Myrte ging naar Guatemala, Irene naar India

Onafscheidelijke tweeling gescheiden

Duizenden westerse jongeren combineren hun «wereldreis» met vrijwilligerswerk. De eeneiige tweeling Myrte en Irene Huyts (1986) uit Brabant besloot na het gymnasium apart te reizen. Myrte ging naar Guatemala, Irene naar India. Een verslag van hun experiment om als helft van een twee-eenheid op eigen benen te staan.

door Myrte Huyts

JOCOTENANGO – Een veelgehoorde opmer king na het verhaal dat ik naar Latijns-Amerika zou gaan en Irene naar Azië was: «Je kunt je zus niet missen.» De mensen waren vaak te onbeleefd om de zin in vraagvorm te zetten. Er was al voor me beslist. Ik kon mijn zus niet missen.

Het is raar. We deden ontzettend veel samen, we sliepen bij elkaar op één kamer en vormden vaak een front tegen de rest van ons gezin. Tijden heb ik onze scheiding voor me uit geschoven. Totdat haar reis vannacht begint.

Vannacht heeft ze gebeld, ze zit in India. Ik lag net te slapen en het drong niet tot me door dat de telefoon ging. Mijn moeder pakte op en zo luisterde ik slaperig naar haar opgewonden stem. Ze leek zo jong op Schiphol. Rode wangen, ingevlochten haren, te grote rugzak. Ik ben bang dat mensen misbruik van haar maken. Ik zeg niks tegen haar, leg neer en kan alleen nog maar huilen.

Nu zit ik zelf in het vliegtuig en houd al van dit chaotische land waar – vanuit de lucht gezien – een hoopje huizen door elkaar is gehusseld en willekeurig tegen de bergen is geplakt. Het is nacht als ik aankom in Guatemala City – alweer ochtend in India – en een man gaat me naar mijn gastgezin brengen.

We rijden de donkere straat in. Mijn huis is groen met donkere gietijzeren deuren. Het herbergt gastvrije mensen of een wantrouwig gezin, ik heb geen idee welke van de twee. Ik wil in de auto blijven zitten. Maar mijn chauffeur toetert, de deuren zwaaien open.

En nu ben ik in een vreemd gezin in een onbekend huis en ze spreken een taal die ik nauwelijks kan verstaan. Ze hebben gewacht met eten, ik heb geen honger. Ik neem wat bananenbrood, glimlach te veel, neem alle gezichten die me zo verwachtingsvol aankijken in me op.

Ik voel me zo anders hier. Niet alleen de kinderen, maar ook de mannen en vrouwen van mijn dorp Jocotenango (vlak bij de oude hoofdstad Antigua) kijken met onbeschaamde nieuwsgierigheid naar me. Ik heb niet de haren, niet de huidskleur van hier en het is duidelijk dat toeristen hier een andere status hebben. Ik wil – net als Ireen – geen toerist zijn, wil onzichtbaar worden, zonder belemmeringen deze nieuwe cultuur zien. Maar in de bus loopt de lokale bevolking vaak liever helemaal naar achteren dan naast mij te gaan zitten.

Het ruikt hier anders. Ik let nooit op geuren, hier vallen ze me op. Veel mensen ruiken een klein beetje zuur – niet echt vies –, naar ingetrokken zweet, zeep of goedkoop parfum. De straten zijn een mengeling van verbrand plastic, honden en versgebakken tortilla’s. En de bussen hier. Ruiken naar zolder. Naar oude meubels en stoffige gordijnen.

Vaak loop ik over de markt van Antigua. Ik houd van het ritme van de vrouwen, het ritme waarmee ze manden op hun hoofden sjouwen, hun in sjaals gewikkelde baby’s dragen.

Ook de markt van Jocotenango is overweldigend. Via een klein gangetje kom je er. Je voelt je kleiner worden. Terwijl het natuurlijk andersom is: de ruimte om je heen wordt groter. Aan echte hygiënische maatregelen doen ze hier niet. Stukken vlees hangen en liggen ongekoeld naast de vruchten, bonen en huishoudelijke spulletjes. Kinderen rennen rond, vliegen hebben vrij spel. Maar alles leeft.

