Menno Hurenkamp

Onafhankelijkheid, dus niet

Een democratie kan niet zonder onafhankelijke pers. Als je geen journalisten hebt die zonder last of ruggespraak opschrijven wat de macht uitspookt, dan kunnen de kiezers niet oordelen wie hun kostbare mandaat verdient. Het is een van de meest kitscherige opvattingen denkbaar over politiek. Hoe zit het echt?

Twee voorlichters van het ministerie van Sociale Zaken lazen mee in de computers van hun voormalige werkgever, de persdienst GPD. Daarop zagen we briesend de hoofdredacteur van de GPD op teevee, in een stuip van Hekkingheid. Alsof de GPD Aung San Suu Kyi is die onder vuur ligt van een junta. De verstandige voorlichter weet: eens in de week je oud-collega-journalist op een biertje trakteren en dan is inlogcodes onthouden niet nodig. In Den Haag bellen en gluren journalisten, voorlichters en politici de hele dag rond, onderhandelend over stukken, nieuwtjes, halve nieuwtjes, roddels en keiharde feiten. Alle grote monden over onafhankelijkheid van de pers ten spijt is eerder sprake van een loopgravenoorlog waarin de strijdende partijen elkaar zo nu en dan bevoorraden, dan van met open vizier strijdende ridders zonder vrees of blaam.

Iets soortgelijks speelde rond de ‘Darfur-actie’. NRC Handelsblad ‘onthulde’ dat Vrij Nederland met geld van een aan de overheid gelieerde organisatie, NCDO, een serie reportages over de burgeroorlog in Soedan had gepubliceerd, zonder de herkomst van de financier te vermelden. VN-_hoofdredacteur Emile Fallaux merkte de afgelopen week terecht op dat nogal wat media gebruik maken van dat fonds, waaronder ook _NRC Handelsblad. En dat er meer van dit soort fondsen bestaan, waar de media wát blij mee zijn. Maar in een tussenzinnetje onthult Fallaux wel de feitelijke aard van de verhouding tussen pers en overheid. ‘Er is een web van codes en afspraken waarmee de overheid op afstand gehouden wordt.’ Precies: een web, een netwerk waarin je niet te dichtbij kunt komen, maar zeker geen zee waarin je naar hartelust ronddobbert. In dat web is niet alleen de onafhankelijkheid geregeld in afspraken, maar ook de afhankelijkheid: de nieuwtjes, complimenten, uitnodigingen voor bijeenkomsten, verjaardagsfeestjes en geinige conferenties in verre landen. De dingen die je niet moet doen met het geld dat je losweekt voor je dure reportage, die weet je als journalist vóór je het geld aanneemt. De dingen die je niet moet vragen als overheidsdienaar, die zeg je voor je het geld geeft.

Er bestaan geen los rondzwevende kranten, fondsen, ambtenaren en volksvertegenwoordigers. Men houdt malkanders handjes flink vast – en dat is maar goed ook. De democratie draait op ons kent ons. Als af en toe een journalist de last van zijn hypotheek wil verlagen via een voorlichtersbaantje, of als belastinggeld dient als smeerolie tussen arme maar slimme schrijvers en houterige maar rijke ambtenaren, dan werkt dat systeem des te beter. Het is aardig en soms ook nodig om dat soort afhankelijkheid aan de kaak te stellen, als rebelse publicist of politicus. Roepen dat jij voor onafhankelijkheid bent, mooi hoor. Zou er ook maar iemand tegen onafhankelijkheid zijn? Maar dat de voorzienigheid ons behoede voor een maatschappij waarin geen overlap bestaat tussen de arena’s van politiek en kritiek. De ene helft van het nieuws zou niet verschijnen, omdat de journalist niet wil schrijven over mensen die hij niet zelf kent. De andere helft zou niet deugen, omdat de journalist niet aanvoelt wat de intenties van de in jargon geschreven beleidsplannen zijn. ‘De dag van de afhankelijkheid’, als het beter bekte, zouden we ’m jaarlijks moeten vieren.