? Valens toont zich hier een schrijver die ten diepste schatplichtig is aan de symbolische traditie van literatuur. In het schilderen van lantaarnpalen de ware werkelijkheid aantreffen! En haar daarom zo precies mogelijk beschrijven. De organisator van het vrijwilligerswerk brengt hem de juiste middelen: ‘(…) twee nagelnieuwe blikken ijzerglimmer (Sigma Coatings), kwasten, meng- en navulbakken, schuurpapier, lakrollertjes, een gifgroene tank verdunner en een zak met witte handschoentjes. Getweeën laadden ze de trekkar af – vooral de 20-literblikken verf waren praktisch niet te vertillen – en sleepten de hele zwik naar de veranda.’ Ook tijdens het overtypen van deze passage schiet ik weer in de lach (let op dat ‘de hele zwik’). Waarom moeten we dit allemaal weten? Waarom zoveel aandacht voor Djoeke’s totaal onbelangrijke schilderactiviteiten die Valens ook verderop tot in details beschrijft? Het punt is dat precies deze detailleringen de kern van de roman uitmaken. ‘Na al dit voorwerk was de applicatie van de verf verreweg het aardigste en meest bevredigende deel, ja, de climax, temeer omdat het vrij vlot ging. En (…) de ijzerglimmer dekte inderdaad in één laag en geen druipers.’ Djoeke gaat op in zijn werk, eindelijk bevredigend werk, al is het vernederend, het stelt hem teleur dat de andere bewoners op de camping er maar weinig waardering voor kunnen opbrengen. Men zou hem ‘uitbundig moeten toejuichen als een van de koene ridders, of redders van de verleppende vesting ’t Ezeltje’. De wereld als ’t Ezeltje, het leven als niet meer dan het volmaakt onbenullige werk van het opschilderen van lantaarnpalen. En daar dan literatuur van maken, ziehier Valens’ programma.

Niet vreemd dat binnen deze context een vrouw opduikt, Audrey d’Audretsch, de Vrouw als Redder. De remmen bij Djoeke gaan los, je kon erop wachten. Zij is een verwilderde tekenares, plus organisator van ‘healingsessies’ rond het gebruik van het ‘geestverruimende middel’ ayahuasca. Niks voor mij en niks voor Djoeke, maar hij doet wel mee omdat hij zich graag wil laten genezen van zijn onafzienbare frustraties en omdat hij Audrey begeert. De roman is opgebouwd via drie van de sessies, waarbinnen Djoeke antwoord moet zien te vinden op drie ‘mantravragen’: ‘wie ben ik’, ‘is dit leven eeuwig’ en ‘wat wil ik’. De roman zou hier gemakkelijk kunnen ontsporen in melige beschrijvingen van dit soort bijeenkomsten, al te vaak vertoond, in ouwehoerpraat over de kosmos, maar Valens beseft heel goed dat je de juiste schrijftragiek alleen voor elkaar krijgt wanneer je ook dit, net als de beschildering van lantaarnpalen, volstrekt serieus neemt. Hij neemt geen afstand van zijn personages, hij houdt zichzelf (en mij) een spiegel voor. En ook in deze ayahuascascènes blinkt hij uit in de precieze, naar het Hogere verlangende en tegelijk banaliserende schrijfkunst waar hij het patent op heeft. In zijn zinnen mengt hij ouderwetse en hoogdravende taal met de weerbarstige en plastische details van het dagelijks bestaan. Plus de wanhoop. ‘En toch, waarom liet hij zich keer op keer weer inpakken door zulke jokerfiguren? Is dat wat hij heimelijk wil: vernederd worden? Of wil hij juist heersen, een maharadja zijn?’

Vanaf het begin is het duidelijk dat het uiteindelijk allemaal misgaat, in de liefde en met de camping, maar dat is het punt niet in deze bizarre en hoogst gedreven roman. Laat al je normale ideeën over wat literatuur is, of hoort te zijn, maar lekker waaien bij dit boek en deze schrijver. Hij lijkt op het eerste gezicht anti-literatuur te schrijven, over losers en verschoppelingen en hun onhaalbare dromen. Over figuren die anders nooit aan het woord komen. Ja, de zelfkant, toe maar: met campings, lantaarnpalen, goedkope supermarkten, gedeukte auto’s en Sigma Coatings. Maar laat je geen zand in de ogen strooien: Valens is een zeer verfijnde schrijver met een hoogst opmerkelijk literair programma.