Boudewijn van Houten: Onze hoogmoed

Onaardige jongens

Boudewijn van Houten

Onze hoogmoed

Uitg. Aspect, 317 blz, € 16,98

In grote vaart begint Boudewijn van Houtens roman Onze hoogmoed uit 1970: «God, wat was ik ongelukkig in die tijd. Meisjes kon ik niet te pakken krijgen. En bij mijn vrienden vond ik geen geestverwantschap. Ik was student in de letteren. Eerstejaars. Ik hield van kunst, wilde kunstenaar worden en verlangde bovendien naar een leven in luxe.»

Dat laatste is de schrijver gelukt, anderhalf jaar lang. Dan wordt hij gearresteerd op het landgoed van zijn vriendin in Twente. Hij is dan 26 jaar. Als schrijver geniet hij in beperkte kring enige beruchtheid door zijn bijdragen aan het literair tijdschrift Tegenstroom — waarvan het opheffingsnummer op dat moment bij de drukker ligt. Als student Nederlands is hij gesjeesd.

Van Houtens beruchtheid neemt de maanden na zijn arrestatie een enorme vlucht als de ware toedracht bekend wordt van de grootscheepse vervalsing waarmee een groep twintigers voor zo’n anderhalve ton de PTT heeft opgelicht. De daders zijn merendeels student, al dan niet gesjeesd. Arrogant, ontwikkeld, veeleisend, arm. Het geld besteden ze aan Europese reizen, meisjes, regimental ties en hun eigen literaire tijdschrift dat ze zelf volschrijven. Van Houten krijgt voor zijn aandeel in de affaire een veroordeling tot anderhalf jaar gevangenisstraf.

Vier jaar na zijn vrijlating verschijnt een roman over de grootschalige vervalsing onder de veelzeggende titel Onze hoogmoed. Het boek, huiveringwekkend en meeslepend, was lange tijd tot in de verste antiquariaten vrijwel onvindbaar. Terecht beleeft het nu een nieuwe druk.

Het is niet de enige roman over de affaire. Van Houtens handlanger Theo Kars was hem voorgegaan met De vervalsers. Alle personages in beide romans zijn zonder moeite te identificeren, en zo valt een veelzijdige reconstructie te maken van de vervalsing en de aanloop daar naartoe. Dat is ook veel gebeurd, maar de vraag is natuurlijk hoe waarheidsgetrouw deze «romans» zijn. Bij verschijning van Onze hoogmoed ging veel aandacht uit naar de identificatie van de twee hoofdrolspelers. «‹Hij› is hij niet, ‹zij› is zij niet, en ‹ik› ben ik niet», verzekert Van Houten de lezer nog aan het begin, maar tevergeefs. De dominante romanfiguur Max Aarts in Onze hoogmoed was Theo Kars, en omdat deze Aarts een weinig flatteuze rol speelt, werd het boek beschouwd als Van Houtens afrekening met Kars.

Niet verwonderlijk dat Onze hoogmoed tot speurwerk leidde. Want de roman verlokt de lezer af en toe tot grote morele verontwaardiging. En niets is comfortabeler dan het kwaad in persoon tot verantwoording te kunnen roepen. Maar hoe verleidelijk deze gedachte misschien ook is, zinloos is toch elke poging om te achterhalen of ooit een bloedmooie vriendin van Kars door hem «verstrooid», «met een verstrooide glimlach» of met «verstrooide tederheid» werd bejegend (De vervalsers), of dat hij haar, voor enige dressuur, met een leren riem op de voetzolen sloeg. (Onze hoogmoed). Misschien gebeurde geen van beide. Maar intussen blijft de lezer achter met verontrustende gedachten, en heeft de roman zijn beklemmende werk gedaan.

In zijn uitdrukkelijke verlangen om van Onze hoogmoed een roman te maken, is Van Houten nagenoeg geslaagd. De vervalsingsoperatie is misschien de motor van de roman, maar Van Houtens ambities gingen verder. Hij heeft een student willen beschrijven, Emile van Dommelen, die, jong en ontvankelijk, in de ban raakte van een vriend die hij in belangrijke opzichten superieur achtte, maar uit wiens greep hij probeerde te ontsnappen. Verbluft ziet de ouderejaars Emile toe hoe deze Max overal waar hij gaat een onmiskenbaar ontzag inboezemt, en hoe hij bij zijn veroveringen van meisjes een jaloersmakend zelfvertrouwen aan de dag legt. «Ik moest erkennen dat Max beter de weg wist in het leven dan ik.» En met deze conclusie begint de Bildung van Emile.

