Onbarmhartig licht

De wezenlozen, het debuut van Wytske Versteeg (1983) is een verhaal over een desintegerende familie van vier: leraar klassieke talen Siegfried van Oort, zijn vrouw Clarissa en hun tweelingdochters Gone en Ismeen. De vijfde rol is voor de broer van Siegfried, George, een moddervette figuur die nationale roem vergaarde door aan een reality show mee te doen. De vertelling is opgedeeld in vier stukken waarin telkens een van de personages aan het woord komt , respectievelijk Ismeen, George, Clarissa, Siegfried. Gone heeft geen stem, letterlijk.

Medium de wezenlozen kaft

Een ongeluk heeft niet alleen haar spraakvermogen aangetast, maar ook haar associatief vermogen, ze heeft geen woorden meer voor emoties en objecten, wat haar uiteindelijk verandert in een regressief wezen dat alleen maar dierlijke klanken kan uitstoten. Gone tekent alle leden van het gezin: Ismeen is het gezonde, normale tweelingzusje waar niemand naar omkijkt; Clarissa wordt de kans op moederliefde ontzegd; Siegfried, een half autistische liefhebber van Griekse tragedies, trekt een wissel op het gezin door al zijn aandacht en liefde te reserveren voor zijn hulpbehoevende dochtertje.

Er hangt een onontkoombare doem over dit gezin, die des te wurgender wordt als blijkt dat de vader, Siegfried, terminaal is. Elk personage gebruikt dit moment, de aftakeling van Siegfried, voor een terugblik op het gezinsleven. Het is niet rijk aan actie, maar wel aan fraai geformuleerde zinnen die minutieus de uiteenrafeling van dit gezin beschrijven: ‘Hoe Gone haar (Clarissa – hb) langzaam had verdreven uit zijn (Siegfried – hb) hoofd, uit zijn lijf of misschien was het omgekeerd, had hij Gone gebruikt om Clarissa te verdrijven en had hij opgelucht ademgehaald toen hij de ruimte alleen nog maar hoefde te delen met een kind en niet meer met een vrouw die zoveel ingewikkelder was en meer eiste. Ja, eerst was ze Gone kwijtgeraakt, had haar dochter zich gesloten en van haar afgekeerd, want hoewel de dokters zeiden dat het een ziekte was bleef iets in haar lijf ervan overtuigd dat het haar schuld was dat Gone rond­gekeken en de wereld afgekeurd had.’

Dit drama pelt laag na laag af van de personages en stelt ze in een onbarmhartig licht. Siegfried, een verliteratuurd gezinshoofd dat de wereld alleen kan verklaren aan de hand van klassieke werken, wordt afgebroken tot een mislukte vader en echtgenoot. Clarissa heeft zich voor haar gezin weggecijferd, maar in ruil voor wat? Met Gone is geen contact mogelijk, Ismeen heeft zo snel als ze kon het ouderlijk huis ­verlaten, en haar echtgenoot Siegfried is altijd onbereikbaar voor haar gebleven. George, de broer van Siegfried, is ook een wandelende tragedie waar je mies van wordt. Zijn hang naar affectie deed hem in een reality show belanden, die hij won op basis van zijn afstotelijkheid. Als zijn broer Siegfried op sterven ligt, neemt hij Gone in huis – een verloren ziel die een onbereikbare ziel weet te raken. Maar lang mag dat niet duren. Het publiek, dat hem en Gone in zijn villa via live verbindingen kan volgen, accepteert misschien wel het exhibitionisme van een volwassen man, maar niet de exploitatie van een kind, dat bovendien niet kan praten en uit verdriet om haar stervende vader opgehouden is met eten.

In een terugblik op zijn tijd als leraar legt Siegfried zijn leerlingen uit wat een tragedie is: ‘In een tragedie is iederéén schuldig, maar niemand verantwoordelijk, elk speelt zijn eigen rol en krijgt zijn deel.’ In dit gezin gelden die wetten van de tragedie ook, maar hier blijft een zoet­sappige catharsis uit. Het spreekt voor de kwaliteit van dit boek dat het niet in pathetiek verzandt. Versteeg weet dit gezinsdrama boven het gebruikelijke gekijf binnen een familie te tillen door de scheef­gegroeide onderlinge verhoudingen, het misverstand en onbegrip, sensibel weer te geven: ‘Onder zijn (Siegfried – hb) kleren voelde hij dood. Hij was niet zomaar afwezig, het was een dieper niet-zijn, een ontkenning waarin ook zij (Clarissa – hb) dreigde te verdwijnen, hoewel ze nog even probeerde door te gaan met de bewegingen die ze uit de films had geleend, aanhalig zoals een ander soort vrouw aanhalig zou zijn, maar het tempo vertraagde, haast buiten haar om, en stokte ten slotte en hij rukte zich los en verdween.’

In een essay dat enige weken geleden in Trouw verscheen, beklaagde recensent Rob Schouten zich over het werk van jonge auteurs: ‘Niet de verbeelding of oorspronkelijkheid overheerst hier, maar het verlangen om een goed en lekker verhaal in elkaar te zetten en het de lezer naar de zin te maken.’

De wezenlozen van Wytske Versteeg bewijst dat dit niet voor elke jonge auteur opgaat. Verbeelding en oorspronkelijkheid bij haar te over. En ze maakt het je geen moment naar de zin.


Wytske Versteeg, De wezenlozen. Prometheus, 240 blz., € 19,95