Omwentelingen

Wat evident wrang is, laat zich niet met een grap als zodanig ontmaskeren. In deze tijd begint satire al snel op collectieve therapie te lijken.

Toen ik op een ochtend wederom vroeg uit onrustige dromen ontwaakte, ontdekte ik dat mijn bed in een zuidwestelijke uithoek van het nog altijd niet tot stof vergane Verenigd Koninkrijk stond. Op vakantie kun je je soms even een ander mens wanen. Maar met een klein kind, een zieke vriendin en het zekere vooruitzicht van zeven dagen regen is het eerder alsof het normale leven een turn for the worst heeft genomen.

In werkelijkheid heeft dat gevoel van continuïteit alles te maken met de meegesleepte apparatuur. De tweejarige begint langzaam maar zeker in volzinnen te spreken. Volzinnen die niet zelden een vermanende vorm aannemen. ‘Niet op de telefoon kijken papa, dat mag niet.’

Ik zoek een excuus. Ik wil haar uitleggen dat mensen soms dingen doen zonder dat ze het zelf willen. Dat als je erover nadenkt de halve wereld aan elkaar hangt van mensen die dingen doen waarvan ze niet zeker weten of ze ze willen doen. Maar ik vrees dat het nog wat te vroeg is om haar lastig te vallen met zulke diepe inzichten in het leed dat leven heet.

Tussen Folkestone en Brighton hadden er langs de weg matrixborden gestaan. Automobilisten en vrachtwagenchauffeurs werden op kalme toon gewaarschuwd: wie zaken doet met het continent dient er rekening mee te houden dat het papierwerk in de nacht van 31 oktober op 1 november een plotselinge verandering zou kunnen ondergaan.

Het is vreemd om op vakantie te zijn in een werkelijkheid die je van een afstandje dagelijks op de voet volgt. Als je er eenmaal bent merk je betrekkelijk weinig van de chaos waarin je het land dacht te zullen aantreffen.

Pas op de ochtend waarop de Hoge Raad Johnsons prorogation van het parlement ongrondwettelijk verklaart, komen de tongen los en wordt er aan het tafeltje naast het onze boven de cream tea druk gediscussieerd op gelijktijdig geërgerde en vermoeide toon.

Terwijl ik met een half oor naar de gesprekken luister en met één hand volgens instructies een piraat inkleur, googel ik onder de tafel afbeeldingen van de broche van de voorzitter van de Hoge Raad, Lady Hale. De gigantische glinsterende spin die tegen haar schouder opklimt is adembenemend.

In een interview beschrijft Ian McEwan zijn gevoel van opluchting toen hij Lady Hale het vernietigende vonnis van de raad hoorde uitspreken. Hij beschrijft hoe de mist even optrok en de waanzin even plaatsmaakte voor iets wat, bij gebrek aan een ander woord, ‘normaal’ leek.

Misschien, denk ik nu, is het ergerlijke aan de Brexit dat het zo evident een idee is

Aanleiding voor het gesprek is The Cockroach, een novelle die drie dagen na de uitspraak min of meer onaangekondigd is verschenen. De Brexit-satire opent met een stuk ongedierte dat op een goede morgen wakker wordt in het bed van de premier van Groot-Brittannië als, u raadt het al, de premier van Groot-Brittannië. Het is allemaal even wennen: die vier ledematen en dat dikke, natte en slappe orgaan in zijn mond. En ook het hele idee van zoiets walgelijks als een endoskelet. Maar al gauw voelt hij zich als een vis in het water.

Alle politieke satire in Engeland wordt geschreven in de schaduw van A Modest Proposal en Armando Iannucci, dus wat begint als een variatie op De gedaanteverwisseling wordt binnen afzienbare tijd een swiftiaanse versie van The Thick of It. De premier staat voor de uitdaging zijn land door een tumultueuze omwenteling te leiden. De Clockwisers hebben verloren, de Reversalists krijgen hun zin: het moment nadert waarop alle geldstromen in het land worden omgekeerd. Bezit en arbeid gaan geld kosten, wat kan worden verdiend door te winkelen.

De interne logica is waterdicht, het enige probleem is de buitenlandse handel. Maar als de Amerikaanse president, notoir omkoopbaar, kan worden omgepraat, moet ook dat vanzelf goedkomen.

Het al vaak aangekaarte probleem van satire in deze tijd is dat het belachelijke niet in het belachelijke getrokken kan worden, dat wat evident wrang is niet met een grap als wrang kan worden ontmaskerd, dat ogen die alles reeds zien niet kunnen worden geopend, dat satire op zulke momenten, hoe bijtend ook, onwillekeurig op collectieve therapie begint te lijken. Troost.

McEwans satire is slim en grappig en toch ook hol. Ironisch genoeg is een van de grappigste stukken een speech die hij woord voor woord uit de mond van Boris Johnson overnam. The Cockroach blijft toch voor alles een goed uitgewerkt idee.

In een brief aan zijn jonge collega Philip Roth schreef Saul Bellow ooit hoe een kort verhaal dat die eerste had opgestuurd hem maar ten dele had kunnen bekoren. Wat hem dwarszat, zei Bellow, waren de ideeën. Ze waren goed, daar niet van, maar hij had het niet zo op ideeën in verhalen. Ze hebben de neiging al het andere naar de achtergrond te drukken. De lucht uit een verhaal te persen.

Misschien, denk ik nu, is het ergerlijke aan de Brexit dat het ook zo evident een idee is. Iets wat beantwoordt aan een verlangen – naar betekenis? – maar dat een begin en een einde ontbeert en uiteindelijk te simpel en te bedacht is voor onze complexe, modderige werkelijkheid.

De mensen aan het tafeltje naast ons hunkeren voor alles naar een moment waarop het allemaal achter de rug is. ‘It will never be over’, zegt Ian McEwan.

De stapels schuiven hier als duinen over mijn bureau, schrijft Bellow, vergeef me dat ik het manuscript zo lang ongelezen in mijn bezit heb gehad. ‘I should have read it at once. But I don’t live right.’ Het mooiste excuus uit de geschiedenis van de literatuur. Even overdreven als herkenbaar.