‘omkijkerig? ik niet’

MET GEZWINDE pas en stipt op tijd schiet hij de schuifdeuren van het Haagse hotel door. Hij had hier toch wat afspraken: beetje praten met potentiële werkgevers; dat doe je niet thuis in Amersfoort. Misschien rolt er een bestuurlijke adviesfunctie uit, misschien iets anders; als hij het zelf maar leuk vindt. In het kabinet was geen plaats meer en voor de Kamer trok hij zich terug nadat de leden van D66 hem op een weinig eervolle achttiende plek op de lijst plaatsten. Hij is te jong om met werken te stoppen, maar de Haagse politiek is na vier jaar Volkshuisvesting en dertien jaar Tweede Kamer voor Dick Tommel (56) wel mooi geweest.

De kritiek op de politieke strategie van Tommel was niet mals. De kwalificatie ‘politiek onbenul’ van Bolkestein werd niet meer alleen gebruikt in verband met Tommels verleden in de Vereniging Nederland-DDR. 'De tomeloze Tommel’, kopte een krant na een optreden waar Tommel zijn 'rug recht hield als hij flexibel moest zijn en toegaf als hij voet bij stuk moest houden’. Maar ook het beleid kon voor de critici niet door de beugel. En dat terwijl hij eenvoudig voortzette wat Enneüs Heerma (CDA) in Lubbers III was begonnen: de verzelfstandiging van de woningbouwcorporaties.
De staatssecretaris is niet langer 'de volkshuisvestingsbaas van Nederland’, maar een regisseur die met 'overtuigingskracht en goede communicatie goede dingen voor elkaar moet zien te krijgen’. Dat brengt bepaalde consequenties met zich mee waar iedereen nog aan moest wennen. De Kamer kon wel van alles eisen, maar zo werkt het dus niet meer, zegt de oud-staatssecretaris. 'In een verzelfstandigde sector kun je alleen maar succesvol zijn als je bereid bent te accepteren dat je niet van tevoren moet roepen: “Dit wil ik hebben”, want dan weet je dat iedereen per definitie gaat dwarsliggen. Het is voor de staatssecretaris misschien wat lastiger om dit uit te leggen in de Kamer, maar voor het beleid is het beter. De macht is verschoven naar het plaatselijke niveau, waardoor er meer maatwerk wordt geleverd.’
Wie de commentaren van de kranten aan het eind van het eerste kabinet-Kok erop nakijkt, zou kunnen concluderen dat Tommel in vier jaar niets voor elkaar heeft gekregen. Enkele fikse aanvaringen met de Kamer ten spijt. Maar ach, wat betekenen die 'zogenaamde krantenanalyses’ nou helemaal. 'Ze hebben de oppervlakkigheid van een regenworm: nog net onder het aardoppervlak, maar niet verder’, verweert Tommel zich, naarstig opsommend wat er wél allemaal tot stand is gekomen. Nee, het is allemaal best goed gegaan.
Te beginnen met de gekeerde huurstijgingen. Tommel: 'Toen ik vier jaar terug begon was de stijging van de huren gemiddeld vijf procent. De corporaties moesten minstens 3,5 procent per jaar extra over hun bezit vragen om zelfstandig te kunnen voortbestaan. Die afspraken lagen er nog van mijn voorganger. Zonder hem af te vallen kreeg ik voor elkaar dat de huurstijging werd teruggebracht. De financiële gevolgen bleken voor de corporaties mee te vallen. Omdat ik beloofde me aan mijn afspraken te houden, beloofden zij dat ook. Het maatschappelijke belang ging voor.’
Hieraan gekoppeld zat een maas in het net van de huursubsidiewet. Door de vijf procent huurstijging kwamen bepaalde huizen in de categorie 'duur’ terecht, waar via een afbouwende huursubsidie een hogere eigen bijdrage werd gevraagd. Tommel: 'Mensen hadden nu eenmaal voor deze luxe gekozen, werd er geredeneerd. Gevolg was dat in deze sector mensen aan twee kanten werden gepakt: hogere huur en lagere huursubsidie. Die hogere eigen bijdrage is nu vrijwel verdwenen. Mensen kunnen gelukkig blijven wonen waar ze wonen en wat maatschappelijk nog belangrijker is: niet alle mensen met een laag inkomen zitten op een kluitje in wijken waar toevallig de goedkoopste woningen staan. Dit was niet meer vol te houden en minstens zo ernstig als de voorgenomen bezuinigingen van 200 miljoen op de hele wet, waarover in de Kamer zo veel gebakkelei is geweest. Uiteindelijk spreken we nu overigens wel pakweg van structureel 700 miljoen méér per jaar voor huursubsidie, in plaats van die 200 miljoen minder.’ En met een blik die schokkende uitspraken voorspelt: 'Dat werd er in de kritieken op mijn beleid niet bij gezegd.’