Een van de bijzonderheden van de roman is dat de invloed van Max zich door ideeën laat gelden die voornamelijk geput zijn uit de literatuur. Uitgebreid bestuderen zij Nietzsche, en, minder gebruikelijk, de Franse schrijvers Vailland en Montherlant. Bijzonder is ook dat zij zich niet voor vertroosting of esthetisch plezier tot die lectuur wenden (dat laatste leert Max Emile snel af), maar uitsluitend om er een persoonlijke moraal uit te distilleren. En al gauw zijn zij in dialectiek niet te verslaan als het gaat om de ongelijkheid tussen man en vrouw, de verkieslijkheid van een zinnelijk leven en de noodzaak om te allen tijde het eigenbelang te dienen. Rousseau’s contrat social gaat overboord, het woord «ethisch» gaat in de ban.

Met lede ogen ziet Emile dat het Max beter lukt om deze ideeën in de praktijk te brengen. Hoe verbeten hij hem ook probeert te imiteren, vreesachtig van aard mist hij de rücksichts losheid om steeds naar de nieuwe moraal te leven. En Max is niet de man om daar geen gebruik van te maken. Hij is een man die zich geleidelijk steeds meer laat gelden door verbale terreur, waarmee hij vrijwel iedereen het zwijgen weet op te leggen en angst inboezemt. Dit is in het boek bijzonder aanschouwelijk gemaakt. Veel passages zijn gewijd aan het napluizen van argumentaties waarmee Max de hoofdpersoon in het stof laat bijten, en als lezer pluis je driftig mee. Van tijd tot tijd komt het tussen beiden tot een breuk, maar hoezeer Emile zich ook voorhoudt dat Max tiranniek is, steeds weer keert hij naar hem terug, eenvoudigweg omdat hij niemand kent die zó prikkelend, uitdagend en avontuurlijk is. Toch wil hij niet aan hem onderworpen raken, zoals een groep gehoorzame onderdanen die zich rond het tweetal heeft verzameld.

Deze groep libertijnen leeft als uitvreters van steeds verder weg geleende bedragen. Dan van boekendiefstal. In regenjassen met vilten zakken stropen ze eerst de hoofdstad af en gaan later op rooftocht door Nederland en België. Veel levert het niet op. Wrokkig verduren de jongens een armzalig leven, en ze zinnen ijverig op een uitweg. Geld drukken? Chantage? En dan dient zich een oude vriend van Emile aan. Ambtenaar bij de posterijen. Met kennis van vroegere fraudezaken en een overtuigend plan voor oplichting. De vervalsingsoperatie — het betreft postwissels — neemt het grootste deel van de rest van de roman in, en wordt zeer gedetailleerd beschreven. Met alle onervarenheid, tegenslag en ingenieuze oplossingen, heeft dit gedeelte van de roman de avontuurlijkheid van een jongensboek als, laten we zeggen, Daantje de wereldkampioen. Maar de verhouding tussen Emile en Max wordt allengs grimmiger. Nu zij in zekere zin outlaws zijn en tot elkaar veroordeeld, ontstaat de gelegenheid om ook elkaar schade te berokkenen. Max grijpt de gelegenheid. Maar Emiles bewondering blijft in stand, zelfs nadat de hele bende door onvoorzichtigheid van Max achter de tralies verdwijnt. En het is uiteindelijk een onbenullig voorbeeld van Max’ gelijkhebberij dat Emile aanspoort tot een grondige geestelijke zuivering.

Uitvoerig beschrijft Van Houten het moreel reveil van Emile. Max, zijn wereldbeeld en hun vriendschap, alles wordt verworpen. En jubelend van burgerzin komt Emile vrij, vastbesloten om rechten te gaan studeren. Tot… «Tot ik merkte dat een rechtenstudie eigenlijk buitengewoon vervelend was. Dat trouw aan één vrouw de liefde uit mijn leven bande. Dat de deugdzamen slecht gezelschap waren.» En zo blijft de lezer op een geraffineerde wijze een morele les bespaard.

Toch kan het einde niet helemaal overtuigen. Begrijpelijk is dat Emiles gedachten weer kruipen naar Max Aarts. Maar het stellige besluit: «De enige die mijn vriend kon zijn, kon het niet meer zijn», kan toch de indruk niet wegnemen dat er een dag komt waarop zij elkaar weer treffen, en Emile, meegesleept door de brille van Max…