On-Nederlands

‘Hij is on-Nederlands verrassend in zijn beeldspraak.’ Dat beweerde Vrij Nederland vorige week over Tommy Wieringa. Kennelijk was dat, in de verder niet van enthousiasme overlopende recensie, een compliment. De zin riep allerlei vragen op.

Heeft beeldspraak een nationaliteit? En is het omgekeerde (‘Hij is heel Nederlands in zijn beeldspraak’) meteen een vernietigend oordeel? En wat is dat, Nederlands zijn in je beeldspraak? De geciteerde zin is een streamer, die de lezer het stuk in moet trekken, waar de recensent (Jeroen Vullings) het wat genuanceerder zegt: ‘Wieringa schrijft nog steeds met schwung en binnen het huidige literaire klimaat “on-Nederlands”, in die zin dat hij geen beeldspraak schuwt, daar zelfs heel verrassend in is.’

Aha, dus het gebruik van beeldspraak is op zichzelf al uitheems, nu de Nederlandse literatuur zo kaal is. Er volgt een voorbeeld: ‘Zijn schouders zijn een kleerhanger voor het trainingsjasje dat hij draagt.’ Nu begrijp ik het. Zo’n kleerhanger is natuurlijk verdraaid on-Nederlands. Oer-Nederlandse beeldspraak zou zoiets worden als: ‘Zijn trainingsjasje hangt als een kaasdoek om z’n schouders.’ En op z’n Vlaams: ‘Zijn schrepele lichaam torst het trainingsjasje als een lendendoek bij de kruisgang.’

Toen Allard Schröder in 2002 de Ako Literatuurprijs kreeg juichte het juryrapport: ‘De hydrograaf is werkelijk onnederlands te noemen.’ Over Tikoes van Henk van Woerden schreef een recensent: ‘Van Woerden is een onnederlands auteur met een groot literair talent.’ In deze gevallen lijkt ‘on-Nederlands’ aan te willen geven dat iets zodanig boven het maaiveld uitsteekt dat het misschien in het buitenland wel een kansje kan maken. On-Nederlands is Nederlands dat zo goed is dat het wel buitenlands lijkt. Het is heel Nederlands om daarvan te houden. Nergens anders dan bij ons vind je in de binnensteden zoveel Italiaanse, Chinese, Franse en Spaanse restaurants. We kopen Italiaanse maatkleding, rijden Duitse auto’s, drinken Belgisch bier en zodra we een weekje vakantie hebben staan we in dikke rijen voor de grens om het land te ontvluchten.

Volgende maand is De donkere kamer van Damokles van W.F. Hermans het boek in de campagne Nederland Leest. Een heel Nederlands boek, lijkt me zo. Voorschoten, Leiden, weinig verrassende beeldspraak, tamelijk eenvoudige zinnen, typisch Nederlandse sfeer met het ondergrondse verzet. In 2006 verscheen bij Gallimard de Franse vertaling. Die deed niets. Totdat Milan Kundera er een recensie over schreef in Le Monde. Opvallend genoeg zegt Kundera dat hij juist niets van Hermans weet, en niets van de specifieke Nederlandse context. Maar, zegt hij, ‘om enthousiast te zijn over zijn roman was dat ook niet nodig. Kunstwerken worden op de hielen gezeten door een hitsige meute commentaren en toelichtingen waarvan het kabaal de eigen stem van een roman of een gedicht overstemt. Ik heb Hermans’ boek dichtgeslagen met een gevoel van dankbaarheid jegens mijn eigen onkunde; die heeft me een stilte geschonken waardoor ik de stem van deze roman heb kunnen horen in al zijn zuiverheid, in alle schoonheid van het onverklaarbare, het onbekende.’ Kundera leest het boek meteen in de context van de Grote Europese Romans. Is De donkere kamer daarom on-Nederlands? Welnee, dat zou even onzinnig zijn als Pessoa on-Portugees noemen, Cervantes on-Spaans of Pascal Mercier on-Zwitsers. Veel grote romans uit het verleden spelen zich juist in regionale plaatsjes af. Het plattelandsdorpje Tostes, de Rua dos Douradores, een hooggebergte in de streek Castilië-La Mancha, een sigarenwinkel in Voorschoten. Heel anders dan de eigentijdse romans die neigen naar steeds eenvormiger grootstedelijke decors. Ik vermoed dat juist het lokale ervoor zorgt dat een werk wereldkwaliteit kan krijgen, zoals personages ook pas tot leven komen door zeer concrete eigenschappen. Door schouders als kleerhangers bijvoorbeeld. Zodra een boek werkelijk origineel, nieuw, verrassend is, overstijgt het vanzelfsprekend de eigen landsgrenzen. Een werkelijk verbluffende roman is niet zozeer on-Nederlands als wel ‘on-romans’, en opent een terrein waar de roman tot dan toe geen voet aan de grond heeft gezet.

In zijn essay Het doek pleit Kundera ervoor om boeken in de grote context te lezen: ‘De kleine natie heeft haar schrijver de overtuiging ingestampt dat hij alleen bij haar hoort. (…) De bezitsdrang van de natie ten aanzien van haar kunstenaars manifesteert zich als een terrorisme van de kleine context, waardoor de hele betekenis van een werk wordt gereduceerd tot de rol die het in eigen land speelt.’ In Nederland manifesteert die bezitsdrang zich als een merkwaardig soort Calimero-masochisme. Wat zou het een verademing zijn als we onze eigen romans eens leerden lezen met dezelfde wijde blik als Kundera had bij Hermans. Leerden we maar dankbaar zijn voor onze eigen onkunde. Dat zou, vrees ik, wel erg on-Nederlands zijn.