Zoals er wel meer niet door de pers werd gemeld, zegt hij beteuterd. Journalisten hebben waarschijnlijk niet zo veel interesse in Volkshuisvesting. 'Bij belangrijke debatten over de inzet van Vrom bij de opvang van asielzoekers, het duurzaam bouwen, de stedelijke vernieuwing, of het aanpasbaar bouwen, waarbij wettelijk is geregeld dat alle nieuwe woningen toegankelijk moeten worden gemaakt voor minder validen, was de perstribune nogal eens leeg’, zegt hij. 'Zaken met veel minder verstrekkende betekenis worden breed uitgemeten in de pers door geruzie met de Kamer. In mijn strategie heb ik voor de inhoud van het beleid gekozen. Dit wordt pas later gewaardeerd. Voor je imago op de korte termijn werkt dit contraproductief.’
TOMMELS KWELGEEST Adri Duivesteijn liet twee weken geleden weer eens van zich horen. Zijn veldtocht tegen de persoon Tommel is door de media schromelijk overdreven, zei hij in Vrij Nederland. Het ging het PvdA-kamerlid om de inhoud. Hij wilde graag een 'open debat’ voeren. Tommel, die voor zijn doen enorm uitvalt: 'Je kunt natuurlijk moeilijk in een interview zeggen dat je gewend bent op de man te spelen. Dat komt niet zo lekker over. Toch ging het bij hem echt niet alleen over inhoud. Duivesteijn is heel sterk egocentrisch gericht. Zijn eigen belangrijkheid in publicitaire zin staat wel erg voorop.’
Het PvdA-kamerlid hamerde er vier jaar lang op dat Tommel in de volkshuisvesting zich inzette voor de rijken, terwijl 'onze vriend’ Duivesteijn zelf zich voor de armen sterk zou maken. Tommel: 'Feitelijk gesproken is dat dus volstrekt niet waar. Zeker als je kijkt naar de aanpassingen in de huurstijgingen. Duivesteijn is goed in beeldvorming en vooral in eigen beeldvorming ten koste van anderen. Zo is zijn karakter nu eenmaal; hij heeft het altijd zo gedaan en zal het altijd zo blijven doen.’
Adri Duivesteijn heeft er nooit een geheim van gemaakt in Paars II graag staatssecretaris van Volkshuisvesting te zijn geworden. 'Vreselijke toestanden’ zouden er dan zijn ontstaan, volgens Tommel. Duivesteijn zou nog liever vandaag dan gisteren de privatisering van de woningbouwcorporaties willen terugdraaien. Belangrijke partners van de staatssecretaris van Volkshuisvesting, de wethouders Ruimtelijke Ordening in de grote steden en de woningbouwcorporaties, vinden Duivesteijn 'vreselijk’, zegt Tommel vilein. 'In vier jaar tijd is Duivesteijn erin geslaagd alle relaties met het veld grondig te verpesten. De woningbouwcorporaties die nota bene altijd heel erg dreven op niet alleen een CDA-, maar vaak ook een PvdA-achtergrond, zijn helemaal niet over hem te spreken. Hij bemoeit zich met hun zaken. Het beleid van het verder vormgeven van de verzelfstandiging van de corporaties zou in grote problemen zijn gekomen als Duivesteijn mij was opgevolgd. Hij is niet het type dat corporaties en projectontwikkelaars dingen zelf zou laten doen. Hij speelt echt de wethouder van Nederland. Tot in detail wil hij alles uit Den Haag bepalen. Voor mijn gevoel zou dat een absolute mislukking worden. Als er vier jaar lang alleen maar ruzie wordt gemaakt, veroorzaak je veel maatschappelijke schade.’
TOMMEL PROFITEERDE van de slechte verhoudingen tussen de geprivatiseerde corporaties en haar natuurlijke bondgenoot de Partij van de Arbeid. Nou ja, de WBL-affaire, waarbij een gefuseerde woningbouwvereniging in Limburg in haar vrije val de arme Tommel bijna meesleurde, was natuurlijk een kleine oneffenheid. Over het algemeen ging het wel goed met die zelfstandige sector, alleen heeft nog niet iedereen dat begrepen, zegt de oud-staatssecretaris. Tommel: 'Het is slecht vechten met een verzelfstandigde sector. Als je vindt dat je alles uit Den Haag moet bedisselen, dan krijg je grote bonje. Buiten Den Haag zit een veelvoud aan mensen dat zich met hetzelfde terrein bezighoudt. Als je in positieve zin kunt stimuleren dat mensen zelf nadenken over wat er moet gebeuren, dan is dat in alle opzichten beter dan wanneer je dat vanuit Den Haag doet.’
