FILM  WALL-E

OMGEKEERDE EVOLUTIE

Waar de mens aan het begin van Stanley Kubrick’s 2001: A Space Odyssey nog een hominide is die voor het eerst een stuk gereedschap ontwerpt in de vorm van een bot, daar is hij een halve eeuw later in Disney/Pixar’s sciencefiction tour de force WALL-E een ruimtebewoner met een blubberbuik, een papzak die voor eeuwig is opgesloten in het ultieme product van zijn eigen technologische ontwikkeling: een ruimteschip zo groot als een stad. In beide films worden de evolutionaire stap én de ‘omgekeerde evolutie’ respectievelijk uitgebeeld met dezelfde muziek: Richard Strauss’ Also sprach Zarathustra.
Ergens ver in de toekomst is de aarde onbewoonbaar door catastrofale massaproductie en milieuvervuiling. De mens vertrekt massaal in reusachtige ruimteschepen (zoals ze ook doen in When Worlds Collide, 1951, Rudolph Maté). Op aarde blijft opruimrobot WALL-E achter, geprogrammeerd om dag in, dag uit schroot te recyclen. Hij werkt noest door, gefascineerd door de menselijke artefacten die hij vindt, zoals een vhs van de oude Gene Kelly-musical Hello Dolly. Dan arriveert een onbemand ruimteschip, met daarin robotje Eve, dat als opdracht heeft te speuren naar tekens van leven. En het is onvermijdelijk: de liefde bloeit op tussen WALL-E en Eve, twee artificiële levensvormen die de biologische mens een nieuwe start moeten geven.
De eerst helft van de film is subliem: een combinatie van ‘laatste mens-mythologie’ in de stijl van bijvoorbeeld Richard Matheson’s I Am Legend, de bitterzoete slapstick van Buster Keaton en thematiek geleend bij een scala aan postapocalyptische films, waarvan nog het meest relevant Douglas Trumbull’s Silent Running uit 1972. Vooral de eindscène uit deze film, waarin een eenzame robot als enig overgeblevene de allerlaatste stukjes groen in een broeikas op een ruimteschip verzorgt, resoneert sterk in WALL-E.
In de tweede helft treedt de meer traditionele Disney/Pixar-stijl op de voorgrond, met veel hilarische, snelle achtervolgingen in het ruimteschip Axiom. Maar ook in dit deel van de film zijn er filosofische momenten die WALL-E een thematische meerwaarde en een artistieke diepgang geven die zelden in dit soort films voorkomen. Wanneer de kapitein van het ruimteschip doorheeft dat er weer leven op aarde mogelijk is, besluit hij terug te keren. Dat blijkt een revolutionaire gedachte, want de computers en robots zijn er niet voor geprogrammeerd. Tijdens een fysiek gevecht tussen kapitein en robot klinkt de Strauss-muziek, die inmiddels iconisch is door Kubricks gebruik ervan in 2001. In WALL-E is het effect even verpletterend: de geëvolueerde mens, een afgestompt, technologisch wezen, vecht voor het recht de blinde vooruitgang de rug toe te keren. Regressie, daar gaat het nu om: omgekeerde evolutie in de verre, koude ruimte, terug naar de basis, naar de verwoeste aarde om opnieuw te beginnen. Het is een schitterende ironie dat er twee robots voor nodig zijn om dit bevrijdingsproces in gang te zetten.


Maar het mooiste aan de film, naast de intelligente vertelstijl, het rijke referentienetwerk en de adembenemende animatie en fotografie, waaraan Roger Deakins, bekend van zijn werk voor de gebroeders Coen, heeft meegewerkt, is de manier waarop WALL-E aansluit bij de tijdgeest. Het genre is in als geen ander: cinematografische teksten waarin rampen op het punt staan te gebeuren, of gebeurd zijn, waardoor de wereld is verworden tot een zwartgeblakerde, postapocalyptische hel.