Onaanraakbaar mooi

Voor de jeugdliteratuur is 1997 een recyclejaar. Met Zwart en wit gaf Wim Hofman zijn volstrekt eigen visie op Sneeuwwitje, en voor Mariken vond Peter van Gestel de inspiratie in de wereld van Mariken van Nieumeghen. In De roos en het zwijn zijn de omtrekken van De Schone en het Beest zichtbaar. Anne Provoost baseerde zich daartoe op een zestiende-eeuws, in Italië opgetekend sprookje. Bij ons was het verhaal lange tijd bekend in de woorden van de achttiende-eeuwse Madame Le Prince de Beaumont, en sinds Walt Disney het inlijfde in zijn tekenfilmimperium kent bijna iedereen de lovestory tussen The Beauty and the Beast.

Provoost situeert haar verhaal rondom Antwerpen, waar de vader van de Schone succesvol handel drijft met de Hanzesteden. Het Beest in wiens tuin de vader een roos voor zijn dochter steelt, is een door de pokken geteisterde man die het jonge meisje voor zich weet te winnen met zijn geest. Het overdrachtelijke beest echter is het monster van de lijfelijke lust, die het meisje tijdens haar eerste stappen op weg naar volwassenheid niet kan weerstaan en die haar in vele gedaanten belaagt vanwege haar bovenaardse schoonheid. Het is dit uiterlijk dat de draagster ervaart als vloek, als een schuld waarvoor zij haar leven lang zal moeten boeten.
De Schone zelf vertelt haar treurige geschiedenis. Rosalena heet ze, prematuur geboren als een erbarmelijk wicht zonder veel levenskansen, maar uitgegroeid tot de mooiste vrouw in de wijde omtrek van Antwerpen, tot vreugde van haar vader en tot afgunst van haar zusters. Wanneer deze door de pokken gruwelijk worden vend, halen hun mannen in het geniep hun gerief bij het ongeschonden schoonzusje, wat een gedrochtje oplevert met twee onaards mooie hoofdjes: ‘een vergissing van God’. En Rosalena leefde waarschijnlijk nog lang, mooi en ongelukkig.
Provoost schreef eerder de geëngageerde en veelbekroonde jongerenroman Vallen. Wat ze met dit nieuwe boekje wil, wordt niet echt duidelijk. Ze heeft het oude verhaal haar eigen invulling gegeven door schoonheid ondraaglijk te laten zijn en seksualiteit bezoedelend. Dit past binnen de historische sfeer die ze weet op te roepen. Daarin speelt het bijgeloof een belangrijke rol, met elfen en engelen die staan voor het aardse en het hemelse. Zich bewust van beide uitersten groeit Rosalena uit tot een outcast, een heks waar het volk het op gemunt heeft. Tegelijkertijd gaat zij gebukt onder een anachronistisch twintigste-eeuws zondebesef.
Wat mij stoort is hoe een simpel en volks verhaal overladen raakt met betekenis en literaire pretentie. Provoost schrijft gecomprimeerd en precies, in een gedragen stijl die past bij de historische context. Te vaak echter ontaardt deze precisie in gekunsteldheid. 'De aarzeling die in korrels op haar lippen stond’, lees je dan. of: 'Onze gesprekken waren kristallen die schitterden in de duistere kelder van mijn afzondering’. Deze gemaniëreerdheid geeft het verhaal een kleur van onechtheid en leidt af van de in wezen tragische hoofdpersoon. Anders dan Sneeuwwitje en Mariken, die de eeuwen overbruggen en ons hedendaagse hart weten te beroeren, blijft Rosalena onaanraakbaar mooi in haar kleurrijke verleden.