Zijn opvolger, de VVD'er Johan Remkes, zal in de lijn van Tommel, dus eigenlijk weer in de lijn van Heerma, verder de volkshuisvesting aanpakken. Remkes zal niet de neiging hebben alles vanuit Den Haag te willen regelen. Hij heeft het geluk geen tegenstribbelende sector meer te treffen, maar 'mensen die verantwoordelijkheden willen nemen’, zegt Tommel. Veel meer over zijn opvolger wil hij niet kwijt. Toen vorige week in de Tweede Kamer de begrotingsbehandelingen van zijn oude ministerie aan de orde waren, vertoonde Tommel zich bewust niet op het Binnenhof, want 'als het even tegenzit gaat iedereen vragen wat ik er allemaal van vind. Je moet je opvolger niet te veel voor de voeten gaan lopen. Bovendien: als één journalist mij ziet, dan gaat hij zonder mij te vragen meteen schrijven dat ik ontzettende heimwee heb. Dat kan ik niet gebruiken.’
IN DE DAGELIJKSE politiek terugkeren zal Tommel niet. Dat is een gepasseerd station. Van 1981 tot 1994 zat hij in de Tweede Kamer, waar hij voor D66 naar eigen zeggen voor bijna alle portefeuilles wel eens het woord heeft gevoerd. Hierna vier jaar staatssecretariaat. Behoefte aan de Eerste Kamer of het Europarlement heeft hij niet en afgedankt door de politiek voelt hij zich al helemaal niet. Tommel: 'Als ik nog een leuke post had kunnen krijgen, bijvoorbeeld nog eens vier jaar op Volkshuisvesting, dan was ik daar graag weer op ingegaan. Ik heb mij destijds weer beschikbaar gesteld omdat oud-bewindslieden dat naar mijn idee behoren te doen. Er mag geen dédain zijn voor de Tweede Kamer. Een echte ambitie om hier terug te keren had ik echter niet. Als je naar je leven kijkt is het niet leuk om een opgaande lijn omgebogen te zien door een baan die je uit fatsoen hebt genomen. Terug in de Kamer zou te veel een déjà-vu-gevoel geven. Graag was ik nog vier jaar op Volkshuisvesting doorgegaan. Tot op het laatst is bij de formatie met portefeuilles en met mensen geschoven, en voor mij bleek toen helaas niets interessants beschikbaar. Gelukkig zit ik niet zo enorm aan het pluche vast dat mijn levensgeluk zou ophouden als ik wat anders ging doen.’
Voor D66 zal Tommel zich alleen nog bezighouden met interne zaken. Onlangs is hij benoemd tot voorzitter van een door de partijtop ingestelde commissie die de partij moet adviseren over het interne kiessysteem. Met de vernieuwingskuur van de partij wordt geprobeerd oud zeer zo snel mogelijk te elimineren. Het principe van one man, one vote, waarbij ieder D66-lid mag meebeslissen over de vaststelling van kandidatenlijsten voor verkiezingen, is formeel heel aardig, maar als maar een beperkte groep er gebruik van maakt is het gemakkelijk te manipuleren. Te vaak heeft het systeem problemen veroorzaakt. Wanneer een zittend staatssecretaris door de stembriefjes van het luttele aantal van 3500 betrokken leden naar de onderste regionen van een kandidatenlijst wordt gedegradeerd, toont zich de kwetsbaarheid van zo'n systeem, geeft Tommel na lang aarzelen toe. Om er snel bij te zeggen dat dat natuurlijk niet heeft meegespeeld in zijn beslissing voorzitter van de commissie te worden. Tommel: 'Het hoofdbestuur heeft mij gevraagd dit te doen omdat ik geen belanghebbende meer ben: ik sta op geen enkele lijst en zal daar ook niet meer op komen. Als er weer verkiezingen zijn, dan zal ik me met welk kiessysteem dan ook niet meer kandidaat stellen voor de Tweede Kamer. Die fase heb ik gehad. Bovendien moet D66 zorgen voor verjonging. Ik moet dat helemaal niet willen en ik wil dat dus niet.’
En dus vervolgt Tommel zijn dag in het Haagse hotel met gesprekken met mogelijke werkgevers. Het Binnenhof is passé en daar is alles mee gezegd. 'Omkijkerig? Nee, dat ben ik niet.’