Onaangepaste schrijfdrift

Geen alledaagse vertellingen of ingetogen proza, maar absurde, hyperactieve verhalen die van de hak op de tak springen © Stuart Bright

Het zal je maar gebeuren: op je oude dag verpletterd worden door een boekenkast. Mirabelle, een alleenstaande bejaarde vrouw, millimetert op een ochtend haar haar en betreedt zonder looprek of wandelstok de zolder, op zoek naar oude stripverhalen. Ze trekt de kast om en wordt door het loodzware meubel overweldigd. Wanneer ze weer bijkomt blijkt ze klem te zitten. Wachtend op verlossing krijgt ze gezelschap van Tita, de huisaap die ze ooit redde uit de klauwen van een roofdier. Om de tijd door te komen richt de vrouw het woord maar tot de aap: ‘Heb ik je al eens dat verhaal verteld van die zen-leerling die klaagt dat het zo saai is om al zijn aandacht alleen maar te richten op zijn adem?’ De punchline: ‘Zijn meester duwt hem met zijn hoofd onder water – net iets te lang – en als hij de leerling weer laat bovenkomen, vraagt hij hem: “En, nog altijd saai?”’

Het eerste verhaal uit de bundel Wij, het schuim, het debuut van Caro Van Thuyne (1970), neemt deze bizarre scène als uitgangspunt, maar is daarmee nog niet tot een climax gekomen: op Mirabelle’s anekdote volgen capriolen met dierenurine, enkele pagina’s gefragmenteerde innerlijke monoloog en een uitgebreid autopsierapport. En bij het einde gekomen heb je nog eens elf andere verhalen van vergelijkbare dichtheid voor de boeg.

Dit is dan ook op ieder vlak een buitenissige verhalenbundel. In Wij, het schuim vind je geen kleine, alledaagse vertellingen of ingetogen proza, maar absurde, hyperactieve verhalen die van de hak op de tak springen, en bombastische titels hebben als Lepeltjesgewijs, of: Please tell your tits to stop staring at my eyes – DEEL II of Het ooit eindigende verhaal van al mijn ijsblauwe kinderen.

Een relatief zeldzame literaire kwaliteit: volstrekte eigenzinnigheid

Ook de technische uitwerking van deze teksten is behoorlijk excentriek. Van Thuyne lijkt het schrijven met ieder verhaal opnieuw uit te vinden: ze stemt de vorm steeds op een unieke manier af op de inhoud, zonder zich te laten leiden door conventies. Perspectiefwisselingen, metafictioneel commentaar, verklarende woordenlijsten: de schrijver put gretig uit een breed scala van verteltrucs om haar verhalen op te luisteren.

Het ooit eindigende verhaal van al mijn ijsblauwe kinderen bestaat bijvoorbeeld uit twee elkaar afwisselende monologen. De ene verteller is Dolores, een vrouw die haar ongeboren tweeling is verloren door in vuil water te zwemmen. Haar treurige relaas wordt onderbroken door ‘het schuim’, een onbepaalde wij-verteller die zichzelf beschrijft als een poel smerig, voornamelijk uit dode dieren bestaand water – hetzelfde water dat Dolores van haar kinderen heeft beroofd. De boosdoener praat dus terug tegen het slachtoffer, en doet dat in wrede, barokke taal: ‘Ver boven ons zal de maan de nacht op een kier zetten en wij, wij zullen onverwijld onze galgroene gelederen weer sluiten, doen alsof we nooit verstoord werden maar heimelijk hevig verlangen naar het bleekgroene ochtendlicht dat de draak zal wekken.’

Ondanks spel en experiment vormt de bundel wel een vrij coherent geheel. Van Thuyne heeft een consistente, herkenbare schrijfstem die deze teksten samenbindt: in ieder verhaal tref je weer haar brutale, bombastische zinnen en scabreuze humor aan. Inhoudelijk zit er ook een duidelijke lijn in Wij, het schuim: veel van de verhalen spelen zich af in de door een zonderlinge dokter opgerichte ‘leefgemeenschap’ Waldo; waarschijnlijk een moderne versie van Walden, de kolonie van Frederik van Eeden (1860-1932). Omdat deze hippiecommune en bijbehorende personages steeds blijven terugkeren, wordt het wat makkelijk om deze springerige verhalen in een groter verband te plaatsen.

Maar deze sterke samenhang maakt Wij, het schuim ook relatief ontoegankelijk. Van Thuyne toont zich namelijk een bijzonder ongeremde, zeg gerust mateloze verteller, die gaandeweg meer en meer verbanden tussen haar verhalen aanbrengt. In de tweede helft van de bundel wordt ontdekt dat de oude Mirabelle ook kunstschilder was, eerder opgevoerde bijfiguren keren terug als vertellers, en praktisch ieder personage blijkt op een gecompliceerde manier een nazaat van de originele bewoners van Waldo te zijn. Zelfs in de verantwoording blijft Van Thuyne onvermoeid doorvertellen en betekenislagen opstapelen: op de laatste pagina’s krijg je te horen dat bepaalde verhaallijnen en passages uit Wij, het schuim deels gebaseerd zijn op werk en leven van David McComb, zanger van de relatief obscure Australische folkband The Triffids. ‘Niet dat het er iets toe doet voor uw leeservaring’, schrijft Van Thuyne, maar dat weerhoudt haar er niet van om nog maar eens een vracht informatie over de lezer uit te storten.

Deze obsessieve benadering heeft gezorgd voor een bont en rijk boek, dat geen moment verveelt, maar uiteindelijk worden er zoveel betekenisvolle dwarsverbanden gecreëerd dat de verhalen elkaar gaan verstikken. Van Thuyne’s vertelwoede verdraagt maar weinig onafhankelijke plot, waardoor deze volgeladen teksten met elkaar lijken te versmelten tot een almaar vertakkend geheel, waar soms geen touw meer aan is vast te knopen. Het gevolg is dat de teksten uit deze verhalenbundel zich maar moeilijk laten lezen als losse korte verhalen. Maar wie zich niet laat afschrikken door onbegrijpelijkheid en overdaad zal in Wij, het schuim een relatief zeldzame literaire kwaliteit vinden: volstrekte eigenzinnigheid. Caro Van Thuyne’s verhalen bieden een weldadige vreemdheid, een ontregelend en enthousiasmerend teveel aan betekenis. Die manische, onaangepaste schrijfdrift verdient zeker bewondering en navolging, maar enige zelfbeheersing had de lezer in dit geval niet geschaad.