Omtrekkende bewegingen

In de boekhandel schreeuwde een cahierachtig boekje me van verre toe: Schrijf wat je meent. Ik voelde me meteen aangesproken. Schrijven wat ik meen, dat wil ik. Nu ligt het naast me, terwijl ik schrijf. Op iedere bladzijde staat een bezwerende formule. Het type bezweringen waar ik nooit genoeg van kan krijgen.

Zoals: Er bestaat niet zoiets als onzin.

En: Benader je onderwerp van zo nabij mogelijk.

Ik weet soms niet wat mijn onderwerp is. Behalve dat alles vervaagt, het leven voorbijgaat en toch zoet is. Ik zie dat in ieder geval in mijn aantekeningenboekje staan, maar het kan best dat ik dat van iemand heb overgenomen. ‘Zoet’ is niet echt een woord voor mij.

Kies je woorden precies.

Soms lijkt het genoeg dat er een school blijft, een hek om tegenaan te leunen. Dat er een plaats is die ons als kinderen heeft gekend en die ons als volwassenen terugneemt, zomaar op een doordeweekse dag.

Schrijf in de eerste persoon.

Vorige week liep ik met mijn zus de weg die we vroeger liepen van huis naar school. Mijn zus had een financiële meevaller en wilde me trakteren, daar begon het mee. En we missen allebei onze moeder, die er nog wel is maar eigenlijk ook niet. Voorheen gingen we met z’n drieën op pad, en trakteerde mijn moeder ons.

‘Ik ben nu mama’, zegt m’n zus.

We accepteren allebei onmiddellijk de rolverdeling. En besluiten behalve geld uit te geven naar ons oude huis te gaan, in een deel van Amsterdam waar we bijna nooit meer komen.

‘Durf jij aan te bellen?’ vraagt mijn zus die over het algemeen veel meer durft dan ik. Daar zit ik nu weer niet mee. Al schrik ik ook als zomaar een zoemer klinkt en de deur openspringt.

Ik was tien toen ik hier voor het laatst was. Ik weet nog dat de verhuiswagen voor stond en dat ik de trap af liep. Voor het laatst, dreunde het maar door m’n hoofd, voor het laatst dat ik in dit huis ben, op deze trap, dat ik deze deurknop vastpak.

‘Kom maar naar boven’, klinkt het nu vrolijk boven aan die trap. Maar dan in het Engels. Een paar woorden van mij waren genoeg, ondersteund door de lach van mijn zus. Daar staan we, als twee prehistorische beesten, ontredderd zoekend naar houvast in een wereld die niet langer op hen is toegesneden.

‘Daar was het keukentje’, zegt m’n zus.

‘En het balkonnetje’, zeg ik.

We staren naar een open keuken en een buitenformaat terras. Het enige wat onmiddellijk vertrouwd aandoet is de lucht van het Chinese restaurant dat hier nog steeds pal onder zijn keuken heeft.

‘Hier zat een schuifdeur’, zegt m’n zus. ‘Toch Mar?’

Ik kijk naar wat de voorkamer was, met de erker. Het is niets, en ooit was het alles. Ik wil eigenlijk niet meer boven kijken, maar we hebben nu iets in gang gezet. Terwijl m’n zus onze oudste broer ter plekke belt, om te vragen waarom hij een slaapkamer voor zich alleen had, kijk ik voor de vorm zo’n beetje om me heen. Ik wil het aardige meisje dat ons binnenliet niet teleurstellen.

Denk niet dat je alles moet beschrijven.

Later lopen we naar het hof, waar onze school stond, en de kerk. Er is nu ook een tennisbaan. Mijn zus denkt dat die er altijd al was, en ik denk van niet. Maar ik kan ook niet bedenken wat er dan wel was. Ik was op een partijtje bij Carla, ze woonde op dit hof. Ze had zwarte krullen en een pijnlijke glimlach. Ik had de perfecte dans op het liedje van Nina Simone.

I ain’t got no home, ain’t got no shoes

Ain’t got no money, ain’t got no class

Stel jezelf een vraag.

Ik heb geen vraag. Kan geen vraag bedenken. Behalve dat ik mijn zus een vraag stel, als we voor onze vroegere kerk stilstaan en zij begint te praten over onze vader, die naar haar idee toen hij dood was ook haar man bij zich heeft geroepen.

Ik vraag mijn zus: ‘Hoe kom je daar nou bij?’

Het idee staat me niet aan. Mijn vader, samen met die vent van haar.

‘Gewoon’, zegt m’n zus.

Er bestaat niet zoiets als onzin.

‘Of geloof jij daar niet in?’ vraagt mijn zus.

Een paar dagen eerder had ik mijn dochter opgezocht in Göttingen, waar ze studeert. Ze liet me de beroemde St Jacobi-Kirche zien, een clownskerk noemde zij het, vanwege de bonte pilaren. Voorin, naast het altaar, lag een boek opengeslagen waarin je iets kon schrijven. De meeste stukjes waren gericht aan een overleden dierbare. Mijn dochter was al op weg naar de uitgang, toen ik mijn kans greep.

Kies je woorden precies.

De dochter van mijn oudste broer denkt dat hij ons nog steeds ziet. Mijn moeder kan niet wachten tot ze weer bij hem is. Mijn zus denkt dat hij haar nog altijd beschermt. En dan moet hij ook nog over mijn dochter waken.

Lieve papa.

‘Nee’, zeg ik. ‘Ik geloof daar niet in.’