Halverwege het aankleden wordt de stilte van de trage handeling ruw verstoord door de telefoon. Matthews neemt niet op, te veel moeite misschien. Later in de voorstelling zal de telefoon nog een paar keer klinken. Intussen weet het publiek dan al lang dat die eerste scene niet de waarheid sprak over de fysieke toestand van deze acteur, hoogstens een waarheid. Want als Matthews zich verandert in de drie monsterpersonages die hij achtereenvolgens speelt in Hyde, blijkt hij nog altijd te kunnen dansen en bewegen met die intense energie en elegantie die zijn aanwezigheid op het podium zo dwingend maakt. Alleen als hij zich verkleedt voor het volgende personage, krijgt de vermoeidheid even een kans. Dan rinkelt ook de telefoon weer, als een waarschuwend teken dat de werkelijkheid niet helemaal buitengesloten kan worden.
In Howard Hughes’ sadistisch universum, de voorstelling van Bob Ruijzendaal die ik in dezelfde week zag, zit een deel dat doet denken aan de aankleedscene van Matthews. Het gaat om de aanwijzingen die miljonair Howard Hughes aan zijn twee huisjongens heeft gegeven voor het openen en serveren van een blik perziken. Omdat de miljonair smetvrees heeft, moet er voor deze simpele handeling een uitgebreide procedure worden gevolgd. De twee acteurs (Tjeerd Bisschof en Marcel Faber) volgen deze omslachtige aanwijzingen minutieus op. Ze mogen dat van mij nog ‘droger’ doen, want hoe minder er hier gespeeld wordt, hoe meer betekenis de handelingen zelf krijgen. Het wassen, schrobben en weken van het blik, de hoeveelheid tissues die gebruikt moeten worden bij het drogen van de handen - al deze vertragende factoren geven de toeschouwers de tijd om zich voor te stellen hoe het voor de miljonair moet zijn geweest om zo geobsedeerd te zijn door details. Maar ook: hoe het voor de mensen om hem heen moet zijn geweest om dit soort opdrachten uit te voeren. In ieder onderdeel van de handeling die Bisschof en Faber uitvoeren, verraden ze hun trouw of ontrouw aan hun opdrachtgever, maar ook hun geloof of ongeloof in de ‘ziekte’ van Hughes.
De aandacht die in deze twee relatief kleine voorstellingen wordt gevraagd voor omslachtige, maar veelzeggende handelingen, staat in schril contrast met de slordigheid waarmee in de Holland-Festivalproduktie De val van Mussolini met menselijk handelingen wordt omgesprongen. De voorstelling bestaat uit scenes die zogenaamd worden gefilmd. De voorbereidingen op de set, waaronder het klaarzetten van allerlei bizarre machines, zijn net zo goed onderdeel van de voorstelling. En dat zullen we weten ook. Als regisseur Dick Raaymakers de voorbereidende handelingen sec had laten zien, had dat veel kunnen vertellen over de (fascistische) schoonheid van teamwerk, of over de bizarre hoeveelheid moeite die mensen altijd weer doen om het leven voor de camera te ensceneren. Helaas word er door de spelers voortdurend gespeeld dat ze aan het werk zijn. De grootste improvisatiecliches zien we de revue passeren (ruzie krijgen, wanhopig in de haren grijpen) zonder dat er enige richting aan is gegeven. Wat een minachting voor de kracht van de ‘simpele’ handeling. En wat een misvatting over acteren, wat in dit geval ‘zijn en doen’ had moeten betekenen in plaats van leuk zijn en dik doen.