Douwe Draaisma Ontregelde geesten

Omringd door figuranten

Douwe Draaisma
Ontregelde geesten:
Ziektegeschiedenissen
Historische Uitgeverij, 327 blz., € 27,50

Op 4 december 1920 stapt de 53-jarige Léa-Anne B. geagiteerd uit de Parijse metro en klampt twee gendarmes aan met de mededeling dat ze achtervolgd wordt. Omdat ze zich niet serieus genomen voelt begint ze hen te slaan, waarna ze haar meenemen naar de Infirmerie Spéciale van de Préfecture de Police, de toenmalige psychiatrische crisisopvang. Daar vertelt ze de arts dat koning George V van Engeland verliefd op haar is en dat onbekenden het op haar geld voorzien hebben. De dokter verwijst haar voor opname naar het gesticht Sainte-Anne. Na een turbulent leven met oudere rijke mannen kreeg ze in 1917 de gedachte dat een Amerikaanse generaal, die in de Eerste Wereldoorlog ter plaatse het bevel voerde over een legerkamp, verliefd op haar was. Dit probleem heet een waanstoornis, verliefdheidswaan of erotomanie.

De psychiater die haar onderzocht was Gaëtan Gatian de Clérambault (1872-1934). Een wonderlijke man met een lichtgeraakt temperament, die vloeiend Arabisch sprak en in Marokko een passie opvatte voor gesluierde mannen, vrouwen en kinderen, die hij eindeloos fotografeerde. Bij zijn dood troffen vrienden in zijn woning een enorme collectie stoffen aan. Behalve de naar hem genoemde erotomanie beschreef De Clérambault een viertal vrouwen van in de veertig die bij hem waren gebracht wegens diefstal van zijde. De ondervraging van de eerste vrouw nam vijf dagen in beslag. Na veel aandringen vertelde ze hem beschaamd dat ze de zijde gebruikte om te masturberen. De andere vrouwen stalen de zijde om dezelfde reden.

Ontregelde geesten van de Groningse hoogleraar in de geschiedenis van de psychologie Douwe Draaisma (1953) staat vol met dit soort bizarre verhalen. Draaisma is een aanstekelijk verteller en begenadigd schrijver. Eerder verraste hij een groot publiek met Waarom het leven sneller gaat als je ouder wordt (2001). In zijn nieuwste boek, met veel liefde uitgegeven en compositorisch en stilistisch perfect, legt Draaisma uit hoe dertien psychiatrische en neurologische ziektebeelden aan hun namen zijn gekomen, zoals de ziekte van Alzheimer, Korsakov, Parkinson, Gilles de la Tourette en Asperger. Vaak wordt aangenomen dat degenen naar wie de ziekten zijn genoemd tevens de ontdekkers zijn. Ten onrechte, zegt Draaisma. Zo blijkt de ziekte van De Clérambault net iets eerder door de Duitse psychiater Emil Kraepelin te zijn beschreven, een minder flamboyant type dan zijn Franse collega.

Dit boek kan niet genoeg geprezen worden, maar soms slaat Draaisma de plank mis. Zo heeft hij van Freud weinig kaas gegeten. Om Alfred Adler anno 1943 nog een volgeling van Freud te noemen is een vermijdbare fout. In Een kopje thee voor de dubbelganger beschrijft Draaisma hoe de Parijse psychiater Joseph Capgras (1873-1950) het naar hem genoemde syndroom ontdekte bij een 53-jarige kleermaakster die op een junidag in 1918 het politiebureau binnenliep om te melden dat een stel bandieten kinderen had ontvoerd en gevangen hield in de kelder van haar huis. Ze kon ze horen smeken en jammeren om hun moeder. Ze werd aanvankelijk opgenomen in Sainte-Anne en later overgeplaatst naar Maison-Blanche, waar ze te maken kreeg met Capgras. Hem vertelde ze dat haar man en dochter waren verdwenen en vervangen door dubbelgangers. Bovendien meende ze dat haar een erfenis was ontstolen en dat vijanden haar probeerden te vergiftigen. Van de vijf kinderen die ze kreeg overleden er vier op jonge leeftijd; zelf was ze ervan overtuigd dat ze waren ontvoerd of vergiftigd. Haar waanidee van de dubbelgangers dateerde van 1914, toen ze ineens haar dochter niet meer herkende. Terecht schrijft Draaisma dat Kahlbaum al in 1866 een inrichtingspatiënt beschreef die zijn bezoekers aanzag voor figuranten, bedriegers die sprekend leken op vrienden en familieleden. Ook zijn vrouw zag hij als figurant. Vervolgens stapt de auteur over op de Amerikaan Clifford Beers, die in A Mind that Found Itself (1910) dit syndroom van binnenuit beschreef. Maar de veel beroemdere en eerder gepubliceerde autobiografie Denkwürdigkeiten eines Nervenkranken (1902) van Daniel Paul Schreber, in 2003 heruitgegeven, ziet Draaisma over het hoofd. Schreber, de rechter uit Dresden, was jarenlang opgesloten te midden van flüchtig hingemachte Männer, figuranten dus. Freud, die een monografie over Schrebers autobiografie schreef, zag in diens paranoia een omkering van homoseksuele verlangens jegens diens psychiater Flechsig. Deze opvatting heeft de psychoanalyse, ook de Franse, jarenlang parten gespeeld.

Draaisma’s verhaal eindigt actueel. De vraag blijft of Capgras-symptomen stoelen op een stoornis in de visuele gezichtsherkenning. Er moet meer aan de hand zijn. In 2002 beschreven de Braziliaanse arts Dalgalarrondo en zijn collega’s een 26-jarige blinde Capgras-patiënte, die zeker meende te weten dat haar man was vervangen door een dubbelganger. Ze was er niet ingetrapt, zei ze, want haar echte man was iets dikker en rook ook anders. In 2003 rapporteerde een aantal Duitse neurologen het geval van een Capgras-patiënte die dacht dat haar naar Amerika geëmigreerde dochter was vervangen door een dubbelganger. Ze concludeerde dit uit telefoongesprekken, van visueel contact was al jaren geen sprake meer.

Het meest dwingt Draaisma bewondering af om zijn gevoel voor het anekdotische en tragische. Het levenseinde van De Clérambault lijkt afkomstig uit een verhaal van Tsjechov. Zijn laatste dagen sleet hij niet in een gesticht, zoals zijn collega Joseph Capgras, die stierf in Sainte-Anne, waar deze in betere tijden de scepter zwaaide. De Clérambault begon rond zijn zestigste steeds meer te twijfelen over zijn wetenschappelijke nalatenschap. Op vrijdagmiddag 16 november 1934 maakte hij zich op om zijn eerste klinische les te geven van het nieuwe seizoen. De zaal was vrijwel leeg, doordat men vergeten was aankondigingen op te hangen bij de medische faculteit. De volgende ochtend schreef hij een haastige, verwarde brief aan zijn vakgenoot Brousseau, gevolgd door een beverig genoteerd testament. Hij vroeg vergiffenis aan de nagedachtenis van zijn vader en moeder, zijn vrienden en zijn collega-psychiaters. Tegen zijn huishoudster zei hij dat ze niet moest schrikken, en schoot zich met zijn dienstpistool uit de Eerste Wereldoorlog door de mond.