Ik moet wennen aan het langzame looptempo. En aan de armoede. Inmiddels ken ik de vaste plekken van de bedelaars in Antigua. De blinde man, zijn ene hand op zijn radio – zijn enige bezit –, de andere vragend opgeheven. Op de hoek van de één na belangrijkste straat hier zit een man met lepravoeten, niet veel verder zit een moeder levenloos tegen de muur met in haar armen een even levenloos gehandicapt kindje. Ik schrik van de lijmkinderen, die zich ’s ochtends bewegen met hun strompelende loopje, in hun ogen een blik die wazig is en nergens houvast lijkt te vinden. Het went, zeggen de andere studenten hier. Net zoals je aan het vuil schijnt te wennen, dat overal is. De bus, de straat, alles is een openbare vuilnisbak.

Ik heb moeite met alleen genieten. Achttien jaar deed ik het samen met mijn tweelingzusje. Ik ben gewend aan het feit dat ze altijd om me heen is, ik zou haar graag dingen willen aanwijzen die ik hier bijzonder vind of waar ik moeite mee heb. Want het is zo oppervlakkig, dat standaardreizigersgesprek. Ik ben het zat. Ik wil niet telkens weer opnieuw praten over uit welk land ze komen of naar welke landen ze hierna gaan.

Buitenlandse studenten heb je hier in twee soorten. De ene is hier gekomen met een doel – Spaans leren, vrijwilligerswerk doen, een andere cultuur zien –, de andere is zonder duidelijk doel en daarom hier. Veel studenten van de laatste groep beleven alles in positieve extremen: ze missen niemand, ze zien de armoede niet. Alles is «so cool». Ze ervaren alles met uitroeptekens, lijkt het. Heel vermoeiend.

Maar alle studenten vinden het geweldig om te horen dat ik een tweelingzus heb. De verwondering is groot als ik vertel waar ze nu zit. Een samenhangend geheel hoort zichzelf niet op te splitsen, hoor ik ze denken. Maar wijzelf hebben altijd de verschillen willen benadrukken, de buitenwereld zag juist de overeenkomsten. Dat was overzichtelijk, en bovenal werd de magische mythe van het tweeling-zijn ermee versterkt: uit één buik, hetzelfde, en altijd samen.

Het is fijn om even niet «één van de tweeling» te zijn, niet herinnerd te worden als geheel, maar als één. Dit vreemde alleen zijn. Eindelijk een periode waarin ik al het nieuwe in mijn eentje kan trotseren.

De zus

door Irene Huyts

DELHI – Een grote hekel heb ik altijd al gehad had aan de vraag – of eigenlijk de veronderstelling – dat we als tweeling «wel hetzelfde zouden gaan studeren». Een minstens even grote hekel had ik aan het feit dat het voor mijn omgeving een uitgemaakte zaak leek dat we samen op reis zouden gaan. Nooit, maar dan ook nooit, is dat het plan geweest. Het was míjn India, en geen tweelingzusje dat daar in de buurt durfde te komen.

Nu zit ze aan de andere kant van de wereld en ik vraag me af of ik spijt moet hebben. Drie jaar heb ik aan het idee kunnen wennen, maar me er echt op voorbereiden was onmogelijk.

Symbolischer kan haast niet: negen maanden samen in de buik, negen maanden gescheiden van elkaar. De «onafscheidelijke» tweeling heeft er zelf voor gekozen, maar kon de gevolgen niet overzien; de langste aaneengesloten periode dat we uit elkaar zijn geweest, is drie dagen. Vóór de reis was in ieder geval duidelijk dat we nu tenminste een hele tijd niet door elkaar gehaald zouden worden, zelfs niet met elkaar zouden worden geassocieerd; misschien is dat wel de stille hoop – en tegelijkertijd de angst – van iedere tweelinghelft.

Leuk is het wel dat ik, eenmaal in India, aan mijn reisgenoten en weeskinderen trots de foto’s van haar laat zien, om wél duidelijk te maken dat ik een «twin sister» heb. Toch ben ik blij dat ik hier niet bekend sta als «de tweeling», maar gewoon als het meisje dat veel lacht, veel eet, en overal en altijd kan slapen.

«We kunnen toch niet eeuwig aan elkaar blijven hangen?» was meestal mijn weerwoord op vragen die het slagen van de missie je-tweelingzus-missen in twijfel trokken. Dat neemt niet weg dat het moeilijk was mijn hevig huilende wederhelft op het vliegveld achter te laten. En toch daarna meteen de rust: nu zal (en ga) ik het in mijn eentje redden.

De armoede valt – in tegenstelling tot wat ik de eerste dagen dacht – tegen. Als ik uit de bioscoop van Jaipur kom, wil ik er even niet mee geconfronteerd worden. Maar er komt al een straatmeisje van een jaar of vijf op me af, en daarna een meisje met baby, die er levenloos uitziet. Voor het raam van de McDonald’s is een zwerfmeisje gaan staan om het inmiddels overbekende eet- (hand naar mond) en geldgebaar (uitgestoken handje) te maken. Een straatmeisje met een grote kale plek op haar hoofd wordt door een jongen op haar gezicht geslagen en rent huilend weg. Een straatjongetje probeert ballonnen te verkopen maar kan zijn ogen niet meer openhouden van de slaap. Half liggend, half zittend tegen een lantaarnpaal wordt hij door een vrouw weggeschreeuwd.

Ik wil huilen, ik wil iemand naast me die me begrijpt. Maar op mijn hotelkamer met Amy (een Amerikaanse van 29 jaar) gaat het gesprek over vieze kussenslopen, lakens, wc’s en harde matrassen.

Na twee weken in het hostel en een reis naar onder meer Shimla en Mc Leod Ganj, samen met de andere vijf vrijwilligers, kan ik het gelukkig goed vinden met een paar mensen. Een bergtocht maken; je verwonderen over zonsopgangen, lammetjes, kinderen, monniken, tempels en sneeuw; slenteren door de straten; pizza, cola en brownies bestellen in je hotelkamer; chai (thee met melk en veel suiker) drinken in een theehutje; tientallen uren in de auto en de trein, en samen slapen, gecombineerd met het feit dat je in je woonplaats Delhi allemaal «lijdt» onder de chaos van het verkeer, vuil, hitte, stof, uitlaatgassen, opdringerige verkopers en riksjabestuurders, schept blijkbaar een band.

En dan ga je wonen en werken in een weeshuis en heb je niemand om op terug te vallen. Ik heb het gevoel dat de nonnen me niet echt accepteren omdat ik aangegeven heb niet gedoopt te zijn, niet naar de kerk te gaan en niet te bidden («Are you angry with God?»). Ze spreken voornamelijk Hindi en een Zuid-Indiase taal, ook als ik er bij ben. De kinderen verstaan me ook al niet en eisen één voor één al mijn aandacht op. Soms trek ik me terug in mijn kamer. In plaats van een kamer en bed te delen met Myrte heb ik nu een kamer en drie bedden voor mij alleen.

Het gaat snel beter met me. De kinderen zijn geweldig lief en begroeten me iedere keer met grote overgave en vreugde («Didi!»). Ik zie Renée weer (dag 3 in weeshuis) en op dag 5 neem ik een autoriksja naar het hostel om «mijn» jongens weer te zien. Myrt is jaloers, alle leuke mensen trekken verder bij haar, door naar een nieuwe bestemming.

Het is vreemd om niet meer echt betrokken te zijn bij haar leven. Maar het is ongelooflijk hoe herkenbaar haar verhalen zijn: het gebrek aan mensen met wie je echt kunt praten, tegen wier schouder je kunt slapen, die je een kus kunt geven; het genoeg hebben van het standaardreizigersgesprek («Uit welk land kom je? Waar ben je geweest? Waar ga je naartoe?») en van de mannen die je aanstaren. Soms denk ik eraan hoe makkelijk het zou zijn om met Myrt te reizen. (Uit het dagboek van mijn vader, als we twee jaar zijn:) «Ze voelen zich erg sterk met z’n tweeën, dat is hun grote kracht.» Wij tegen de rest van de Wereld, kon het nog maar even.